Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
De Amersfoortse) gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en sinds april 2011 ontvangt [eiser] in verband hiermee uitkeringen uit deze verzekering. De Amersfoortse heeft de arbeidsongeschiktheid van [eiser] voor zijn werk als zelfstandig rijschoolhouder bepaald op 65-80% per 18 april 2011, op 55-65% per 1 oktober 2011 en op 45-55% per 15 november 2011.
Dekra) heeft op 19 juli 2012 namens Vivium aansprakelijkheid erkend en een eerste voorschot van € 2.857,22 betaald. Op 27 september 2012 is door Dekra een tweede voorschot van € 10.000,- betaald.
Verhagen), neuroloog te Nijmegen. Verhagen heeft onderzoek gedaan en op 11 november 2015 zijn rapport [2] uitgebracht. Partijen konden vervolgens nog altijd niet komen tot afwikkeling van de schade.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
3. althans Vivium te veroordelen tot vergoeding van door het hof in goede justitie vast te stellen schade.
eerste tussenarrest). In dit tussenarrest heeft het hof samengevat en voor zover in cassatie van belang, overwogen:
het tweede tussenarrest) geconstateerd dat partijen het niet eens zijn geworden over de persoon van de te benoemen deskundige(n) en ook niet over de aan deze(n) te stellen vragen (r.o. 2.2). Het hof zag reden opnieuw een neuroloog te benoemen, nu de rechtbank een neuroloog tot deskundige heeft benoemd en het hof diens rapport niet zonder meer kan volgen (r.o. 2.3). Het hof benoemde een niet door partijen voorgedragen en niet eerder in de zaak betrokken neuroloog: Dr. E.M.H. van den Doel (hierna:
Van den Doel). Het hof heeft aan Van den Doel de gebruikelijke IWMD-vragenlijst voorgelegd en heeft vraag 2.b van deze vragenlijst aangevuld met de vraag in hoeverre bij [eiser] sprake is van een arbeidsongeschiktheid die in medisch opzicht redelijkerwijs is gerelateerd aan het ongeval op 19 mei 2012, met inachtneming van het feit dat [eiser] op die datum al voor 45/55% arbeidsongeschikt was verklaard wegens hernia nekklachten (r.o. 2.5).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
.
tweede en derde alinea van subonderdeel 1-Iwordt gesteld dat rechtens onjuist en zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is dat het hof in zijn eindarrest de navolgende vaststellingen uit het tussenarrest onbesproken laat, het oordeel van deskundige Van den Doel (dat er geen aandoening is op neurologisch vakgebied, maar een aspecifiek pijnsyndroom, aangeduid als Whiplash graad II) overneemt en tot het zijne maakt en de vorderingen van [eiser] afwijst omdat op basis van dat deskundigenoordeel niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een toegenomen arbeidsongeschiktheid van [eiser] als gevolg van het in geding zijnde ongeval, alsmede dat het hof het bewijsaanbod van [eiser] passeert. Het subonderdeel doelt op de volgende vaststellingen in het tussenarrest, zoals weergegeven in het cassatiemiddel, dat:
subonderdeel 1-IVis onbegrijpelijk en tegenstrijdig met de hiervoor aangehaalde overweging uit r.o. 3.7 van het eerste tussenarrest dat het hof blijkens r.o. 2.3, 2.5 t/m 2.7 van het eindarrest kennelijk klinisch bewijs van letsel eist. Juist omdat het ontbreken van een medisch aantoonbare verklaring voor het letsel niet zonder meer in de weg hoeft te staan aan het aannemen van een condicio sine qua non-verband wil het hof bij [eerste, A-G] tussenarrest nog van de te benoemen deskundige weten of de klachten als aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven kunnen worden beschouwd. Daarover laten deskundigen Verhagen en Van den Doel zich niet uit. Wel stellen ze volgens het subonderdeel vast dat de klachten duiden op een Whiplash syndroom klasse twee. De verder ongemotiveerde afwijzing van het hof is volgens het subonderdeel dan ook zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd.
WAD IIof
whiplash) bij [eiser] . [12] Anders dan op diverse plaatsen in de procesinleiding en in gedingstukken zijdens [eiser] lijkt te worden aangenomen stelt Van den Doel niet expliciet dezelfde diagnose. Subonderdeel 1-IV formuleert dan ook terecht wat terughoudender: Van den Doel zou hebben vastgesteld dat de klachten van [eiser] ‘duiden op’ een WAD II. In zijn beschouwingen laat Van den Doel in het midden of [eiser] lijdt aan een WAD II, hetgeen past bij zijn standpunt dat aan een klachtenpatroon behorend bij een WAD II op neurologisch vakgebied geen functieverlies kan worden toegekend, waarover ook hierna. In de beschouwingen van Van den Doel is vermeld:
Zwolse Algemeene/ […] [17] een ontwikkeling voorgedaan en wordt wel aangenomen dat whiplashklachten reëel, niet voorgewend, niet ingebeeld en niet overdreven zijn als sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten. [18] Ook wordt in de feitenrechtspraak wel een weerlegbaar vermoeden aangenomen van aanwezigheid van het condicio sine qua non-verband tussen gezondheidsklachten en het ongeval indien a) voor het ongeval geen sprake was van dezelfde of vergelijkbare klachten, b) het ongeval de klachten kan veroorzaken en c) een alternatieve verklaring ontbreekt. [19]
kanhanteren. Of voor toepassing van een bewijsvermoeden aanleiding bestaat, is afhankelijk van een waardering van de omstandigheden van het geval. [21] Dat het hof in zijn eindarrest geen (bewijs)vermoeden heeft aangenomen bouwt voort op zijn oordeel dat uit de conclusies van Van den Doel volgt dat er geen sprake is geweest van een toegenomen arbeidsongeschiktheid van [eiser] als gevolg van het ongeval. Het hof heeft het realiteitsgehalte van de klachten niet (verder) beoordeeld. Bij gebrek aan een medisch substraat voor de klachten is het hof niet meer overgegaan tot een beoordeling van het causaal verband tussen het ongeval en de klachten. Indien mijn conclusie ten aanzien van de subonderdelen 1-I, 1-III en 1-IV wordt gevolgd, zal het verwijzingshof (opnieuw) moeten oordelen over het realiteitsgehalte van de klachten in juridische zin en – bij een bevestigend oordeel op dat punt – over het condicio sine qua non-verband, waarbij aan de orde kan komen of hetgeen over en weer is aangevoerd aanleiding geeft om tot een (bewijs)vermoeden te komen. Subonderdeel 1-II behoeft daarom in zoverre geen verdere behandeling.
subonderdeel 2-Izet [eiser] het juridisch kader uiteen en stelt hij dat het hof in het bijzonder de motiveringseisen voor verwerping van tegen het deskundigenbericht aangevoerde bezwaren heeft miskend vanwege de grote mate van precisering van die bezwaren. In de navolgende subonderdelen wordt de klacht verder uitgewerkt.
productie 35.)
klinischbeeld in juli door [orthopedisch chirurg] werd bevestigd (13).
klinischbeeld van
een radiculair syndroomdat werd bevestigd door achtereenvolgens [orthopedisch chirurg] , [neurochirurg 1] (een mooi correlaat tussen kliniek en beeldvorming), [neuroloog] op 20-12-2012, en [neurochirurg 2] een jaar later op 04-02-2013.
een deelvan een arm of been, al dan niet met andere prikkelingsverschijnselen (parasthesieën)
en/ofneurologische uitvalsverschijnselen (gevoelsverlies, krachtsverlies, verlaagde reflexen).
subonderdeel 2-II, procesinleiding, p. 15, laatste alinea en p. 16 citaat en eerste alinea daarna, zich tegen het tweede deel van r.o. 2.3 waarin het hof overweegt:
NVN), die voorschrijven dat bij een achterop aanrijding door lichamelijk onderzoek en door onderzoek naar het ongevalsmechanisme vastgesteld moet worden of er sprake is van de gevolgen van een whiplash.
p. 16 van de procesinleiding, eerste alinea na het citaat, stelt het subonderdeel voorts dat onbegrijpelijk is dat het hof in r.o. 2.3 ‘aanwijsbaar letsel’ vereist, terwijl het in r.o. 3.7 van het eerste tussenarrest oordeelde dat het ontbreken van een medisch aantoonbare verklaring voor het letsel niet zonder meer in de weg hoeft staan aan het aannemen van een condicio sine qua non-verband.
(Punt 3.1 en 3.2 analyse [de medisch adviseur] .)
omdat hij zich niet heeft gehouden aan deze voor hem zeer bekende Richtlijn dat er bij cognitieve klachten nader onderzoek moet geschieden.
alinea’s op de onderste helft van p. 19(vanaf ‘Concluderend’) bevatten een samenvatting en de voortbouwklacht dat het slagen van een van de klachten gericht tegen r.o. 2.2 t/m 2.4 ook r.o. 2.5 t/m 2.8 en het dictum raakt.