Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
uitgehaaldmet het flesje in de hand
naarde hals dan wel de directe omgeving van de hals, is niet te verenigen met hetgeen het hof bewezen heeft verklaard, te weten dat verdachte met het opzet op de dood van [aangever] met een kapot geslagen fles [aangever]
inde nek/hals/rondom de kaaklijn heeft gestoken, zodat op grond hiervan de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Het hof heeft voorts de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij [aangever] met zijn
vuist een klap heeft gegevenvoor het bewijs gebruikt, hetgeen niet te verenigen is met de overweging van het hof, dat verdachte welbewust een
uithalende bewegingheeft gemaakt met de gebroken fles naar de
hals dan wel directe omgeving van de hals, zodat de verwerping van het verweer/de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.”
Bewijsoverweging met betrekking tot het opzet van de verdachte
uithalenmet een voorwerp
naarde hals iets wezenlijk anders is dan, dan wel tegenstrijdig is met,
het stekenmet een voorwerp
inde hals, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de verdachte de aangever met de kapotte fles heeft
gestokenter hoogte van de kaaklijn/linkerkin/nek (bewijsmiddelen 1 en 2). Het uithalen met de fles in de richting van de hals gaat logischerwijs vooraf aan het steken met de fles; het zijn twee opeenvolgende onderdelen van één en dezelfde handeling. Tegen die achtergrond is de vaststelling van het hof over het uithalen met de fles wel degelijk te verenigen met de bewezenverklaring. [1] In zoverre faalt de klacht.
met zijn vuisteen klap heeft gegeven – niet is te verenigen met de overweging van het hof dat de verdachte welbewust een uithalende beweging heeft gemaakt met de gebroken fles naar de hals dan wel de directe omgeving van de hals, zodat de verwerping van het verweer dan wel de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Ik begrijp deze deelklacht aldus dat de stellers van het middel beogen te klagen dat geven van een vuistslag iets anders is dan het maken van een uithalende beweging met een kapotte fles en dat het hof, door de voornoemde verklaring van de verdachte voor het bewijs te gebruiken, twijfel heeft doen rijzen over het opzet van de verdachte.
3.Het tweede middel
Noodweer(exces)
en een beetje bleven dreigenen toen zonder dat er een klap aan vooraf was gegaan, verdachte uitgehaald heeft met het flesje.”
het over en weer“een beetje dreigen” voor de verdachte niet dusdanig dreigend geacht dat dit kon worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof kon uit de verklaring van [betrokkene] afleiden dat van zodanig acuut gevaar geen sprake was. Het feit dat het dreigende gevaar zich in de fase daaraan voorafgaand wel had verwezenlijkt doordat de aangever de verdachte twee maal heeft geslagen, doet daar niet aan af.
NJ2016/316 m.nt. N. Rozemond, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen over een beroep op noodweerexces (met weglating van voetnoten):