ECLI:NL:PHR:2023:1084
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewezenverklaring schuldwitwassen met kennelijk leugenachtige verklaring
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens schuldwitwassen van een bestelauto die gestolen bleek te zijn. Het hof stelde vast dat de verdachte op 11 december 2020 in de bestelauto werd aangetroffen, die een dag eerder was gestolen met sleutels en persoonlijke eigendommen nog binnenin. De verdachte verklaarde dat hij de auto van een vriend had gekregen, maar het hof achtte die verklaring niet aannemelijk en oordeelde dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de auto uit een misdrijf afkomstig was.
De verdediging stelde in cassatie dat het oordeel over de kennelijk leugenachtige verklaring onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad bevestigt dat het gebruik van een kennelijk leugenachtige verklaring als bewijsmiddel strikte motiveringsvereisten kent, die in dit arrest niet volledig zijn nageleefd. Desondanks oordeelt de Hoge Raad dat de bewezenverklaring ook zonder deze verklaring toereikend is gemotiveerd, gelet op de omstandigheden zoals de diefstal, de staat van het voertuig, het ontbreken van het kenteken aan de voorzijde en het bezit van pasjes en kentekenbewijs door de verdachte.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee de veroordeling voor schuldwitwassen. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij het gebruik van kennelijk leugenachtige verklaringen, maar bevestigt tevens dat andere bewijsmiddelen voldoende kunnen zijn om schuldwitwassen aan te tonen.
Uitkomst: De veroordeling voor schuldwitwassen wordt bevestigd ondanks onvoldoende motivering over kennelijk leugenachtige verklaring.