Conclusie
middel
verklaring van aangever ([betrokkene 1]):
Bijlage goederen(pg. 6):
relaas verbalisant ([verbalisant 1]):
relaas verbalisanten ([verbalisant 1] en [verbalisant 2]):
NJ2015/163, vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof waarin de verdachte was veroordeeld voor opzetheling van een auto. De bewezenverklaring hield in dat de verdachte de auto op een tijdstip gelegen in de periode van 24 december 2012 tot en met 3 januari 2013 voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De auto was op 24 december 2012 gestolen en de verdachte was op 3 januari 2013 als bestuurder van deze auto aangehouden. De verdachte had aangevoerd dat hij in Rotterdam ene Hamida tegen was gekomen, die hem vroeg of hij voor hem wilde tanken, dat de verdachte zelf de brandstof moest betalen en dat hij na het tanken de auto weer bij die Hamida zou terugbrengen, dat de verdachte daarin had toegestemd en dat hij vervolgens met twee andere jongens door de politie werd aangehouden. Het hof vond die verklaring “niet geloofwaardig” nu de verdachte geen bijzonderheden heeft verstrekt over degene, door wie hem de auto ter beschikking zou zijn gesteld en de omstandigheden waaronder dat zou zijn gebeurd of de redenen waarom hij op eigen kosten voor een derde ging tanken. De Hoge Raad oordeelde in deze zaak dat het bewezenverklaarde voor zover inhoudende dat de verdachte “ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof” niet zonder meer kan worden afgeleid uit 's hofs bewijsvoering. Mijn voormalig ambtgenoot Machielse had in deze zaak eveneens tot vernietiging geconcludeerd en gesteld dat een niet erg geloofwaardige verklaring nog niet wil zeggen dat daarmee het opzet van de verdachte op het door misdrijf verkregen zijn van de auto ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto, is gegeven.