Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelheeft betrekking op de bewijsvoering van de schuldheling van kentekenplaten. Uit de bewijsvoering kan volgens de steller van het middel niet, althans niet zonder meer, volgen dat de verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat de kentekenplaten afkomstig waren van enig misdrijf. Het middel stelt de plicht aan de orde die naar het oordeel van het hof op de verdachte rustte om onderzoek te doen naar de herkomst van de kentekenplaten.
1. Een proces-verbaal aangifte d.d. 7 maart 2017 (pg, 45-48), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene ] namens [slachtoffer 1] :
eerste stapbestaat uit de vaststelling van feiten en omstandigheden waaronder de verdachte een voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gekregen, die voor de verdachte een onderzoeksplicht hebben doen ontstaan. Daarmee wordt van hem doorvragen of nader onderzoek geëist. In Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht merkt Fokkens op dat een onderzoeksplicht naar de herkomst van een goed, niet te snel moet worden aangenomen. [4] De Hoge Raad eist niet van een ieder die een “goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt”, een onderzoek in te stellen naar de herkomst van dat voorwerp. [5] De feiten en omstandigheden moeten dusdanig zijn dat bij een redelijk denkend mens het vermoeden zou ontstaan dat aan de legale herkomst van het goed moet worden getwijfeld. [6] Als maatstaven heeft de Hoge Raad gewezen op feiten en omstandigheden die “van dien aard zijn, dat eenig nadenken voldoende zou zijn om het vermoeden te kunnen doen ontstaan, dat het goed zou zijn gestolen” of die “noopten een bijzondere voorzichtigheid in acht te nemen”. [7] Onder dergelijke feiten en omstandigheden rust op de verdachte de plicht een onderzoek in te stellen naar de herkomst van het goed. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 11 juli 1944:
bisSr. omschreven strafbaar feit medebrengt, dat in het algemeen iemand alvorens een partij goederen te koopen, gehouden is, zich rekenschap te geven van de herkomst van het goed en de betrouwbaarheid van den verkooper en ingeval, dat de hem bekende feitelijke omstandigheden van dien aard zijn, dat eenig nadenken voldoende zou zijn om het vermoeden te kunnen doen ontstaan, dat het goed zou zijn gestolen, zich van een koopen zonder nader onderzoek omtrent de herkomst te onthouden, wil hij niet, voor het geval het goed inderdaad van diefstal afkomstig is het in genoemd artikel omschreven schulddelict plegen”.
tweede stapbetreft het daaraan verbinden van de gevolgtrekking dat de verdachte heeft gehandeld met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het tekortschieten in de onderzoekplicht vormt de schakel tussen de feiten en omstandigheden en de bewezenverklaring dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het voorwerp “redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof”. [8] In dat geval heeft de verdachte niet alleen “de mogelijkheid van de misdadige herkomst van het voorwerp […] kunnen en moeten voorzien”, maar heeft de verdachte ook “redelijkerwijs het verwezenlijkt zijn van die mogelijkheid […] aannemelijk […] moeten achten”, zoals de voorgestelde strafbaarstelling van schuldheling is uitgelegd in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat resulteerde in de wet waarbij art. 417bis Sr werd ingevoegd. Het strafbare verwijt dat aan de verdachte dan wordt gemaakt is dat hij door zijn onvoorzichtigheid misdrijven begunstigt of bevordert. [9]
autoniet zonder meer tot de conclusie [kan] leiden dat verdachte ook redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de
kentekenplatenvan misdrijf afkomstig zijn”. Deze deelklacht berust op een te beperkte en daarom ook onjuiste lezing van het arrest omdat het hof de bewezenverklaring van schuldheling van de kentekenplaten niet heeft gebaseerd op “de enkele omstandigheid dat verdachte zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van de
auto”. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging een onderzoeksplicht naar de herkomst van de auto aangenomen, mede aan de hand van de kentekenpapieren, hetgeen kennelijk en niet onbegrijpelijk ook een vergelijking inhoudt tussen het in de kentekenpapieren vermelde kenteken en de op de auto bevestigde kentekenplaten. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de verdachte in deze onderzoeksplicht tekort is geschoten en op grond daarvan de verdachte veroordeeld wegens schuldheling van de kentekenplaten.