Conclusie
Verweer
telenvan hennepplanten
NJ2015/397, m.nt. Mevis tot het oordeel dat de omstandigheden dat de verdachte mensen had geregeld die de hennepplantage hadden aangelegd voor zijn toenmalige vriendin en de betaling voor de hennepplantage aan haar via de verdachte liep, onvoldoende waren om medeplegen te kunnen aannemen. In HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3317 oordeelde de Hoge Raad dat het enkel ter beschikking stellen van een woning met de daarin aanwezige voorzieningen aan een derde op het eerste gezicht duidt op een gedraging die doorgaans met medeplichtigheid in verband wordt gebracht en dat daarom het oordeel van het hof dat de verdachte kon worden aangemerkt als medepleger van het telen van hennepplanten nadere motivering behoefde. [3] In de zaak die leidde tot HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3202,
NJ2018/50 had het hof het opzettelijk telen van hennepplanten bewezenverklaard omdat de verdachte (i) wist dat de hennepplantage in zijn woning aanwezig was, (ii) zij aan de opbouw en exploitatie van de kwekerij geen einde had gemaakt hoewel dat als enig eigenaar van de woning in haar macht lag, (iii) zij had toegestaan dat de kwekerij werd gefinancierd uit gemeenschappelijke gelden en (iv) zij profiteerde of zou profiteren van de opbrengsten van de kwekerij. Naar het oordeel van de Hoge Raad zijn deze omstandigheden niet zonder meer voldoende om te kunnen aannemen dat de verdachte het opzettelijk telen van hennepplanten had medegepleegd, aangezien zij in de kern niet meer inhouden dan dat de verdachte aan een ander gelegenheid en middelen had verschaft voor het telen van hennepplanten in haar woning, hetgeen op het eerste gezicht duidt op gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, en zij heeft geprofiteerd of zou profiteren van de opbrengst van dat telen. De bewezenverklaring was derhalve in zoverre ontoereikend gemotiveerd.
aanwezig hebbenvan hennep
NJ1985/822, m.nt. Van Veen. Daarin stond de vraag centraal of de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk verdovende middelen aanwezig had gehad. Het antwoord van de Hoge Raad luidde bevestigend en daarbij liet hij weten dat niet doorslaggevend is aan wie die verdovende middelen toebehoren. Voor het ‘aanwezig hebben’ van verdovende middelen is evenmin enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de drugs vereist. [5] Toereikend is dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van deze middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop. [6]
NJ2022/95, m.nt. Reijntjes heeft de Hoge Raad enkele overwegingen uit de hiervoor genoemde arresten samengevat in een belangrijke rechtsoverweging over het ‘aanwezig hebben’ van verdovende middelen in de zin van de Opiumwet. Deze overweging houdt in:
gezamenlijkemachtsuitoefening ten aanzien van de aanwezige hennep, zodat een bewuste [10] (en nauwe) samenwerking bij het aanwezig hebben van de hennep op die bepaalde plaats kan worden vastgesteld. Het bewijs van het zogenoemde samenwerkingsopzet zal bij het ‘nogal passieve’ aanwezig hebben van hennep niet altijd direct uit de bewijsmiddelen kunnen volgen. [11] Dat lijkt mij ook niet vereist. Voldoende is naar mijn inzicht dat de uit de bewijsmiddelen direct blijkende feiten en omstandigheden grond bieden voor het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat zijn medeverdachte of medeverdachten op de hoogte was of waren van de aanwezigheid van hennep op een bepaalde plek, zodat het benodigde samenwerkingsopzet door middel van een bewijsredenering kan worden vastgesteld. In een dergelijke bewijsredenering kan de rechter betrekken dat aan het vastgestelde (passieve) handelen van de verdachte en een of meer anderen kennelijk een stilzwijgende afspraak ten grondslag ligt. Het op basis van een bewijsredenering door de rechter vastgestelde samenwerkingsopzet kan ook in de bewijsvoering besloten liggen. [12]
diegedragingen het wezenlijke verschil gelegen met de relevante gedragingen in de andere zaken die onder het hoofd ‘Medeplegen van het telen van hennepplanten’ zijn aangehaald, ook de zaken waarover de Hoge Raad zich in zijn arresten van 25 januari 2022 en 28 maart 2023 boog. De onder (v) genoemde gedragingen maken mijns inziens een substantieel deel uit van de gezamenlijke uitvoering van het feit. Er was in dat verband sprake van een nauwe samenwerking met een weloverwogen onderlinge taakverdeling tussen de verdachte en haar man. De rol van de verdachte was daarmee niet beperkt tot wat hand- en spandiensten en was in die zin niet slechts faciliterend. Zij heeft meer gedaan dan alleen dat, want leverde een actieve en belangrijke bijdrage aan het onderhouden van het schijnbeeld naar buiten toe, dat het huis bewoond was en niet voor het telen van hennepplanten werd gebruikt. Aan het voorgaande doet niet af dat uit de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte zelf fysiek bezig is geweest met het telen van de hennepplanten.