Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
12 juli 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 193 hennepplanten in een leegstaande woning die zij samen met haar toenmalige echtgenoot bezat.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen van politieonderzoeken, bankafschriften, en het hoge elektriciteitsverbruik in de woning. Het hof concludeerde dat verdachte wetenschap had van de hennepkwekerij, mede omdat zij geen aannemelijke verklaring gaf voor het hoge energieverbruik en de herkomst van de extra inkomsten, ondanks dat zij weinig in de woning was geweest en geen sleutel had.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen sleutel had, weinig in de woning was geweest, geen geld op de gezamenlijke rekening had gestort en dat de medeverdachte de verbouwing betaalde met geleend geld. Ook wezen zij op verklaringen van buurtbewoners die alleen de mannelijke bewoner zagen. Volgens de verdediging ontbrak het aan wettig en overtuigend bewijs voor wetenschap van de hennepkwekerij.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk was gelet op de aangevoerde omstandigheden en vernietigde het arrest. De zaak werd terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs van opzet.