Conclusie
Nummer21/00947
eerstemiddel bevat een bewijsklacht die het onder 1 primair bewezenverklaarde betreft. Het
tweedemiddel bevat een klacht over de bewijsvoering van het onder 2 bewezenverklaarde en over de verwerping van een standpunt dat te dien aanzien naar voren is gebracht. Het
derdemiddel bevat een klacht over de verwerping van een beroep op (putatief) noodweer(exces) dat is gevoerd ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde. Bij de bespreking van de middelen begin ik met het eerste middel, vervolgens bespreek ik het derde middel en tot slot het tweede middel. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen geef ik de bewezenverklaring van beide feiten alsmede de bewijsmiddelen, delen van de pleitnota en de overwegingen van het hof weer.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 25 augustus 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, alsverklaring van verdachte:
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 december 2019, (…) d.d. 13 februari 2020, inhoudend alsverklaring van [aangever]:
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 december 2018, (…), inhoudend alsverklaring van [betrokkene 1]:
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 december 2019, (…), inhoudend als verklaring van[betrokkene 2]:
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 december 2019, (…) , inhoudend alsrelaas van verbalisant [verbalisant 1]:
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen beeldverslag d.d. 23 december 2019, (…), inhoudendals relaas van camerabeeldspecialist [verbalisant 2]:
Een Forensisch Geneeskundig Letselverslag met benoeming d.d. 16 december 2019, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 3] , Arts Maatschappij en Gezondheid. Forensisch arts KNMG (…), voor zover inhoudend, als ziin/haargeneeskundige verklaring:
Eendeskundigenrapport Brandtechnisch onderzoeknaar aanleiding van een incident in [plaats] op 17 december 2019 afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (NFI) d.d. 16 juli 2020 (…), opgemaakt door ir. J.H.L.M. Lelieveld, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:
De feiten:
Concreet is er sprake van een betrekkelijk oppervlakkig letsel zonder levensbedreigende omstandigheden.’ Opmerking verdient het feit dat er geen brandwonden werden geconstateerd. De kop van de brander was dus blijkbaar niet meer heet toen [aangever] geraakt werd.
De juridische beoordeling:
nietworden aangemerkt als ‘zwaar lichamelijk letsel’ (
vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, NJ 2020/200).
nietdegene die de fysieke confrontatie met [aangever] zocht. Hij wilde slechts zichzelf de toegang tot het bedrijfsterrein verschaffen. Die toegang had [aangever] hem feitelijk ontzegd door het hek dicht te lassen. De actie van [verdachte] was er slechts op gericht om aan die - in zijn ogen - wederrechtelijke situatie een einde te maken.
Feit 2: vernieling van een hek:
nietvernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt. Hij heeft slechts de metalen plaat waarmee het hek was afgesloten verwijderd. Het hek zelf is onbeschadigd gebleven - het is althans niet beschadigd door zijn toedoen.
Verweer raadsman
Strafbaarheid van de verdachte
Bespreking van het eerste en derde middel
eerstemiddel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de aangever, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat de raadsman met kracht van argumenten had onderbouwd dat er in dit concrete geval – gelet op een aantal specifieke omstandigheden – geen sprake was van een aanmerkelijke kans op overlijden en/of van het welbewust aanvaarden van zo’n aanmerkelijke kans door de verdachte. Het hof zou bij de beoordeling de argumenten van de verdediging volkomen hebben genegeerd. Aangevoerd wordt voorts dat het hof had moeten constateren dat er onvoldoende (objectief) bewijs voorhanden was op basis waarvan kon worden vastgesteld met welke kracht werd geslagen en wat de mogelijke impact van een dergelijke klap zou kunnen zijn geweest.
derdemiddel bevat de klacht dat ‘s hofs oordeel dat het beroep op noodweer en noodweerexces moet worden verworpen omdat geen sprake was of is geweest van een situatie waarin de verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Daartoe voert de steller van het middel aan dat het hof lijkt te suggereren dat voor een geslaagd beroep op noodweer/noodweerexces vast moet komen te staan dat de verdachte onverhoeds van achteren werd aangevallen, terwijl dat geen dwingende voorwaarde is om van een noodweersituatie te kunnen spreken.
Bespreking van het tweede middel
tweedemiddel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel dat de verdachte wederrechtelijk een hek, toebehorende aan [aangever] , heeft beschadigd, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat de verdachte in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat hij als huurder nog steeds de rechtmatige gebruiker van een terrein was en dat hem de toegang tot het terrein onrechtmatig werd belemmerd, en dat hij na overleg met en met toestemming van de politie de metalen plaat van het hek heeft verwijderd met een snijbrander. Aangevoerd wordt voorts dat het hof niet gemotiveerd is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte.
40], hetzij (bij aanhitsing) art. 51 kunnen Pro worden ingeroepen.’ [7] Daarbij past evenwel de kanttekening dat de wetgever de strafuitsluitingsgronden (nog) niet had gekoppeld aan de elementen wederrechtelijkheid en schuld. [8]