ECLI:NL:HR:2017:380

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 maart 2017
Publicatiedatum
7 maart 2017
Zaaknummer
16/00925
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens gebrek aan belang bij poging tot doodslag

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2014, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag tijdens een uitgaansincident in Amsterdam. Verdachte werd beschuldigd van het slaan met een ijzeren staaf op het hoofd van het slachtoffer en het schoppen met geschoeide voet tegen het hoofd.

Namens verdachte diende advocaat F.P. Slewe een schriftuur in ter ondersteuning van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft dit beroep inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid en geconstateerd dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.

Op basis van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand en wordt het cassatieberoep van verdachte afgewezen.

Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Van den Brink en Van Strien, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 7 maart 2017.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het hof in stand blijft.

Uitspraak

7 maart 2017
Strafkamer
nr. S 16/00925
CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2014, nummer 23/004382-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 maart 2017.