Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
7 maart 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2014, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag tijdens een uitgaansincident in Amsterdam. Verdachte werd beschuldigd van het slaan met een ijzeren staaf op het hoofd van het slachtoffer en het schoppen met geschoeide voet tegen het hoofd.
Namens verdachte diende advocaat F.P. Slewe een schriftuur in ter ondersteuning van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft dit beroep inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid en geconstateerd dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand en wordt het cassatieberoep van verdachte afgewezen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Van den Brink en Van Strien, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 7 maart 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het hof in stand blijft.