Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
24 november 2020.
Hoge Raad
De verdachte had de website van zijn zwager offline gehaald omdat deze een openstaande rekening niet had betaald. De zwager voelde zich hierdoor onder druk gezet, omdat hij via de website zijn broodwinning verdiende. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte wederrechtelijk had gedwongen tot betaling door de website offline te halen.
In cassatie klaagde de verdachte dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het handelen als wederrechtelijk moest worden aangemerkt. De Hoge Raad constateerde dat het hof geen nadere bewijsoverweging had gegeven en dat uit de bewijsmiddelen niet duidelijk bleek dat de dwang wederrechtelijk was.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op basis van het bestaande dossier. De zaak betreft de uitleg en toepassing van artikel 284 Sr Pro omtrent wederrechtelijke dwang door het offline halen van een website als middel om betaling af te dwingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens onvoldoende motivering over de wederrechtelijkheid en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.