Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, verweer en bewijsoverweging
pagina’s 26- 28), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven -
als verklaring van aangever [aangeefster]:
pagina’s 44-45van het proces-verbaal, genummerd PL0600-2018436135), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als bevindingen van verbalisanten:
pagina's 2-7van het proces-verbaal, genummerd PL0600-2018436135), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als bevindingen van verbalisant:
pagina 31 tot en met 38van het proces-verbaal.
pagina’s 39-40van het proces-verbaal, genummerd PL0600-2018562332), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als verklaring van getuige [betrokkene 1] d.d. 18 december 2018:
pagina’s 41-42van het proces-verbaal, genummerd PL0600-2018562332), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als verklaring van getuige [betrokkene 2] d.d. 18 december 2018:
3.Bespreking van het middel
de auditu-verklaringen die neerkomen op een herhaling van hetgeen de aangeefster aan hen heeft verteld.
de auditu-getuige) aan wie de getuige heeft verteld wat hem of haar is overkomen op zichzelf niet als steunbewijs gelden. [4] Wel kunnen persoonlijke waarnemingen die de
de auditu-getuige heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Ook kunnen eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer. [5] Het steunbewijs hoeft niet betrekking te hebben op de ten laste gelegde gedragingen. [6] Eveneens is niet vereist dat het steunbewijs rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit bevestigt. [7] Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van de getuige (aangeefster) en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan. [8] Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. [9]