Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
13.
.
3.Slotsom
4.Beslissing
13 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor meerdere zedendelicten jegens een minderjarige. De bewezenverklaringen rustten voornamelijk op de verklaringen van de aangeefster, die gedetailleerd en consistent waren, en werden door het hof als betrouwbaar beoordeeld.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen onvoldoende steun vonden in ander bewijsmateriaal en dat het bewijs daarmee niet aan het wettelijk bewijsminimum voldeed. Ook werd betoogd dat het gebruik van de verklaringen in strijd was met het recht op een eerlijk proces omdat de verdediging in hoger beroep niet opnieuw de aangeefster kon horen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de verklaringen van de aangeefster voldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen. De aanwezigheid van verdachte in de nabijheid van de aangeefster en de verklaring van diens dochter waren onvoldoende om het wettelijk bewijsminimum te halen. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De Hoge Raad bevestigde het belang van het bewijsminimum zoals neergelegd in art. 342, tweede lid, Sv, en benadrukte dat de rechter niet uitsluitend op de verklaring van één getuige kan baseren zonder voldoende aanvullende steun. De zaak wordt nu opnieuw behandeld door het hof om te beoordelen of het bewijs voldoet aan de wettelijke eisen.
Uitkomst: Het arrest van het hof is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende bewijssteun.