Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
hoogst onwaarschijnlijkis dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1 onder 4º Sr in samenhang met artikel 552f Sv. [1]
hoogst onwaarschijnlijkis dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete, de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. [4]
NJ1972/341, over beslag op boeken en tijdschriften waarvan de inhoud ‘aanstotelijk voor de eerbaarheid’ zou zijn. In die zaak had de rechtbank overwogen ‘dat zich ten deze niet het geval voordoet, dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een strafrechter, later oordelende, deze boeken en tijdschriften zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer’, zodat het belang van strafvordering zich verzette tegen teruggave. De HR overwoog onder meer dat de rechtbank ‘reeds in de door haar vastgestelde omstandigheid, dat zich niet het geval voordoet, dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een strafrechter, later oordelende, de betreffende boeken en tijdschriften zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer, voldoende grond heeft kunnen vinden voor het oordeel, dat het belang van de strafvordering zich tegen de teruggave van deze boeken en tijdschriften verzet’. Het betreffende middel miskende dat het belang van strafvordering niet slechts het aan de dag brengen van de waarheid omvat, maar ook het mogelijk maken van verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer; het richtte zich niet tegen de precieze formulering van de door de rechtbank gebruikte maatstaf (‘hoogst onwaarschijnlijk’). Niettemin is de ‘hoogst onwaarschijnlijk’-formule in relatie tot het beklag ex art. 552a Sv sindsdien een centrale plek gevonden in de vaste rechtspraak van de Hoge Raad.
NJ1952/58 overwoog de HR dat slechts sprake is van ‘onvoldoende aanwijzing van schuld’ a.b.i. artikel 250 (oud) Sv als ‘het hoogst onwaarschijnlijk is, dat een strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering het telastgelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten’. [18]
NJ2016/202 is verduidelijkt dat niet is vereist dat de feiten of omstandigheden waarop bij het hernieuwd beklag een beroep wordt gedaan in die zin nieuw zijn dat zij zich eerst na de behandeling van het eerdere klaagschrift hebben voorgedaan of bekend zijn geworden. In deze zaak (het ging om beslag op vorderingen) deed de klaagster in een hernieuwd beklag een beroep op de ‘huidige financiële situatie’ van de BV en de gevolgen van de voortzetting van het beslag voor de bedrijfsvoering. Volgens de rechtbank waren dit geen nieuwe feiten of omstandigheden, nu de penibele financiële situatie direct was ingetreden na de beslaglegging op de vordering. De HR oordeelde echter dat een hernieuwd beklag in het algemeen ontvankelijk is indien een beroep wordt gedaan op
anderefeiten of omstandigheden dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd en die van zodanige aard zijn dat zij nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoek tot opheffing van het beslag. Dit laatste duidt erop dat hetgeen is aangevoerd in ieder geval relevant en van voldoende zwaarwegend belang moet zijn om een nieuwe beoordeling te rechtvaardigen.
prodedural requirementswaarin moet zijn voldaan overwoog het EHRM in Apostolovi (par. 100): [40]
equality of armsvereist: “allowing discussion of aspects that are important for the outcome of the case.”