Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
24 mei 2022.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of Instagram-accounts kunnen worden beschouwd als voorwerpen die vatbaar zijn voor beslag en verbeurdverklaring op grond van artikel 94 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank had geoordeeld dat Instagram-accounts noch zaken noch vermogensrechten zijn en daarom niet als voorwerpen in de zin van de wet kunnen worden aangemerkt. Dit oordeel werd aangevochten door het Openbaar Ministerie in cassatie.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank. Uit de wetsgeschiedenis en de wettelijke bepalingen volgt dat alleen zaken en vermogensrechten als voorwerpen kunnen worden aangemerkt die voor verbeurdverklaring in aanmerking komen. Zaken zijn stoffelijke objecten die voor menselijke beheersing vatbaar zijn, terwijl vermogensrechten rechten zijn die overdraagbaar zijn of stoffelijk voordeel verschaffen. Een Instagram-account is een virtueel, persoonsgebonden object dat geen zelfstandige vermogensrechtelijke status heeft en niet als zaak kan worden beschouwd.
Hoewel virtuele objecten onder bepaalde omstandigheden wel als voorwerpen kunnen worden aangemerkt, geldt dit niet voor Instagram-accounts. De waarde van zo'n account is afhankelijk van de gebruiker en vertegenwoordigt geen overdraagbaar vermogensrecht. Daarom is het beslag op de Instagram-accounts onrechtmatig en dient het opgeheven te worden. Het beroep van het Openbaar Ministerie werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; Instagram-accounts zijn geen voorwerpen in de zin van art. 94 lid 2 Sv en het beslag daarop is onrechtmatig.