Conclusie
Nummer21/04758
Inleiding
Het eerste middel
eerste middelricht zich tegen de bewezenverklaarde doodslag jegens [slachtoffer 3] en het wegmaken van haar lijk en valt uiteen in een tiental deelklachten.
hij op een tijdstip in de periode van 7 maart 2017 tot en met 27 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer 3] , heeft weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen”
geruchtdat [betrokkene 1] verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 3] en dat hij na het vertrek van [slachtoffer 3] uit de woning achter haar zou zijn aangegaan en haar nek zou hebben gebroken, overweegt het hof dat dit gerucht reeds wordt weerlegd door de camerabeelden van de flat aan de [a-straat] in de periode van 7 maart 2017 om 18:00 uur tot 8 maart 2017 om 12:00 uur. Uit deze beelden volgt immers dat [betrokkene 1] de flat niet heeft verlaten na het vertrek van [slachtoffer 3] op 8 maart 2017 om 02:47 uur.
Naar het oordeel van het hof is dit een extreme reactie die niet enkel kan worden verklaard uit angst voor het uitzitten van de oude openstaande straf en geldboetes van geringe duur.
NJ2014/190 is dat het hof had bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven had beroofd, erin bestaande dat de verdachte “opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, een (aantal) kogel(s) in het lichaam en/of het hoofd en/of de nek van [slachtoffer] heeft geschoten of een of meer andere vormen van geweld op [slachtoffer] heeft toegepast/uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden”. In die zaak was een vuurwapen toebehorende aan de verdachte gevonden en had hij op het internet onder meer gezocht naar ‘nekschot’, ‘Walther PPK (onderhoud)’ en ‘kogel door het hoofd’. Het hof had vervolgens overwogen dat het met voorbedachte raad en opzettelijk met geweld van het leven beroven door de verdachte gebeurd kan zijn met het vuurwapen dat hij in zijn bezit had, maar ook op andere gewelddadige wijze, waardoor het hof de beide in de tenlastelegging genoemde alternatieve mogelijkheden bewezenverklaarde.
NJ2012/557, m.nt. Keijzer, faalt ook deze klacht. In dit arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat de strafuitsluitingsgrond van art. 189 lid 3 Sr Pro niet van overeenkomstige toepassing is op art. 151 Sr Pro.
Het tweede middel
tweede middelricht zich op het feitencomplex met betrekking tot de doodslag op [slachtoffer 2] en houdt een drietal deelklachten in.
sole and decisive evidence. De verklaring van [betrokkene 31] uit 2004 vindt immers bevestiging in de verklaringen van de getuigen [betrokkene 32] , [betrokkene 33] en [betrokkene 24] uit (onder meer) 2017, die elkaar over en weer ondersteunen en ten aanzien van welke getuigen de verdediging haar ondervragingsrecht bij de rechter-commissaris en/of ter terechtzitting van het hof heeft kunnen uitoefenen. Het hof acht, gelet op die ondersteuning over en weer, de verklaringen betrouwbaar.
[slachtoffer 2] is in de nacht van 6 op 7 november 2004 bij mij in mijn woning geweest. Zij heeft bij mij geslapen. Ze was rond 08:00 uur wakker. Ik sliep tot ongeveer 11:00-12:00 uur, toen zij wegging. Ik heb haar auto voor haar uitgeparkeerd omdat zij dat niet kon.
het eerdere verhaal of op het dossier dat hij had gelezen.
schattingvan de postmortale tijd, uitgaande van 153 onderscheidenlijk 191 uur, het overlijden van [slachtoffer 2] zou hebben plaatsgevonden rond 10 november 2004 om 04:00 uur onderscheidenlijk 8 november 2004 om 14:00 uur, geen contra-indicatie voor betrokkenheid van de verdachte.
gekliefden de lichaamsdelen op de plaats zijn gedeponeerd waar deze zijn gevonden, de postmortale termijn gezien de omgevingstemperatuur wordt geschat op maximaal circa enkele dagen. Daarbij is echter opgemerkt dat een verblijf in een vriezer of koeler niet kan worden uitgesloten, omdat dit veelal geen sporen achterlaat. Ook deze bevindingen leveren mitsdien geen contra-indicatie op voor betrokkenheid van de verdachte.
Het derde middel
derde middelricht zich op het feitencomplex met betrekking tot de doodslag op [slachtoffer 1] en houdt een tweetal deelklachten in.
nietkenden, omdat het tegendeel niet valt af te leiden uit de diverse dossiers, noch anderszins is gebleken.
total losswas en enige tijd in zijn oma’s tuin heeft gestaan, totdat deze naar de reparatie ging. De auto was na de reparatie zeker schoon.
het hof begrijpt: na 6 november 2004) in de auto van [slachtoffer 2] heeft doen terechtkomen.
het met zekerheid gaat om door een ander verplaatste zandkorreltjes en grassprietjes met bloed van [slachtoffer 1]’. In het licht van het hiervoor overwogene over het uitgebreide onderzoek in beide zaken kan die stelling van de verdediging, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden gevolgd.
Het vierde middel
vierde middelricht zich op de drie feitencomplexen gezamenlijk en behelst de klacht dat het hof slechts heeft vastgesteld dat de verdachte voorafgaand aan hun overlijden seks heeft gehad en zich vervolgens heeft ontdaan van de drie vrouwen. In het arrest heeft het hof niets vastgesteld omtrent de wijze waarop de te onderscheiden feiten zijn begaan, laat staan dat dit op essentiële punten overeenkomt. Gelet hierop en hetgeen door de verdediging is aangevoerd, zou het oordeel van het hof tekort schieten.
NJ2018/84, m.nt. Reijntjes met betrekking tot schakelbewijs onder meer het volgende overwogen:
Het vijfde middel
vijfde middelbehelst de klacht dat ’s hofs enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, niet (zonder meer) begrijpelijk is in het licht van de door de rechtbank in haar vonnis gedane vaststelling, te weten dat in die fase het onderzoek weliswaar omvangrijk en complex was, maar ook al enige tijd (grotendeels) was afgerond.
Het zesde middel
zesde en laatste middelbehelst de klacht dat de kennelijke rechtsopvatting van het hof, dat de wijziging van de regeling omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling geen wijziging van de straf als bedoeld in de artikel 1 lid 2 Sr Pro en/of art. 7 EVRM Pro en/of art. 15 IVBPR Pro behelst en/of dat het hof hiermee bij de strafoplegging geen rekening behoefde te houden, onjuist althans onbegrijpelijk is.
advisory opinionover de hantering van art. 7 EVRM Pro lijkt mij daartoe gelet op hetgeen ik daaromtrent heb overwogen geen gerede aanleiding te bestaan.
Conclusie