Conclusie
Inleiding
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Onderzoek van de zaak
“binnen welker rechtsgebied het feit is begaan”.
Rechtbank Midden-Nederland onbevoegd
De vervolging neemt niet alleen een aanvang met het uitbrengen van de dagvaarding, maar onder meer ook als een bevel tot voorlopige hechtenis wordt gevorderd. De OvJ beslist op dat moment bij welke R-C (en dus bij welke rechtbank) de vervolging wordt ingesteld." Dat er vervolgens een gerechtelijke herindeling heeft plaatsgevonden doet aan het voorgaande niet af.”
Bevoegdheid
"een daad gericht op het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van een rechter”(Hoge Raad 13 maart 2012, LJN BU8744 en Hoge Raad 13 juli 2010, LJN BN1028).
‘een daad gericht op het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van een rechter'. Sterker nog die beslissing is ook daadwerkelijk tenuitvoergelegd. Ook de Tekst en Commentaar is die mening toegedaan:
‘De vervolging neemt niet alleen een aanvang met het uitbrengen van de dagvaarding, maar onder meer ook als een bevel voorlopige hechtenis wordt gevorderd. De officier van justitie beslist op dat moment bij welke rechter-commissaris en dus ook bij welke rechtbank vervolging is ingesteld.’Nu er daden van vervolging zijn aangevangen bij de rechtbank Amsterdam is deze, gelet op bovenstaande artikel, uitsluitend bevoegd.”
Bevoegdheid van de rechtbank
NJ1941/187 reeds “dat inderdaad voor de vraag, binnen het rechtsgebied van welke Rechtbank de verdachte zich in den zin van art. 2 Sv Pro bevindt, beslissend is het tijdstip, waarop de O.v.J. met zijn vervolging is begonnen”. [13] De vervolging kan uiteraard al in een eerder stadium van het strafproces zijn aangevangen dan het moment waarop de zaak ter zitting aanhangig wordt gemaakt, bijvoorbeeld door – kort gezegd – het uitbrengen van een vordering tot voorlopige hechtenis of een andere vordering waardoor een rechter(-commissaris) bij het strafvorderlijk onderzoek betrokken wordt. [14] Ook met deze vorderingen maakt het openbaar ministerie kenbaar bij welke rechtbank de vervolging wordt ingesteld. Overigens wordt door de doctrine erop gewezen dat het beoordelingsmoment te dezen welbewust niet
lateris gelegd dan het tijdstip van aanvang van het rechtsgeding, dit om onwenselijke situaties te voorkomen. Genoemd wordt daarbij het geval waarin ná het moment van dagvaarden een wijziging ontstaat in het aanknopingspunt voor de bepaling van de relatieve bevoegdheid van de rechtbank en zij dientengevolge (opeens) haar bevoegdheid in een concrete zaak zou verliezen. [15] Het voorgaande impliceert mijns inziens dat wanneer een rechtbank op het moment van aanvang van de vervolging
bevoegd isvan de zaak kennis te nemen, zij ook bevoegd blijft, ook al zou het aanknopingspunt naderhand op deze rechtbank niet meer van toepassing zijn. [16]
beide bevoegdzijn, nu de wettekst spreekt van de rechtbank die uitsluitend bevoegd
blijft. [23] Ik meen dat het hof dit uitgangspunt heeft miskend waardoor zijn redenering een mankement vertoont. Het hof heeft immers vastgesteld dat ten tijde van de bedoelde handelingen “geen aanknopingspunten bestonden voor een relatieve bevoegdheid van de rechtbank te Utrecht op grond van de artikelen 2 tot en met 6 Sv”. De rechtbank Utrecht nam derhalve in de rangschikking van het eerste en het tweede lid van art. 2 Sv Pro geen plaats in. Dit betekent naar mijn inzicht dat het hof bij het toepassing geven aan het bepaalde in art. 2, tweede lid, Sv had moeten uitgaan van de rechtbank Amsterdam (de rechtbank die toen wél bevoegd was) en de rechtbank Midden-Nederland, en het vervolgens, gelet op ’s hofs vastgestelde data waarop het openbaar ministerie de respectieve rechters van deze rechtbanken bij zijn vorderingen heeft betrokken – de onderscheiden startmomenten van de vervolging – voorrang had moeten geven aan de rechtbank Amsterdam als bevoegde rechtbank boven de rechtbank Midden-Nederland. Het oordeel van het hof dat de vervolging het eerst is ingesteld bij de toenmalige rechtbank Utrecht, die onbevoegd was, en dat daarom deze rechtbank volgens de regels van art. 2, tweede lid, Sv voorgaat aan de rechtbank Amsterdam, getuigt mitsdien in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting, althans is in zoverre onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd, nu men aan de regel van art. 2, tweede lid, Sv toekomt wanneer sprake is van een positief competentiegeschil, dat wil zeggen wanneer twee (of meer) rechtbanken gelijktijdig
bevoegdzijn.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Verzoeken tot het horen van getuigen
productie 1). [30] Deze getuigen zijn immers tijdig (in augustus 2015) opgegeven en de verdediging is van oordeel dat uw hof ten onrechte alle verzoeken van de verdediging heeft afgewezen. Ten onrechte is immers geoordeeld dat het eventuele strafbare gedrag van de getuigen niet afdoet aan strafbaarheid en de strafwaardigheid van de verdachte. Ten eerste wordt met deze stelling vooruitgelopen op hetgeen door de getuigen al dan niet zou kunnen worden verklaard hetgeen ontoelaatbaar is. Voorts is ten onrechte geoordeeld dat de verdediging niet in haar belangen is geschaad. Door het onterecht afwijzen van deze wensen, mede omdat het openbaar ministerie zich hiertegen heeft verzet, is er de afgelopen twee jaar geen onderzoek verricht en zijn deze twee jaar dus feitelijke verloren gegaan. Tijd die het geheugen van de verzochte getuigen geen goed zal hebben gedaan. Hierbij wordt wellicht ten overvloede nog opgemerkt dat de regiezitting ook reeds onnodig veel tijd was verstreken. In dit kader is voorts van belang dat inmiddels duidelijk is geworden dat de ING zich in de ten laste gelegde periode (2010 – 2016) zelf structureel schuldig heeft gemaakt overtreding van de Wwft alsmede aan witwassen. Bovendien blijkt uit de transactie die met de ING is overeengekomen dat het interne controle systeem niet op orde was. Sterker nog hier werd bewust op bezuinigd. Dit is ook van invloed geweest op onderhavige zaak, anders was immers nooit mogelijk geweest om tot twee keer toe dezelfde ontslagvergoeding uit te keren. Het horen van de getuigen is dan ook mede van belang om de mate van eigen schuld van de ING vast te stellen.”
Verzoeken tot het horen van getuigen
NJ2009/553 brengt een redelijke wetstoepassing mee dat art. 322, vierde lid, Sv ook de uit hoofde van art. 315 Sv Pro gegeven bevelen tot oproeping van getuigen omvat. Dit is anders, aldus de Hoge Raad, ten aanzien van de op de voet van de art. 328 en Pro 331 Sv in verbinding met art 315 Sv Pro gegeven afwijzende beslissingen op ter terechtzitting gedane verzoeken tot oproeping van getuigen. Op die afwijzende beslissingen is art. 322, vierde lid, Sv niet van toepassing. Wordt na een dergelijke beslissing het onderzoek opnieuw aangevangen, dan zal (voor het verkrijgen van een voor hoger beroep of cassatie vatbare beslissing) het desbetreffende verzoek opnieuw moeten worden gedaan. Zo een verzoek wordt beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. [31]
belastendestrekking. [32] Daar is in de onderhavige zaak geen sprake van. Daarom heeft bij de beoordeling van het middel het beoordelingskader van onder meer HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147,
NJ2022/136, m.nt. Jörg te gelden. Daaruit volgt dat van de verdediging mag worden verlangd dat ten aanzien van iedere door haar opgegeven getuige wordt toegelicht waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing, opdat de rechter in staat wordt gesteld de relevantie van het verzoek te beoordelen, mede in het licht van de onderzoeksbevindingen zoals deze zich op het moment van het verzoek in het dossier bevinden. [33] In de motivering van het verzoek moet aldus voldoende aannemelijk worden gemaakt dat het horen van de getuige iets zal kunnen opleveren dat voor de door de rechter te nemen beslissingen relevant kan zijn. [34]
NJ2017/440, m.nt. Kooijmans geformuleerde toetsingskader met betrekking tot de motivering van een getuigenverzoek naar mijn inzicht geen bovengrens betreft, maar randvoorwaarden behelst waaraan een verzoek tot het horen van getuigen ten minste moet voldoen. Hoe ver de daadwerkelijke motivering van een getuigenverzoek in een concrete zaak dient te reiken, is, als hierboven reeds opgemerkt, niet in zijn algemeenheid te zeggen en staat ter beoordeling van de feitenrechter die daarbij alle omstandigheden van het geval in ogenschouw kan nemen.
Het derde middel en de bespreking daarvan
Voeging intern onderzoek:
Verzoek tot voeging van stukken uit het interne onderzoek van de ING
Oordeel hof
Inhoudelijk:
op naam, in tweede aanleg de grootste ontvanger van de opbrengst van de fraude zou zijn, maakt dit niet anders. Sterker nog dit biedt ondersteuning voor het verhaal van cliënt dat zijn gegevens zijn gebruikt. Er dient immers wettig en overtuigend bewezen te worden dat cliënt de betreffende brieven heeft opgesteld, dan wel heeft vervalst. Nu dit op geen enkele wijze uit het dossier blijkt, verzoek ik u cliënt vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het niet aannemelijk en zelfs zeer onwaarschijnlijk is te noemen dat – gezien de grote kans op ontdekking – de grote instigator van een fraude alles op zijn eigen naam zou zetten.
Slotsom