Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Slotsom
5.Beslissing
17 april 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd de verdachte beschuldigd van mishandeling van een persoon in Emmer-Compascuum op 29 juni 2014. Het hof verklaarde de mishandeling bewezen op basis van verklaringen van het slachtoffer, een getuige en de verdachte zelf. Tijdens het hoger beroep verzocht de verdediging om het horen van twee aanvullende getuigen, mede in het licht van een nieuw gehoorde getuige die een afwijkende verklaring had afgelegd.
Het hof wees dit verzoek af met de motivering dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet was gebleken. De Hoge Raad oordeelde dat deze motivering onvoldoende was en niet begrijpelijk in het licht van de inhoud van de verklaring van de reeds gehoorde getuige en de argumenten van de verdediging. De Hoge Raad herhaalde de jurisprudentie omtrent de motiveringsplicht bij afwijzing van getuigenverzoeken en benadrukte dat de rechter dit zorgvuldig moet beoordelen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de afwijzing van het getuigenverzoek en de strafoplegging betreft, en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de afwijzing van het getuigenverzoek betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.