ECLI:NL:HR:2007:BA5825
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid van het OM in ontnemingsvordering tegen ontbonden rechtspersoon
In deze zaak stond centraal de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen een rechtspersoon die inmiddels was ontbonden. De betrokkene was volgens het Handelsregister op 30 juni 2003 ontbonden, maar het OM had ruim vóór die datum de strafvervolging en het strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld.
De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie dat het recht tot strafvordering vervalt zodra een rechtspersoon of daarmee gelijkgestelde entiteit is ontbonden en dit voor derden kenbaar is. Echter, indien de vervolging is aangevangen voordat de ontbinding kenbaar werd, blijft het recht tot strafvordering bestaan zolang de vereffening niet is afgerond.
Het hof had geoordeeld dat het OM ontvankelijk was omdat de vervolging ruim vóór de ontbinding was gestart en de vereniging nog niet was vereffend. De Hoge Raad vond dit oordeel juist en niet onbegrijpelijk, mede gelet op stukken waaruit bleek dat het strafrechtelijk financieel onderzoek al in 2000 was aangevraagd en toegestaan.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de betrokkene en bevestigde dat de vereniging strafrechtelijk aansprakelijk blijft zolang de vereffening niet heeft plaatsgevonden, ook al is zij civielrechtelijk opgehouden te bestaan wegens het ontbreken van baten. De uitspraak onderstreept dat de ontnemingsprocedure in samenhang met de hoofdvervolging moet worden beschouwd.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie blijft ontvankelijk in de ontnemingsvordering tegen de ontbonden rechtspersoon omdat de strafvervolging vóór ontbinding is aangevangen en vereffening nog niet heeft plaatsgevonden.