Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Samenvatting feiten en procesverloop
geenvan de vijftien in-house counsels die voor Shell in Nederland of in het buitenland werkzaam zijn (geweest) als geheimhouder als bedoeld in art. 218 Sv Pro kan worden aangemerkt en dat zij zich niet (zelfstandig) kunnen beroepen op een verschoningsrecht. De rechter-commissaris legt aan dit oordeel, kort gezegd, ten grondslag dat de in-house counsels, die in het land van herkomst als advocaat zijn geregistreerd en in Nederland werkzaam zijn als advocaat, als ‘bezoekende advocaten’ in de zin van art.16f van de Advocatenwet moeten worden aangemerkt. Omdat noch de in-house counsels, noch Shell het professionele statuut als bedoeld in art. 5.12 van Verordening op de advocatuur hebben ondertekend, is volgens de rechter-commissaris de onafhankelijkheid van de in-house counsels onvoldoende gewaarborgd. Daarbij heeft de rechter-commissaris meegewogen dat Shell ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onafhankelijkheid van de in-house counsels op een andere wijze is gewaarborgd en “dat de omstandigheid dat het hoofd van het Legal Department deel uitmaakt van het Executive Committee van Shell zelfs een aanwijzing voor het tegendeel [vormt]”.
geenvan de vijftien in-house counsels als geheimhouder kan worden aangemerkt en dat zij zich niet (zelfstandig) kunnen beroepen op een verschoningsrecht, klaagschriften ingediend op respectievelijk 21 oktober 2019 en 6 november 2019 .
3.De beschikking van de rechtbank van 28 januari 2021
Beoordeling klacht
(toevoeging rechtbank),kan uitoefenen indien hij zich verbonden heeft aan een door hem en zijn werkgever ondertekend professioneel statuut. De toelichting daarop vermeldt dat voor advocaten in dienst van een dergelijke werkgever het bezit van een professioneel statuut altijd vereist is. En: “Het professionele statuut beschermt de onafhankelijke beroepsuitoefening van de advocaat tegen ongewenste beïnvloeding door zijn werkgever met wie per definitie een hiërarchische verhouding bestaat.” Hieruit kan worden opgemaakt dat de onafhankelijkheid van de advocaat in dienstbetrekking dus ook volgens de NOvA geen vanzelfsprekendheid is. Ondanks de ook voor hem geldende beroepsregels en ongeacht de goede intenties van de inhouse counsel en zijn werkgever, acht de NOvA dit dus onvoldoende voor het in dienstverband mogen uitvoeren van het beroep van advocaat en het recht doen gelden op de aan dat beroep verbonden privileges.
aan
4.De middelen van het openbaar ministerie en de klagers
5.Centrale vraag in cassatie en verdere indeling van de conclusie
6.Ontvankelijkheid cassatieberoepen
eindbeschikkingberoep in cassatie kan worden ingesteld:
7.Relevante regelgeving
8.Het toetsingskader van art. 218 Sv Pro in vogelvlucht
9.De advocaat in dienstbetrekking in Nederland
ingeschreven [60] en is de ondertekening van het professioneel statuut daarnaast voorgeschreven in de gevallen dat de zelfstandige advocaat ook naast de uitoefening van zijn zelfstandige praktijk bij een onderneming in dienstbetrekking werkzaam is of volledig overstapt van een zelfstandige praktijk naar een dienstverband met een onderneming. Uit het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2013 kan worden opgemaakt dat het professioneel statuut als voldoende waarborg wordt gezien voor de onafhankelijkheid van de advocaat in dienstbetrekking in de Nederlandse context. Het ging in die zaak om een Nederlandse advocaat.
een buitenlandse advocaat,die in zijn land van herkomst als advocaat is ingeschreven en als zodanig een geheimhoudingsplicht heeft, consequenties kunnen worden verbonden met betrekking tot het aan die buitenlandse advocaat toekomende verschoningsrecht. Daarvoor is het nog van belang kort aandacht te besteden aan de voorschriften die gelden voor de verlening van rechtsbijstand door buitenlandse advocaten in Nederland.
Voorschriften die betrekking hebben op de verlening van rechtsbijstand in Nederland door buitenlandse advocaten.
11.De bespreking van de middelen van de in-house counsels
due diligencein voor de werkgever om de – reeds bestaande – verplichtingen van de advocaat onder andere met betrekking tot de geheimhouding en het verschoningsrecht te waarborgen.
beroepwordt aangemerkt waartoe een cliënt, in casu de werkgever, zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene voor advies moet kunnen wenden. En dat is in feite wat in het oordeel van de rechtbank besloten ligt.
12.De bespreking van de middelen van het openbaar ministerie
niet in Nederlandwerkzaam zijn geweest, of waarvan dit nog niet is kunnen worden vastgesteld.
eerste middelwordt, na een uitvoerige uiteenzetting van het verschoningsrecht van advocaten, waaronder ook de buitenlandse advocaten, die
in Nederlandde praktijk uitoefenen, uiteindelijk (slechts) over de volgende onderdelen van de beschikking van de rechtbank geklaagd:
de hoedanigheid van advocaatberoepswerkzaamheden te kunnen verrichten met de daarbij behorende privileges, waaronder het verschoningsrecht, dient volgens het openbaar ministerie één van deze twee wegen te worden bewandeld. Als een in het buitenland ingeschreven advocaat, zonder zich in Nederland te hebben ingeschreven desalniettemin juridische werkzaamheden in Nederland uitvoert, dan gelden voor hem noch de verplichtingen noch de rechten en privileges die toekomen aan een in Nederland ingeschreven advocaat.
die in het buitenland zijn beroep uitoefent, zich in Nederland nimmer op het verschoningsrecht van art. 218 Sv Pro zou kunnen beroepen, indien aan de daarbij gestelde voorwaarden wordt voldaan. De erkenning van het verschoningsrecht van deze advocaten is in overeenstemming met het uitgangspunt dat de geheimhoudingsplicht als algemeen rechtsbeginsel in de Nederlandse rechtspraak en de jurisprudentie van het EVRM en het HvJEU is erkend.