Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.De beschikking van de rechtbank
4.Juridisch kader
5.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
6.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Tot de beroepsbeoefenaren die op grond van artikel 218 Sv Pro een verschoningsrecht hebben, behoren de arts, de advocaat en de notaris. Ook de geestelijke stand komt dat verschoningsrecht toe (vgl. Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 90, 93, 94, Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 1, p. 48 en HR 14 december 1948, ECLI:NL:HR:1948:83, NJ 1949/95). Het verschoningsrecht geldt daarbij voor wetenschap die hun als zodanig is toevertrouwd.
Wanneer de verschoningsgerechtigde zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken en evenmin tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. (Vgl. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2783.)
Daaraan doet niet af dat de rechtbank heeft overwogen dat ouderlingen van Jehova’s Getuigen, die deel uitmaken van een rechterlijk comité, zich niet kunnen beroepen op het verschoningsrecht. De rechtbank heeft met betrekking tot de klagers niet vastgesteld dat zij als ouderling deel uitmaakten van het rechterlijk comité dat is gevormd naar aanleiding van verdenkingen van seksueel misbruik. Ook als de klagers lid waren van dit rechterlijk comité sluit deze enkele omstandigheid niet uit dat de in het klaagschrift bedoelde stukken en gegevens object kunnen zijn van het (afgeleid) verschoningsrecht van de klagers als zich een uitzonderlijk geval voordoet als hiervoor bedoeld onder 6.3.2.
7.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
8.Beslissing
19 januari 2021.