ECLI:NL:HR:2013:BY6101
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verschoningsrecht advocaat in dienstbetrekking bij voorlopig getuigenverhoor
In deze zaak staat centraal of een advocaat in dienstbetrekking het verschoningsrecht kan inroepen tijdens een voorlopig getuigenverhoor. Het geschil ontstond na gesprekken over de overname van aandelen in Delta Biovalue Nederland BV, waarbij [eiser 1] als gemachtigde optrad en [eiser 2] advocaat in dienst was van Delta NV.
Tijdens het voorlopig getuigenverhoor weigerde [eiser 1] een vraag te beantwoorden over wat [eiser 2] tijdens een bijeenkomst had gezegd, beroep doende op een afgeleid verschoningsrecht van de advocaat in dienst. De rechtbank verwierp dit beroep en oordeelde dat advocaten in loondienst niet dezelfde onafhankelijkheid bezitten als externe advocaten, waardoor het verschoningsrecht niet van toepassing is.
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en verwijst naar het HvJEU Akzo-arrest, waarin is bepaald dat advocaten in dienst vanwege hun gebrek aan onafhankelijkheid geen privilege van geheimhouding hebben in het mededingingsrecht. De Hoge Raad nuanceert dit echter door te stellen dat het Unierechtelijke mededingingsrecht niet zonder meer geldt voor het Nederlandse civiele recht en dat de Nederlandse praktijk waarborgen kent die het verschoningsrecht voor advocaten in dienst mogelijk maken.
Desalniettemin verklaart de Hoge Raad de cassatieberoepen van [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van instemming van alle partijen met het sprongcassatieberoep. De Hoge Raad veroordeelt hen in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen niet-ontvankelijk en bevestigt dat een advocaat in dienstbetrekking niet automatisch het verschoningsrecht geniet.