Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.De bestreden beschikking
3.Wettelijk kader
evan het Wetboek van Strafrecht, aan te tonen."
4.Beoordeling van het middel
5.Slotsom
6.Beslissing
16 oktober 2018.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om het beslag op administratie en gegevensdragers van meerdere vennootschappen, waarbij een advocatenkantoor zich op het verschoningsrecht beriep. De rechtbank had het klaagschrift van de klaagster ongegrond verklaard, omdat zij oordeelde dat er geen stukken waren waarop het verschoningsrecht van toepassing was en dat de procedure correct was gevolgd.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 98 Sv Pro de rechter-commissaris bevoegd is om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht bij beslag op brieven en andere geschriften, ook wanneer deze zijn opgeslagen op gegevensdragers zoals digitale bestanden. Dit geldt ongeacht of de stukken zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij diens cliënt bevinden.
De rechtbank had echter ten onrechte het klaagschrift behandeld terwijl de rechter-commissaris nog niet had beslist over het beroep op het verschoningsrecht. De Hoge Raad stelde dat de rechtbank de behandeling had moeten aanhouden en de zaak aan de rechter-commissaris had moeten voorleggen. De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en verwees de zaak terug voor nader onderzoek en beslissing door de rechter-commissaris.
De Hoge Raad benadrukte dat de rechter-commissaris de verschoningsgerechtigde in staat moet stellen zich uit te laten over het verschoningsrecht, zelf kennis mag nemen van de stukken voor zover nodig, en het onderzoek zo moet organiseren dat het verschoningsrecht niet wordt geschonden. Hiermee wordt het belang van het verschoningsrecht bij digitale gegevensbeslag onderstreept.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor beslissing door de rechter-commissaris over het verschoningsrecht.