Conclusie
hierna te noemen: de man,
hierna te noemen: de vrouw.
- bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van datum beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 300.- per maand per kind;
- ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 1.397,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.Inleiding
Alimentatie van nuwordt de ontwikkeling besproken dat ongeveer een derde van het aantal huwelijken strandt. Dit is zelfs één op de twee huwelijken en geregistreerd partnerschappen als er geen kinderen zijn geboren binnen die relatie. Daar komt nog bij dat het aandeel tweede huwelijken dat eindigt in een echtscheiding naar schatting ca. 50% bedraagt. De aan terrein winnende gedachte wordt gevormd dat scheiding bij het leven hoort en nu eenmaal verandering met zich brengt, met name op het financiële vlak, waaraan men zich moet aanpassen. Ook de vraag of voor ongehuwde samenwoners een partneralimentatieverplichting zou moeten gelden komt steeds meer aan bod. [7] Het ‘type huwelijk’ waarvan sprake was eind jaren 80-90 van de vorige eeuw heeft zich ontwikkeld. Uit een onderzoek van TNS NIPO blijkt dat vier op de tien gescheiden Nederlanders in 2012 vond dat partneralimentatie voorafgaand aan het sluiten van het huwelijk in de huwelijkse voorwaarden geregeld moet kunnen worden. [8] In zijn conclusie bij de hierna te bespreken uitspraak van de Hoge Raad uit 1996 sloot A-G Vranken niet uit dat de discussie over de rechtsgeldigheid van een voorhuwelijks nihilbeding bij huwelijkse voorwaarden in de toekomst opnieuw zal oplaaien, met name onder druk van de mogelijke erkenning van onderhoudsverplichtingen in andere samenlevingsrelaties dan het huwelijk. Daarbij zal naar zijn mening de vraag rijzen of art. 1:158 BW Pro ook in dergelijke relaties van toepassing is dan wel dat de contractsvrijheid het wint. In het laatste geval houdt art. 1:158 BW Pro wellicht een ongerechtvaardigde discriminatie in voor het huwelijk. [9]
‘Vóór of na de beschikking tot echtscheiding kunnen de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen, is artikel 157, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.’
‘Overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, zijn nietig.’
3.Partneralimentatie algemeen
Contractsvrijheid ten aanzien van partneralimentatie voor gehuwden en geregistreerde partners
4.Art. 1:158 en Pro 1:400 BW: wetsgeschiedenis
1934: één regeling voor bepaling, wijziging en intrekking van uitkeringen tot levensonderhoud
iedereovereenkomst betreffende levensonderhoud blijft gelden, totdat zij door partijen of door de rechter zal zijn gewijzigd. Niet verbindend moeten slechts zijn overeenkomsten, waarbij van onderhoud wordt afgezien.’ [48]
nietbij rechterlijke uitspraak wegens verandering van de omstandigheden zal kunnen worden gewijzigd. Hierdoor voorkomt men dat, nadat de echtscheiding is uitgesproken en onherroepelijk is geworden, een van de partijen zich tot de rechter wendt ten einde een vóór de procedure gesloten alimentatie-overeenkomst gewijzigd te krijgen – waarbij dus òf de tot alimentatie gerechtigde partij verhoging, òf de tot alimentatie verplichte partij vermindering vraagt. (…) De voorgestelde regeling strekt vooral tot grotere bescherming van de economisch zwakste, tot alimentatie gerechtigde partij, maar zij voorkomt tevens dat de tot alimentatie verplichte partij slachtoffer wordt van het vermeerderen van de eisen van de wederpartij.
Initiatiefnemers zijn van oordeel dat het eigenlijk vanzelf spreekt dat partijen bij huwelijkse voorwaarden ook nu al kunnen afwijken van het wettelijk geregelde minimum. Partijen kunnen beslissen dat na een scheiding geen verplichting ontstaat tot het betalen van partneralimentatie over en weer. Een uitspraak van de Hoge Raad [76] heeft een expliciete wettelijke regeling evenwel noodzakelijk gemaakt. Auteurs zoals Hidma [77] en Schonewille zijn van mening dat deze wettelijke regeling eigenlijk overbodig zou moeten zijn. Ook Reijnen [78] is deze mening toegedaan. Anderen, zoals De Boer [79] , menen dat een soortgelijke bepaling onder het huidige recht een ander huwelijkstype zou introduceren dan het type waarvoor de wetgever zou hebben gekozen. De huidige praktijk waarbij het huwelijk een daadwerkelijke en veelal weloverwogen keuze van beide echtelieden is in plaats van een door conventie en traditie ingegeven vanzelfsprekendheid, en waarbij het opstellen van huwelijkse voorwaarden betekent dat partijen weloverwogen en goed geadviseerd afspraken wensen te maken voor het huwelijk zelf, laat zien dat het logisch is dat ook voor de periode na het huwelijk de wens bestaat tot het vastleggen van die keuzes.Het spreekt voor zich dat de professionaliteit van de betrokken adviseurs en met name de notaris niet alleen van groot belang is voorafgaand aan het huwelijk maar ook eveneens bij echtscheiding. Niet valt in te zien waarom wel bij testament vergaande afspraken gemaakt kunnen worden over erfrechtelijke kwesties en niet bij huwelijkse voorwaarden afspraken gemaakt kunnen worden over de gevolgen van het einde van een huwelijk. Hierbij is door de initiatiefnemers ook overwogen dat in het huidige wettelijke stelsel al voor en tijdens het huwelijk afspraken gemaakt kunnen worden zoals een finaal verrekenbeding onder de opschortende voorwaarde van echtscheiding, het uitsluiten van de (werking van de) wet verevening pensioenrechten, het geheel uitsluiten van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap, het uitsluiten van de verrekening van inkomen en vermogen, het maken van procedurele afspraken over de wijze waarop een eventuele echtscheiding zal plaatsvinden en afspraken over bijvoorbeeld de voortzetting van de bewoning van de echtelijke woning. Het gaat de initiatiefnemers erom dat de in redelijkheid en billijkheid ingebedde partijautonomie tot uitdrukking komt in de wettelijke regeling rond echtscheiding. Met Schonewille zijn initiatiefnemers van mening dat de nadruk ligt bij de bijzondere verantwoordelijkheid die elk van de echtelieden heeft wanneer hij gebruik maakt van de wettelijk verankerde (contracts)vrijheid. [80] Deze bijzondere verantwoordelijkheid vloeit voort uit de nauwe persoonlijke band die het huwelijk in het leven roept. Deze bijzondere verantwoordelijkheid spiegelt zich in de bijzondere zorgplicht die een notaris heeft bij het adviseren van de (aanstaande) echtelieden omtrent hetgeen zij in de huwelijkse voorwaarden wensen op te nemen en de (mogelijke) consequenties daarvan. De keuze voor bepaalde afspraken ten aanzien van de wijze waarop zij wensen te scheiden, impliceert in zekere zin dat de aanstaande echtelieden een keuze maken voor een bepaald soort huwelijk (Schonewille spreekt in zijn proefschrift over «Ehetyp» dat uit het Duitse huwelijksvermogensrecht afkomstig is). Het spreekt voor zich dat partijen daarbij zullen onderkennen dat een keuze aan het begin van het huwelijk niet betekent dat er tijdens het huwelijk niet behoefte aan wijziging daarvan kan ontstaan. Voor een deel kan op bepaalde te verwachten keuzes worden geanticipeerd in de huwelijkse voorwaarden (zoals het krijgen van kinderen, het meer of minder werken etc.) en voor een deel zal dit moeten leiden tot aanpassing van de huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk. Een in het familierecht gespecialiseerde advocaat, notaris, scheidingsexpert en/of mediator kan daarbij een belangrijke rol vervullen. In veel gevallen zal het gaan om het krachtenveld tussen de zorg voor het inkomen en de zorg voor de uit het huwelijk geboren kinderen. Veel frustraties die rond de echtscheiding ontstaan, vloeien voort uit het niet in ogenschouw nemen van dit krachtenveld en het niet anticiperen op de mogelijke ontwikkelingen tijdens het huwelijk. In klassieke huwelijken groeit soms stilzwijgend de praktijk dat de vrouw zich meer richt op de zorg voor kinderen en het huishouden terwijl de man zich richt op de zorg voor inkomen. Als hieraan geen bewuste keuze en afwegingen ten grondslag liggen of die niet zijn onderkend bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden, kan dat bij een scheiding tot grote frustraties leiden. Met name omdat het inmiddels een voldongen feit is dat de ene partner door de gemaakte keuzes niet of niet eenvoudig meer in het eigen inkomen kan voorzien en ook niet meer snel toegang heeft tot de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld omdat opleiding achterwege is gebleven. De andere partner heeft voornamelijk de zorg voor het inkomen op zich genomen en vindt veelal dat er te weinig betrokkenheid is geweest of heeft kunnen zijn bij het opgroeien en opvoeden van de kinderen. Nu initiatiefnemers voorstellen om het verlies van verdiencapaciteit als uitgangspunt voor het ontstaan van het recht op partneralimentatie te hanteren, is het voor beide echtelieden van groot belang om deze keuzes bewust te maken en zo nodig tijdig de huwelijkse voorwaarden aan een eventuele nieuwe en niet voorziene invulling van het huwelijk aan te passen.’ [81]
5.Rechtspraak
Hoge Raad
De rechtbank oordeelde dat het door partijen voor de voltrekking van hun huwelijk bij huwelijksvoorwaarden overeengekomen nihilbeding nietig is op grond van het bepaalde in art. 400 lid 2 Boek Pro 1 BW en dat art. 158 Boek Pro 1 BW hierop niet van toepassing is, omdat ‘het nihil-beding van art. 158 Boek Pro 1 BW’ ‘immers slechts door de echtgenoten tijdens het huwelijk en volgens de kennelijke bedoeling van de wetgever met het oog op een aanstaande echtscheiding kan worden gemaakt.’ Van deze uitspraak heeft de man (sprong)cassatieberoep ingesteld.
A-G Franx concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep en verdedigt de opvatting dat art. 1:158 BW Pro alleen ziet op overeenkomsten gesloten tussen echtgenoten die willen gaan scheiden. Hij wees onder andere op de samenhang met art. 1:159 BW Pro. Het in die bepaling geregelde niet-wijzigingsbeding beoogt volgens de A-G de blijvende werking van het nihil-beding te verzekeren en is volgens hem ‘in die zin het sluitstuk op de wettelijke regeling, die […] ertoe strekt het oude recht in gewijzigde vorm te bestendigen.’ Tevens betoogt hij dat art. 1:158 BW Pro ook ten opzichte van art. 1:400 lid 2 BW Pro weliswaar getuigt van de wens van de wetgever, de echtgenoten een zekere vrijheid te laten, maar dat
Naar het oordeel van de rechtbank Amsterdam leent art. 1:400 lid 2 BW Pro zich echter niet voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, nu deze bepaling als wetsbepaling van openbare orde kan worden beschouwd. [122]
6.Literatuur
Nihilbeding is nietig
echtgenoten,zodat de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten biedt voor het antwoord op de vraag of deze term
aanstaandeechtgenoten uitsluit. Hij wijst erop dat de wet in het algemeen niet consequent is met het maken van dit onderscheid. [157]
principevan de nahuwelijkse zorgplicht geen sprake is als echtgenoten deze voorafgaand aan het huwelijk kunnen uitsluiten, omdat de nahuwelijkse zorgplicht dan overeind blijft als uitgangspunt van regelend recht [158] en meent tevens dat ‘het in deze tijd onmogelijk en ook bepaald onwenselijk is om elk echtpaar dat in het huwelijk treedt in dezelfde juridische mal te duwen van het huwelijksmodel dat de wetgever voor ons allen heeft bedacht.’ [159] De – volgens hem achterhaalde – visie van de Hoge Raad remt nieuwe ontwikkelingen af, te weten allerlei genuanceerde en op de specifieke situatie toegespitste maatwerkregelingen. [160] Schonewille wijst op het belang van
divorce estate planningin brede zin, waaronder hij verstaat ‘het zoveel mogelijk reeds bij voorbaat in goede banen leiden van alle vermogensrechtelijke en andere juridisch relevante gevolgen van een eventuele echtscheiding’. Hij vat contractsvrijheid in het huwelijksvermogensrecht en echtscheidingsrecht in ruime zin op, als ‘de vrijheid te komen tot
selbstbestimmungvan ieder van de echtgenoten door samenwerking met de andere echtgenoot’. Binnen dit beginsel partijautonomie bestaat een spanningsveld tussen contractsvrijheid en solidariteit, waarbinnen van geval tot geval zal moeten worden vastgesteld waar het evenwicht tussen beide polen wordt bereikt. Hij stelt daarom voor dat echtgenoten voorafgaand aan hun huwelijk afspraken maken over de door hen gewenste huwelijksverhouding, oftewel
Ehetyp,waarbij onderwerpen aan de orde kunnen komen als een kinderwens, zorg voor de kinderen en de kostwinning. [161]
ex tunc,waarbij een bepaling in de huwelijkse voorwaarden ex art. 1:121 lid 1 BW Pro nietig zou kunnen zijn wegens strijd met de goede zeden als zij van aanvang af al niet aansloot bij de huwelijksverhouding zoals geformuleerd in de huwelijkse voorwaarden of waarvan moet worden aangenomen dat deze de (voormalig) echtgenoten toentertijd voor ogen heeft gestaan. Vervolgens vindt een toetsing
ex nuncplaats, waarbij de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro) centraal staat. [162]
kanvolgens dit artikel voortvloeien uit een rechterlijke uitspraak of uit een tussen (ex-)echtgenoten gesloten overeenkomst. [164] Uit de uitspraak van de Hoge Raad uit 1974 kan volgens Zonnenberg niet worden afgeleid dat art. 1:400 lid 2 BW Pro wel ziet op levensonderhoud na echtscheiding, omdat die uitspraak ziet op de verstrekking van levensonderhoud tijdens het echtscheidingsgeding. [165]
7.Middel van cassatie
tijdens het echtscheidingsgedingte betalen’ (‘een dergelijke overeenkomst’) ingevolge art. 1:400 lid 2 BW Pro nietig is. Uit de zinnen daarna blijkt dat de Hoge Raad van oordeel is dat art. 1:158 BW Pro een ‘uitzondering’ vormt op art. 1:400 lid 2 BW Pro, voor overeenkomsten met betrekking tot levensonderhoud na echtscheiding, aangegaan voor of na het echtscheidingsvonnis en dat de overeenkomst met betrekking tot levensonderhoud tijdens het echtscheidingsgeding niet zo’n overeenkomst is. De Hoge Raad heeft hiermee niet expliciet geoordeeld dat een voorhuwelijkse overeenkomst waarin wordt afgezien van partneralimentatie na scheiding nietig is. De uitspraken uit 1980 en 1996 zagen wel op dergelijke overeenkomsten. In de uitspraak uit 1980 legt de Hoge Raad het middel zo uit dat dit alleen betrekking heeft op de vraag of de uitzondering in art. 1:158 BW Pro op art. 1:400 lid 2 BW Pro zich ook uitstrekt tot nihilbedingen in voorhuwelijkse huwelijkse voorwaarden. De uitspraak ziet daarmee in ieder geval op het toepassingsbereik van art. 1:158 BW Pro, maar of zij ook ziet op het toepassingsbereik van art. 1:400 lid 2 BW Pro is niet zonder meer duidelijk. Dit lijkt overigens wel voor de hand te liggen, maar een andere lezing die er van uitgaat dat art. 1:400 lid 1 BW Pro niet op partneralimentatie ziet zoals door mij voorgestaan is zeker mogelijk. In de uitspraak uit 1996 verwijst de Hoge Raad naar de uitspraak uit 1980.