Uitspraak
Het geding in feitelijke instanties
12 januari 1996.
Hoge Raad
Partijen zijn in 1983 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden waarbij zij zijn overeengekomen elkaar na echtscheiding geen aanspraak op levensonderhoud te zullen maken. Na hun echtscheiding vordert de vrouw alimentatie. Zowel rechtbank als hof verwerpen het beroep van de man dat de huwelijkse voorwaarden hem vrijstellen van deze verplichting.
De Hoge Raad bevestigt dat de uitzonderingsbepaling van art. 1:158 BW Pro niet van toepassing is op overeenkomsten inzake levensonderhoud die vóór het huwelijk zijn gesloten. De Hoge Raad verwijst naar een eerdere uitspraak uit 1980 die deze uitleg ondersteunt en oordeelt dat dit niet in strijd is met art. 8 EVRM Pro.
Een procedurele klacht over een vergissing in datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding wordt verworpen omdat dit de uitkomst niet beïnvloedt. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de alimentatieplicht blijft bestaan ondanks de clausule in de huwelijkse voorwaarden.