Conclusie
Hoist) en verweerster in cassatie (hierna:
Vodafone) hebben op 27 december 2013 een overeenkomst gesloten strekkende tot verkoop en overdracht door Vodafone van vorderingen op haar klanten aan Hoist, waaronder vorderingen uit telefoonabonnementen inclusief ‘gratis’ mobiele telefoon. Eerder, op 13 juni 2013, had de kantonrechter te Delft een prejudiciële vraag gesteld aan uw Raad over de kwalificatie van dergelijke abonnementen. Deze vraag is bij prejudiciële beslissing van 13 juni 2014 (
Mobieltjes I) beantwoord. Kort daarna zijn opnieuw prejudiciële vragen over dit onderwerp gesteld, welke vragen uw Raad bij prejudiciële beslissing van 12 februari 2016 (
Mobieltjes II) heeft beantwoord. Deze uitspraken hebben ertoe geleid dat rechters in incassoprocedures een uitgebreider onderbouwing zijn gaan vragen waar het gaat om vorderingen die voortvloeien uit telefoonabonnementen inclusief toestel.
Mobieltjes Ien
Mobieltjes IIniet alleen volgt dat abonnementen inclusief toestel
vernietigbaarkunnen zijn wegens strijd met de regels van het consumentenkrediet, maar dat uit deze uitspraken tevens volgt dat de abonnementen inclusief toestel (gedeeltelijk)
niet van kracht gewordenkunnen zijn op grond van art. 7A:1576 lid 2 BW (oud). Ook worden diverse rechts- en motiveringsklachten gericht tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door Vodafone. Tot slot wordt met meerdere klachten opgekomen tegen de afwijzing van het subsidiaire beroep op dwaling, waarbij onder meer wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat een mededelingsplicht vóór een onderzoeksplicht gaat.
1.Feiten en procesverloop
de overeenkomst).
2. Duur en beëindiging van de Overeenkomst
4. Voorwaarden voor cessie van Vorderingen op naam
5. Verplichtingen en garanties van Hoist
6. Verplichtingen Vodafone
primairgevorderd:
primairevorderingen ten grondslag gelegd dat Vodafone jegens Hoist is tekortgeschoten in de nakoming van (i) haar contractuele leveringsverplichting ex art. 1 van Pro de overeenkomst en (ii) haar contractuele garantieverplichting ex art. 6.1 van de overeenkomst. Volgens Hoist volgt uit de arresten
Mobieltjes Ien
Mobieltjes IIdat de overeenkomsten die zijn gesloten tussen Vodafone en consumenten ofwel niet tot stand zijn gekomen ofwel niet meer bestaan omdat zij van rechtswege nietig zijn. Vodafone heeft aldus niet bestaande vorderingen overgedragen. [17] Verder is Vodafone tekortgeschoten in de nakoming van (iii) haar uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende loyaliteitsverplichting c.q. mededelingsplicht aangaande de door de rechtbank Den Haag geëntameerde prejudiciële procedure en het aan de overgedragen vorderingen klevende generieke gebrek (art. 6:248 lid 1 BW Pro). [18]
subsidiairevorderingen heeft Hoist ten grondslag gelegd dat Vodafone, door Hoist voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst niet te informeren over de aanhangig zijnde prejudiciële procedure, een op haar rustende mededelingsplicht in de zin van art. 6:228 lid 1 sub b BW Pro heeft geschonden. [19]
primairevorderingen van Hoist heeft Vodafone zich (o.a.) op het standpunt gesteld dat uit de prejudiciële beslissingen van de Hoge Raad slechts volgt dat de abonnementen die Vodafone met consumenten heeft gesloten, als niet is voldaan aan de vereisten van koop op afbetaling of consumentenkrediet, gedeeltelijk (namelijk alleen voor wat betreft het ‘toestelgedeelte’)
aantastbaarzijn. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of het abonnement daadwerkelijk kan worden aangetast. [20] Van nietigheid van rechtswege is volgens Vodafone geen sprake. [21]
subsidiairevorderingen van Hoist heeft Vodafone (o.a.) gesteld dat een eventuele dwaling door Hoist een rechtsdwaling betreft, althans dat geen mededelingsplicht bestond voor Vodafone, omdat zij ervan uit mocht gaan dat Hoist voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was van de prejudiciële vragen. [22]
grieven 1 en 2zijn gericht tegen de verwerping door de rechtbank van de door Hoist gestelde tekortkoming van Vodafone in de nakoming van haar contractuele leverings- en garantieverplichting (rov. 4.1-4.3). Met
grief 4wordt opgekomen tegen de verwerping van het subsidiaire beroep van Hoist op dwaling (rov. 4.7-4.14).
“door de rechtbank gepasseerde argumenten”.
“alle rechten (waaronder het economisch en juridisch eigendom) die daarmee gepaard gaan”aan Hoist heeft overgedragen. Art. 7:10 BW Pro bepaalt dat het gekochte voor risico is van de koper vanaf het moment van levering. Van deze bepaling zijn partijen niet afgeweken. Hoist was verplicht de door Vodafone aangedragen vorderingen te aanvaarden, tenzij het vorderingen betrof die een in art. 4.1 genoemde eigenschap hadden, in welk geval Hoist drie maanden de gelegenheid had Vodafone daarop aan te spreken (art. 4.2). Tussen partijen staat vast dat geen van de in art. 4.1 genoemde gevallen zich heeft voorgedaan, althans dat Hoist art. 4.2 niet heeft ingeroepen (rov. 3.6).
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
geldig tot stand zijn gekomen, maar met betrekking tot het ‘toesteldeel’ door klanten
vernietigdkunnen worden.
eersteplaats aan dat het hof miskent dat op grond van art. 7A:1576 lid 2 BW (geldend tot 1 januari 2017) een door Vodafone met een consument gesloten overeenkomst
“niet van kracht”geworden is, indien deze overeenkomst de koopprijs van de telefoon niet bepaalt, [32] wat betekent dat aan deze overeenkomst
“geen rechtsgevolgen”verbonden kunnen worden, evenals het geval is bij een overeenkomst die
“nietig of vernietigd”is. [33] Hieraan doet niet af dat deze overeenkomsten op grond van art. 3:41 BW Pro in stand zouden kunnen blijven voor zover deze betrekking hebben op het ‘telecommunicatiedienstendeel’. [34] Dat laat namelijk onverlet dat het ‘toesteldeel’ niet van kracht geworden is, indien de koopprijs van de telefoon niet bepaald is. Is het toesteldeel niet van kracht geworden, dan zijn daaruit geen vorderingen tot afbetaling van de koopprijs ontstaan, zodat deze afbetalingsvorderingen niet bestaan en Vodafone tekortgeschoten is in de nakoming van de op haar rustende verbintenis om (ook) deze vorderingen aan Hoist te leveren, aldus het subonderdeel.
voortsaan dat het hof miskent dat de omstandigheid dat consumenten het ‘toesteldeel’ op grond van art. 7:61 lid 2 sub e BW Pro kunnen vernietigen, [35] onverlet laat dat vanwege de samenloop met art. 7A:1576 lid 2 BW dit ‘toesteldeel’ reeds niet van kracht geworden is. Dat consumenten het toesteldeel kunnen vernietigen (rov. 3.3-3.4), maar niet is gebleken dat de consumenten van hun vernietigingsrecht gebruik hebben gemaakt (rov. 3.5), brengt derhalve niet mee dat het ‘toesteldeel’ van de door Vodafone met klanten gesloten overeenkomsten ‘dus’ geldig zou zijn.
“ofwel niet bestaan (nietigheid of krachteloosheid) ofwel omdat zij door vernietiging kunnen worden getroffen (vernietigbaarheid)”, [36] aldus subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.2is onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel van het hof (in rov. 3.5) dat door Hoist niet is gesteld dat
consumentenreeds voorafgaand aan de cessie gebruik hebben gemaakt van hun vernietigingsrecht, en dat daarom de door het hof te beantwoorden vraag zou zijn of de omstandigheid dat de telefoonabonnementen
door consumentengedeeltelijk vernietigd kunnen worden, meebrengt dat (kort gezegd) sprake is van wanprestatie (art. 6:74 BW Pro) of dwaling (art. 6:228 BW Pro).
ten eersteaangevoerd dat het hof miskent dat art. 7:61 BW Pro van Europese origine is en daarom ambtshalve toegepast moet worden. De door Vodafone met consumenten gesloten overeenkomsten kunnen derhalve niet alleen
door consumenten(rov. 3.5 [37] ) vernietigd worden, maar ook
ambtshalvedoor rechters, zelfs in verstekzaken. [38] Dat door Hoist niet gesteld is dat consumenten de overeenkomsten reeds vernietigd hebben, brengt derhalve niet mee dat de door Vodafone met consumenten gesloten overeenkomsten ‘dus’ geldig zijn. De door het hof te beantwoorden vraag had moeten zijn of de omstandigheid dat de door Vodafone met klanten gesloten overeenkomsten gedeeltelijk
(i) niet van kracht (kunnen) zijnof
(ii) ambtshalve vernietigd (kunnen) worden, meebrengt dat Vodafone tekortgeschoten is in de nakoming van de door haar met Hoist gesloten overeenkomst, aldus het subonderdeel.
de daaruit voortvloeiende vorderingenaan Hoist kon leveren en (ii) de oordelen van het hof waarin alleen de vernietiging is vermeld, maar niet het ‘
niet van kracht worden’ (zoals bijvoorbeeld rov. 3.7).
Lindorff/ […] [39] en
Lindorff/ […] [40] (hierna ook:
Mobieltjes Irespectievelijk
Mobieltjes II). Beide beslissingen zien op de destijds door telecomproviders veelvuldig aangeboden telefoonabonnementen in combinatie met een (‘gratis’) mobiele telefoon voor één totaalprijs (‘all-in prijs’).
In geval van koop op afbetaling dient de kredietovereenkomst de gehele en door partijen afgesproken koopprijs te vermelden.”
krediettransactie: iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat:
goederenkrediet:een krediettransactie als bedoeld onder a, 2° of 3°;
bij goederenkrediet: de contantprijs van elk van de zaken of diensten (…)”
kredietovereenkomst: een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten respectievelijk goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt;”
duidelijke en beknopte wijze’ bepaalde informatie moet worden vermeld, waaronder:
e. in geval van een krediet in de vorm van uitstel van betaling voor een goed (…), het goed (…) ter financiering waarvan het krediet strekt en de contante prijs daarvan.”
bevoegdde overeenkomst te vernietigen op basis van artikel 3:40 lid 2 BW Pro, wanneer de informatieverplichting niet is nagekomen. Maar hij hoeft niet tot vernietiging over te gaan. De consument kan in geval van niet-nakoming van een informatieverplichting dus kiezen tussen 1) vernietiging van de overeenkomst, 2) schadevergoeding – met instandhouding van de overeenkomst – wegens een tekortkoming in de zin van artikel 6:74 BW Pro, of 3) gehele of gedeeltelijke ontbinding wegens een tekortkoming in de zin van artikel 6:265 BW Pro, eventueel met schadevergoeding.” [59]
kwalificatievan dergelijke overeenkomsten. De vraag luidde:
Mobieltjes I) [61] heeft uw Raad vooropgesteld dat deze vraag in het bijzonder betrekking heeft op overeenkomsten:
telefoonabonnement inclusief toestel’ (rov. 3.2).
Mobieltjes Iheeft uw Raad met betrekking tot de rechtsgevolgen van die kwalificaties voorts nog als volgt overwogen:
gevolgenvan de kwalificaties van het telefoonabonnement inclusief toestel zoals die volgen uit
Mobieltjes I. Het betrof wederom een incassoprocedure tegen een niet-betalende consument (uit hoofde van een in juni 2014 – dus na 25 mei 2011 – gesloten telefoonabonnement inclusief toestel).
d). Voorts heeft de kantonrechter vragen gesteld over ambtshalve toetsing door de rechter (vragen
at/m
c) en over de afwikkeling van abonnementen die (deels) moeten worden gekwalificeerd als koop of afbetaling en/of kredietovereenkomst (vraag
f).
at/m
d) het gehele telefoonabonnement inclusief toestel betreft of dat sprake is van partiële nietigheid, in die zin dat enkel het toesteldeel nietig/vernietigbaar is. De kantonrechter heeft deze vraag niet voorgelegd, omdat de Hoge Raad deze vraag zou hebben beantwoord in
Mobieltjes I, rov. 3.6. [64]
Mobieltjes II) [65] heeft uw Raad de vragen beantwoord en daartoe, samengevat en voor zover thans van belang, als volgt overwogen.
Beantwoording vraag d: voldoet vermelding van een all-in prijs aan de wet?
Mobieltjes I) niet voldaan aan art. 7A:1576 lid 2 BW (rov. 3.5).
dluidt derhalve aldus, dat art. 7A:1576 lid 2 BW en art. 7:61 lid 2 BW Pro vereisen dat in de overeenkomst de door de consument te betalen koopprijs voor de mobiele telefoon afzonderlijk wordt bepaald, en dat aan die eis niet is voldaan wanneer enkel een all-in prijs is bepaald (rov. 3.6).
Beantwoording vragen a-c: ambtshalve beoordeling door de rechter?
Kredietovereenkomst
Koop op afbetaling
Beantwoording vraag f: afwikkeling van de nietige of vernietigde overeenkomst
Mobieltjes IIwaren aangehouden, o.m. aanbevolen om – in plaats van ambtshalve toetsing aan de regels betreffende het consumentenkrediet, waarbij ook nog moet worden bezien of de overeenkomst voor of na 25 mei 2011 is gesloten – de overeenkomst aan te merken als een koop op afbetaling:
Mobieltjes IIis uitgebreid besproken in de literatuur. Ik beperk mij in deze conclusie tot een aantal kwesties die relevant zijn voor de onderhavige cassatieprocedure.
NJ-annotator Hijma suggereert de tekst van art. 7A:1576 lid 2 BW (oud) – de overeenkomst ‘
is niet van kracht voordat ...’ – een ongeldigheid in de zin van niet-totstandkoming. De Hoge Raad zou zich daarbij aansluiten (rov. 3.11.1, ‘evenals (…)’), maar Hijma acht het goed verdedigbaar om de bepaling op te vatten als een nietighedenregel, die dan, in het licht van het algemene art. 3:40 lid 2 BW Pro, per saldo in vernietigbaarheid uitmondt. Aldus zou een (nog) sterkere aansluiting bij art. 7:61 BW Pro worden verkregen, aldus Hijma. [70]
kan’) heeft in geval van schending van art. 7:61 lid 2 BW Pro) niet eenvoudig inpasbaar maken, welke hobbel zou verdwijnen bij interpretatie als een vernietigingsgrond. [71]
tevenssprake is van een kredietovereenkomst in de zin van art. 7:57 lid 1 onder Pro c BW. Titel 7.2A BW – en de bijbehorende plichten en sancties – zijn immers pas van toepassing als een koop met uitstel van betaling tot stand is gekomen (en dus aan art. 7A:1576 lid 2 BW (oud) is voldaan). Een en ander zou aan onverkorte toepassing van
Mobieltjes IIin de weg staan. Een optie zou kunnen zijn om te oordelen dat schending van art. 7A:1576 lid 2 BW (oud) ertoe leidt dat de koper het recht op vernietiging heeft op grond van art 3:40 lid 2 BW Pro, aldus de auteurs. [72]
Mobieltjes Ien
Mobieltjes IIvolgt dat de ‘telefoonabonnementen inclusief toestel’ zoals die zijn overeengekomen tussen Vodafone en de consumenten geheel dan wel gedeeltelijk (i) niet tot stand gekomen zijn of (ii) aan vernietiging bloot staan, zodat Vodafone
niet-bestaandevorderingen respectievelijk
gebrekkigevorderingen heeft geleverd en aldus niet aan haar (leverings)verplichtingen uit de overeenkomst tussen Vodafone en Hoist heeft voldaan. [74]
vernietigbaar, en wel (ii) door
consumenten.
Mobieltjes Ien
II– indien in een ‘telefoonabonnement inclusief toestel’ de koopprijs van het toestel niet bepaald is, (i) het toesteldeel niet alleen vernietigbaar, maar ook
niet van kracht gewordenkan zijn, en (ii) vernietiging van het toesteldeel niet alleen op initiatief van de consument, maar ook
ambtshalvedoor de rechter kan plaatsvinden. [75]
Mobieltjes Idat deze overeenkomsten ter zake van de verkrijging van het toestel in beginsel kunnen worden gekwalificeerd als:
tevensals:
II-ahiervoor), heeft blijkens
Mobieltjes IIhet niet afzonderlijk vermelden van de door de consument te betalen kooprijs voor de mobiele telefoon ingevolge art. 7:61 lid Pro 2, onder e, BW tot rechtsgevolg dat de kredietovereenkomst bloot staat aan vernietiging (rov. 3.7.3), zij het niet – zoals het hof suggereert – alleen op initiatief van de consument (art. 3:40 lid 2 BW Pro) (rov. 3.7.2) maar ook door de rechter
ambtshalve(rov. 3.9).
II-bhiervoor) en de overtreding van art. 30 lid Pro 3, aanhef en onder d, Wck (oud) heeft uw Raad geen uitspraak gedaan. Als gezegd (hiervoor onder 2.19) zijn de meningen over een passende sanctie verdeeld.
I), heeft een all-in prijs tot gevolg dat de overeenkomst van koop op afbetaling
niet van kracht is, hetgeen naar het oordeel van uw Raad betekent dat aan de overeenkomst
geen rechtsgevolgenkunnen worden verbonden, evenals het geval is bij een overeenkomst die nietig of vernietigd is (
Mobieltjes II, rov. 3.11.1). Elders spreekt uw Raad in dit verband van het
niet tot stand gekomen zijnvan het toestelgedeelte van de overeenkomst tussen de aanbieder en de consument (rov. 3.15.1 en 3.15.3).
ambtshalvete oordelen dat de koop op afbetaling geen rechtsgevolg heeft (
Mobieltjes II, rov. 3.11.1, slot). [78]
koop op afbetalingof kredietovereenkomst moet worden aangemerkt) van de onderliggende telefoonabonnementen in geval van een all-in prijs slechts
vernietigbaarkan zijn op initiatief van de
consument, is dit dus op het eerste gezicht inderdaad onvolledig.
Mobieltjes IIgeschetste sancties op schending van art. 7A:1576 lid 2 BW (oud) en art. 7:61 lid Pro 2, aanhef en onder e, BW – het ontbreken van rechtsgevolg respectievelijk vernietigbaarheid – zich naar hun aard niet laten verenigen. Dit is problematisch indien, zoals in
Mobieltjes Itot uitgangspunt wordt genomen (rov. 3.5.2) en in
Mobieltjes IIwordt herhaald (rov. 3.11.2), op het toesteldeel van het ‘telefoonabonnement inclusief toestel’
zowelde regeling van koop op afbetaling
alsdie van het consumentenkrediet van toepassing is. [79]
nietaan de orde blijkt te zijn: de niet-toepasselijkheid van Titel 7.2A BW op ‘zacht krediet’ doet niet af aan de toepasselijkheid van de regeling van koop op afbetaling. Aan te nemen valt dat dit in de visie van uw Raad ook geldt voor de aan schending van art. 7A:1576 lid 2 BW (oud) in
Mobieltjes II(rov. 3.11.1) verbonden sanctie: het ontbreken van rechtsgevolg. [80]
Mobieltjes II, nu deze beslissing betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen een telecomaanbieder en haar klanten – waarin het uiteindelijk gaat om de vraag of de consument terecht voor het toesteldeel heeft betaald – geen conclusies omtrent het standpunt van uw Raad op het hier bedoelde punt te ontlenen vallen.
Mobieltjes Iherziene rapport Ambtshalve toetsing II (2014): in de meeste gevallen zal beslissend zijn dat de overeenkomst rechtsgevolg ontbeert op grond van art. 7A:1576 lid 2 BW (oud) en zal de rechter niet toekomen aan de vraag of de overeenkomst bezien als kredietovereenkomst in de zin van de Wck (oud) of Titel 7.2A BW geldig is (zie hiervoor onder 2.31). [82] Dat zou impliceren dat uw Raad de – ook al vóór
Mobieltjes IIaangevoerde – argumenten verwerpt voor de opvatting dat schending van art. 7A:1576 lid 2 BW (oud) tot vernietigbaarheid leidt of zou moeten leiden. [83]
Mobieltjes II, rov. 3.11.1, moet worden aangenomen dat schending van art. 7A:1576 lid 2 BW (oud) meebrengt dat het toesteldeel van een telefoonabonnement inclusief toestel
geen rechtsgevolgheeft. Dat geldt niet alleen voor ‘zacht krediet’ (rov. 3.10), maar ook voor krediet waarop Titel 7:2A BW wél mede van toepassing is. Ter relativering kan worden opgemerkt dat de hier bedoelde problematiek niet meer geldt voor overeenkomsten van koop op afbetaling gesloten na 1 januari 2017 (zie hiervoor onder 2.14).
all-in’-prijs er niet aan in de weg staat om uit te gaan van het ontstaan van twee afzonderlijke vorderingen, één uit het toesteldeel en één uit het telecommunicatiedeel van de overeenkomst. Het is immers juist de
toerekeningvan delen van de overeengekomen maandbedragen aan
zowelde vergoeding van telecommunicatiediensten
alsde afbetaling van de koopprijs van het toestel, die ertoe geleid heeft dat het telefoonabonnement inclusief toestel ter zake van de mobiele telefoon is aan te merken als een koop op afbetaling (
Mobieltjes I, rov. 3.5.2).
Mobieltjes II(rov. 3.11.1) maar in lijn met daartoe strekkende betogen in de literatuur (zie o.m. hiervoor onder 2.38-2.39), (alsnog) tot uitgangspunt moet worden genomen dat ook de schending van art. 7A:1576 lid 2 BW (oud) slechts tot
vernietigbaarheidleidt. Onderdeel I faalt dan.
onderdeel 1slagen.
vernietigbaarzijn (rov. 3.5 en 3.7 [84] ). Zoals hiervoor werd opgemerkt, zal na verwijzing de gestelde tekortkoming opnieuw moeten worden beoordeeld, dan met als uitgangspunt dat de overeenkomsten tussen Vodafone en de consumenten voor het toesteldeel rechtens
zonder rechtsgevolgkunnen zijn.
“ingrijpende juridische en feitelijke consequenties”kon hebben, [87] meebrengt dat Vodafone Hoist voor de totstandkoming van de overeenkomst had moeten inlichten in de zin van art. 6:228 lid Pro 1, onder b, BW, dit teneinde te voorkomen dat Hoist zich omtrent het betreffende punt een onjuiste voorstelling zou maken. [88] Althans is zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat Vodafone Hoist niet zou hebben hoeven inlichten.
“voor iedereen kenbaar”waren en dat partijen die actief waren op het gebied van vorderingen in de telecommarkt
“daarvan kennis [konden] nemen”(rov. 3.13, 4e en 5e volzin).
kunnenontdekken, maar om wat Hoist – gezien alle omstandigheden van het geval – had
moetenontdekken. Dat onderzoek gedaan had kunnen worden, brengt volgens het subonderdeel niet mee dat op de dwalende ‘dus’ een onderzoeksplicht gerust zou hebben. Althans is zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom Hoist de prejudiciële vragen niet alleen had kunnen, maar ook had
moetenontdekken.
nietzou prevaleren boven de onderzoeksplicht van Hoist.
deskundigis waar het om de
inning van vorderingengaat (rov. 3.13, 1e-3e volzin).
afgrenst, hetgeen zou duiden op een complementaire benadering. [100]
op de hoogte wasvan de prejudiciële procedure. Het hof sluit kennelijk aan bij het gelijkluidende oordeel van de rechtbank, dat (mede) op dezelfde omstandigheden was gebaseerd (vonnis van 17 januari 2018, rov. 4.11-4.12). [102]
dater consequenties voor de relatie met de
afnemerskunnen zijn – besloten in de hiervoor als (vi) genummerde overweging dat ten tijde van de contractsluiting naar de aard van de zaak onzeker was
hoede vragen beantwoord zouden worden en tevens onduidelijk was
watde gevolgen daarvan – ik voeg toe: voor de kwalificatie van de vorderingen en de implicaties daarvan jegens eventuele
verkrijgersdaarvan – zouden kunnen zijn. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
eigenschappenvan de door Vodafone geleverde vorderingen [104] , welke gestelde dwaling het hof in rov. 3.11 herleidt tot een dwaling omtrent de juiste juridische
kwalificatievan de overgenomen vorderingen, waaronder het hof, gelet op rov. 3.5 (slot) en rov. 3.6, kennelijk verstaat: het voortvloeien uit overeenkomsten die gedeeltelijk aan
vernietigingblootstaan. (Hiervoor, bij de bespreking van onderdeel 1, is betoogd dat moet worden uitgegaan van gedeeltelijke krachteloosheid van de onderliggende overeenkomsten, maar dat is voor de beoordeling van de cassatieklachten niet relevant.)
te allen tijde(“
dan (wel)…, dan wel…”) faalt:
a) indien men dit moet opvatten als een beroep op dwaling omtrent de rechtens geldende kwalificatie van de vorderingen zelf
ab initio– en dus ook op het moment van sluiten van de overeenkomst –, is volgens het hof sprake van een
niet-verschoonbare rechtsdwaling;
b) indien het moet worden verstaan als een beroep op dwaling omtrent de kwalificatie die de
rechterer later aan zou geven, is volgens het hof sprake van een
uitsluitend toekomstige omstandigheid.
b). Het bestrijdt als onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel van het hof (in rov. 3.11) dat Hoist gedwaald heeft over een uitsluitend toekomstige omstandigheid, namelijk de wijze waarop de vorderingen van Vodafone op haar klanten door de rechter zouden worden gekwalificeerd.
‘'uitsluitend toekomstige omstandigheid”, maar over ten tijde van het sluiten van de overeenkomst reeds bestaande eigenschappen van de te cederen vorderingen.
“rechter”(de Hoge Raad of de feitenrechters in incassoprocedures). Voorts is onbegrijpelijk waarom de door het hof in rov. 3.11 [105] vermelde
“juiste juridische kwalificatie van de overgenomen vorderingen”een uitsluitend toekomstige omstandigheid zou zijn. Dat deze kwalificatie een toekomstige omstandigheid zou zijn, laat namelijk onverlet dat de door Hoist gestelde dwaling niet deze kwalificatie als zodanig betreft, maar de omstandigheden die aanleiding geven tot deze kwalificatie, namelijk dat de door Vodafone met haar klanten gesloten overeenkomsten, waaruit de vorderingen ontstaan, niet voldoen aan de door de wet aan deze overeenkomsten gestelde eisen en deze overeenkomsten daarom niet van kracht zijn geworden en/of ambtshalve vernietigd kunnen worden en derhalve moeilijk incasseerbaar zijn, aldus het subonderdeel.
a)), maar op de omstandigheid dat op een later tijdstip bij rechterlijke uitspraak wordt vastgesteld dat (de) telefoonabonnementen inclusief toestel gedeeltelijk vernietigbaar (kunnen) zijn. Het oordeel dat een posterieure rechterlijke uitspraak moet worden aangemerkt als uitsluitend toekomstige omstandigheid in de zin van art. 6:228 lid 2 BW Pro geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
“rechter”(de Hoge Raad en/of de feitenrechters in incassozaken) is niet relevant voor het oordeel van het hof dat sprake is van een dwaling omtrent een uitsluitend toekomstige omstandigheid.
a). Het klaagt dat het oordeel van het hof (in rov. 3.11) dat de dwaling van Hoist over de juiste kwalificatie van de overgenomen vorderingen een
niet-verschoonbare rechtsdwalingis, onjuist en/of onbegrijpelijk is.
eersteplaats dat geen sprake is van een rechtsdwaling. Hoist dwaalde niet over de juiste toepassing van het recht, maar over de eigenschappen van de vorderingen van Vodafone op haar klanten, tot welke eigenschappen behoort
dat over vorderingen als deze überhaupt prejudiciële vragen waren gestelden dat de beantwoording van deze vragen een sterk negatieve invloed kon hebben op de incasseerbaarheid van deze vorderingen. [112]
niet voor haar rekeningbehoort te blijven, aldus het subonderdeel.
derdewordt geklaagd dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat sprake zou zijn van een
niet-verschoonbarerechtsdwaling.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
veronderstellenderwijs– voor het geval dat de telefoonabonnementen niet voldoen aan de wettelijke bepalingen voor koop op afbetaling en kredietovereenkomsten –, maar
daadwerkelijkheeft gegeven. Geklaagd wordt dat in dat geval het oordeel niet te rijmen valt met de als essentieel aan te merken stellingen van Hoist dat – kort samengevat – in veel gevallen de abonnementen wel aan de wettelijke regels voldoen. Indien de stellingen van Hoist zijn verworpen, is dat oordeel ongemotiveerd en onbegrijpelijk, aldus Hoist.
alle– telefoonabonnementen inclusief toestel uit hoofde waarvan Vodafone achterstallige vorderingen aan Hoist heeft overgedragen daadwerkelijk niet aan de wettelijke eisen voldoen en op die grond aantastbaar zijn. Ik lees het arrest zo dat het hof, in navolging van de rechtbank (vonnis, rov. 4.3 [114] ), niet is toegekomen aan een beoordeling van de in het middel genoemde stellingen en heeft geoordeeld dat een
eventueleaantastbaarheid van (een deel van) de telefoonabonnementen inclusief toestel geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst oplevert.