Conclusie
1.M.A.C. ID B.V.,
M.A.C. Beheer B.V.,
Seven Steps to Heaven B.V. (voorheen genaamd Plenty 50 B.V.),
[eiser 4] ,
1.PlantLab Groep B.V.,
FBB Holding B.V.,
Cherry Unlimited Holding B.V.,
Dune Projects B.V.,
[verweerder 5] ,
[verweerder 6],
[verweerder 7] ,
[eisers]Verweerders worden hierna verkort aangeduid als PlantLab, FBB, Cherry, Dune, [verweerder 5] , [verweerder 6] en [verweerder 7] , en gezamenlijk als
[verweerders]
1.Inleiding
2.Feiten
UFF), een beheerder van investeringsfondsen in de agricultuursector van zuidelijk Afrika. PlantLab heeft een aantal dochters, waaronder PlantLab USA Inc. en PlantLab EPC B.V.
de partners), die ieder een indirect belang van 25% kregen. Na de oprichting verkregen de houdstermaatschappijen van de partners ieder 25% van de aandelen in PlantLab: MAC (waarvan de aandelen worden gehouden door MAC Beheer, een vennootschap van [eiser 4] ), FBB ( [verweerder 5] ), Cherry ( [verweerder 6] ) en Dune ( [verweerder 7] ). De vier aandeelhouders sloten een aandeelhoudersovereenkomst, waarin onder meer een non-concurrentiebeding was opgenomen.
STAK) opgericht. MAC, FBB, Cherry en Dune droegen hun aandelen in PlantLab over aan de STAK en verkregen ieder 25% van de door de STAK uitgegeven certificaten en worden daarom hierna gezamenlijk aangeduid als:
certificaathouders. Alle vier de certificaathouders werden benoemd tot bestuurders van PlantLab, terwijl de partners werden benoemd tot bestuurders van de STAK. [3]
certificaathoudersovereenkomst). [4] In die overeenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen, die afwijken van de blokkeringsregelingen in de op dezelfde datum vastgestelde statuten van PlantLab en de administratievoorwaarden van de STAK (onderstreping toegevoegd):
3.
lock-upperiode te hanteren en zij
verplichten zich hierbij om gedurende een periode van vijf (5) jaren te rekenen vanaf de datum van deze Overeenkomst, geen certificaten van aandelen in het kapitaal van de Vennootschap te verkopenof anderszins te vervreemden en/of zich te verbinden om certificaten van aandelen in het kapitaal van de Vennootschap te verkopen of anderszins te vervreemden, onverminderd het overigens in deze Overeenkomst bepaalde.
wenst te verkopen binnen de hiervoor in artikel 3 genoemde Pro termijn van vijf (5) jaren,dan geldt dat de aangeboden certificaten van aandelen zullen worden verkocht en geleverd
aan de overige certificaathouders, zulks naar rato van het aantal certificaten waarop zij reflecteren,
voor een prijs die gelijk is aan de intrinsieke waarde van de met die certificaten corresponderende aandelen zoals blijkt uit de alsdan als laatst vastgestelde jaarrekening van de Vennootschap. (...)
wenst te verkopen na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van vijf (5) jarendan geldt dat:
de prijs van de certificaten bij verkoop alsdan gelijk zal zijn aan de helft van de waarde van de betreffende certificaten van aandelen in het economisch verkeer. Deze
waarde zal worden vastgesteld dooreen door de Certificaathouders gezamenlijk aan te wijzen
onafhankelijke registeraccountant;
Certificaathouder onmiddellijk daaraan voorafgaand geacht worden de door hem gehouden Certificaten, met inachtneming van het in de statuten van de Vennootschap en de Statuten van de Stichting hieromtrent bepaalde,
te hebben aangeboden aan de andere Certificaathouders:
Wat betreft M.A.C. ID B.V. door het defungeren van [eiser 4] binnen de groep van de Vennootschapanders dan door overlijden of arbeidsongeschiktheid. Partijen realiseren zich dat “defungeren binnen de groep van de Vennootschap” betekent dat de arbeidsrelatie/managementrelatie vrijwillig of onvrijwillig eindigt, anders dan door overlijden of arbeidsongeschiktheid.
zullen de door de betreffende Certificaathouder gehouden certificaten geacht worden aangeboden te zijn aan de overige Certificaathouders waarbij geldt dat de prijs van de certificaten bij verkoop alsdan gelijk zal zijn aan de helft van de waarde van de betreffende certificaten van aandelen in het economisch verkeer. Deze waarde zal worden vastgesteld door een door de Certificaathouders gezamenlijk aan te wijzen onafhankelijke registeraccountant.
de prijs voor de certificaten in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4.1 gelijk zijn aan de intrinsieke waardevan de onderliggende aandelen
indien de verplichting tot aanbieding op grond van het bepaalde in artikel 6.1 ontstaat binnen vijf (5) jarente rekenen vanaf de datum van deze Overeenkomst.”
8.
en de voorwaarde dat de aandeelhoudersovereenkomst geen effect heeft op mijn terugtreden. De betrokken advocaten kunnen dat verder afstemmen.”
de Voorwaarde.
Ten aanzien van de door jou genoemde voorwaarde: wij zullen aan het feit dat jij je functies binnen PlantLab per 14 december 2014 hebt neergelegd niet de gevolgen van artikel 6 van Pro de aandeelhoudersovereenkomst verbinden, welk artikel, kort gezegd, bepaalt dat indien jij je functies neerlegt, jij je certificaten moet aanbieden voor een bedrag gelijk aan de intrinsieke waarde van de onderliggende aandelen.
3.Procesverloop en verwante procedures
redelijke, nadere overeen te komen prijs”. [eiser 4] heeft dit zélf kennelijk opgevat als een marktconforme prij, maar hij mocht er in redelijkheid niet op vertrouwen dat tussen partijen overeenstemming bestond over een door de andere certificaathouders te betalen marktconforme prijs voor de certificaten van MAC (rov. 4.3-4.7 van het vonnis). Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
eindvonnis) en daarin, samengevat en voor zover nog van belang, MAC geboden alle vertrouwelijke gegevens en informatie aangaande PlantLab geheim te houden, op straffe van een dwangsom. Ook heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de aanvaarding van de Voorwaarde onder invloed van dwaling tot stand is gekomen, en die aanvaarding vernietigd. Tot slot heeft de rechtbank [eisers] veroordeeld in de volledige proceskosten.
hof). Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging en alsnog afwijzing van de vorderingen van [verweerders]
principaalhoger beroep zijn) laatstelijk hun eis gewijzigd naar aanleiding van het voormelde arrest in kort geding van het hof. Als ik het goed zie persisteren zij in hun vorderingen in eerste aanleg, en hebben zij die eis aangevuld met min of meer hetzelfde als wat zij in het kort geding hebben gevorderd, gecombineerd met een verklaring voor recht dat met het voormelde arrest in kort geding de certificaten daadwerkelijk zijn geleverd. Vervolgens hebben [verweerders] in de procedure met zaaknr. 200.257.495 (waar [verweerders] appellanten in het
incidenteelhoger beroep zijn) hun eis laatstelijk gewijzigd op 3 februari 2021. In die procedure luidt de eis hetzelfde als in de procedure met zaaknr. 200.258.196. [20]
arrest). Ik vat de overwegingen samen die in cassatie nog van belang zijn.
eerste geschilpuntkomt de vernietiging van de aanvaarding van de Voorwaarde door [verweerders] wegens
dwalingaan bod. Het hof zet het oordeel van het rechtbank op dit punt uiteen (rov. 3.12) en schetst vervolgens het juridisch kader (rov. 3.13). Daarna geeft het hof een uiteenzetting van de e-mailwisseling tussen de partners op 14 december 2014 (rov. 3.14). Volgens het hof staat vast dat toen [eiser 4] zijn e-mail op 14 december 2014 stuurde, en voorafgaand aan de e-mail van [verweerders] op 15 januari 2015, [eiser 4] bezig was met het opzetten van een met PlantLab concurrerende onderneming. [eiser 4] is vanaf eind november/begin december 2014 heimelijk achter klanten en medewerkers van PlantLab aangegaan ten behoeve van die nieuwe onderneming. Hiervan heeft hij [verweerders] niet op de hoogte gesteld, terwijl dat wel had gemoeten (rov. 3.15). De betwisting van de hiertoe door [verweerders] gestelde feiten door [eisers] acht het hof onvoldoende. Het hof bespreekt nog enkele specifieke stellingen die [eisers] in dit verband hebben aangevoerd (rov. 3.16). Het hof concludeert dat voldaan is aan de vereisten voor een geslaagd beroep op dwaling: [verweerders] hadden een onjuiste voorstelling van zaken toen de e-mail van 15 januari 2015 door [verweerder 7] namens hen werd verstuurd en voldoende aannemelijk is dat zij bij een juiste voorstelling van zaken die mededeling niet zouden hebben gedaan (rov. 3.17).
tweede geschilpuntbetreft de
prijsdie voor de certificaten van [eiser 4] moet worden betaald. Na een inleiding (rov. 3.20-3.24) stelt het hof voorop dat de vraag hoeveel betaald moet worden voor de certificaten beslist moet worden door uitleg van de certificaathoudersovereenkomst. Daarvoor geldt de Haviltex-maatstaf (rov. 3.52.1). Volgens het hof staat vast dat [eiser 4] zijn functie als bestuurder op 14 december 2014 definitief heeft neergelegd zodat hij gedefungeerd is in de zin van art. 6.1 van de certificaathoudersovereenkomst (rov. 3.25.2). De waarde van de certificaten moet vervolgens worden bepaald aan de hand van de op 14 december 2014 laatst vastgestelde jaarrekening. Dat was de jaarrekening van 2012 (rov. 3.25.3). De prijs van de certificaten is gelijk aan de intrinsieke waarde van de met die certificaten corresponderende aandelen zoals blijkt uit die jaarrekening.
Die intrinsieke waarde is negatief. Het hof zal dan ook een prijs voor de certificaten van € 1,- aanhouden, te betalen door ieder van de andere certificaathouders (rov. 3.25.4-3.25.6). Dit is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar (rov. 3.25.7). De levering van de certificaten aan de andere certificaathouders tegen betaling van ieder € 1,- wordt toegewezen. Die levering heeft reeds plaatsgevonden op grond van het voormelde hofarrest in kort geding (zie 3.7). Die levering kan in stand blijven (rov. 3.26).
derde geschilpuntbetreft de
onrechtmatige concurrentiedie [eisers] [verweerders] heeft aangedaan. De vorderingen gebaseerd op onrechtmatige concurrentie wijst het hof af (rov. 3.28-3.31). De vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid wijst het hof toe. De heimelijk verrichte activiteiten van [eiser 4] met betrekking tot contacten en medewerkers van PlantLab acht het hof evident in strijd met de verplichting tot behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW Pro). Daarnaast is sprake van strijd met de rechtspersonenrechtelijke redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW Pro). Daarmee is MAC aansprakelijk tegenover PlantLab. [eiser 4] is naast MAC hoofdelijk aansprakelijk op grond van art. 2:11 BW Pro. Het hof verwijst de zaak naar de schadestaat (rov. 3.32-3.34).
vierde geschilpunt, de vorderingen die verband houden met het openbaar maken van
bedrijfsgeheimen. Het gebod dat de rechtbank aan MAC heeft opgelegd om bedrijfsgeheimen van PlantLab geheim te houden is volgens het hof te algemeen geformuleerd. Dit zal het hof vernietigen, en de daartoe strekkende vordering zal het hof afwijzen. Wel is het hof van oordeel dat [eisers] hun geheimhoudingsplicht hebben geschonden en aansprakelijk zijn voor de schade die PlantLab daardoor heeft geleden. Aannemelijk is dát er schade is geleden, zodat het hof naar de schadestaat verwijst (3.35.1-3.36.4).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdelen 1 en 2gaan over het dwalingsoordeel.
Onderdeel 3bestrijdt de prijsbepaling van de certificaten.
Onderdeel 4gaat in tegen het oordeel dat [eisers] op grond van art. 2:9 en Pro 2:11 BW aansprakelijk zijn.
Onderdeel 5richt zich tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de volledige proceskosten van [eisers]
Onderdeel 6tot slot bevat een voortbouwklacht. [22]
rov. 3.18-3.19. Ik citeer echter ook rov. 3.13-3.17 om een volledige weergave te geven van het dwalingsoordeel van het hof:
eerste benadering(onderdelen 1.1-1.6 en 1.9-1.11) houdt voor dat met aanvaarding van de Voorwaarde een
overeenkomsttot stand is gekomen. De e-mail van [eiser 4] van 14 december 2014 zou namelijk een
aanbodvan [eiser 4] bevatten: hij zou als bestuurder terugtreden onder de voorwaarde dat [verweerders] daaraan niet de gevolgen uit de certificaathoudersovereenkomst zouden verbinden. Dat aanbod zou door [verweerders] met de e-mail van 15 januari 2015 zijn
aanvaard. Deze benadering bestrijdt niet de vernietiging van die aanvaarding, maar betoogt dat [eiser 4] ’ verplichting tot terugtreding (en MAC’s uittreding als certificaathouder) dan evenmin in stand kan blijven. De hele overeenkomst moet dan dus worden vernietigd. [24]
tweede benadering(onderdelen 1.7-1.8) probeert de aanvaarding van de Voorwaarde door [verweerders] te redden door te betogen dat die aanvaarding, als
eenzijdige gerichte rechtshandeling, niet vatbaar is voor vernietiging op grond van dwaling.
definitiefneerleggen door [eiser 4] van zijn functie, en niet als een
aanbodtot het neerleggen van zijn functie dat met de e-mail van 15 januari 2015 is aanvaard.
per direct zijn functies binnen Plantlab” heeft neergelegd (rov. 3.5). Bovendien heeft de OK geoordeeld dat het bezwaar van [eiser 4] en MAC tegen de uitschrijving van MAC als bestuurder van PlantLab ongegrond was “
omdat MAC zelf haar functie van bestuurder van Plantlab heeft neergelegd.” (rov. 3.6).
de uittreding van [eisers] door diens eigen toedoen per 14 december 2014 al een feit was(“
leg ik per direct mijn functies binnen PlantLab neer”) - zie ook rov. 3.6 van de beschikking van 13 juli 2015 van de Ondernemingskamer (…) - en hij daarmee defungeerde in de zin van artikel 6.1 van de certificaathoudersovereenkomst.” Iets verderop in rov. 3.18 stelt het hof vast dat [eiser 4] zijn functie als bestuurder “
op 14 december 2014 definitief [heeft] neergelegd”. In rov. 3.25.3 herhaalt het hof “
dat [eiser 4] zijn functie als bestuurder op 14 december 2014 definitief heeft neergelegd” en dat als gevolg daarvan “
het neerleggen (…) van zijn functie als bestuurder van PlantLab moet worden aangemerkt als een defungeren van [eisers] in de zin van het bepaalde in artikel 6.1 van de certificaathoudersovereenkomst”. In diezelfde rechtsoverweging stelt het hof vast dat “
[verweerders] (…) ervan is uitgegaan dat [eisers] op 14 december 2014 zijn functies vrijwillig heeft neergelegd en (…) hier ook redelijkerwijze van [mocht] uitgaan.” Voorts acht het hof in rov. 3.25.7 van belang dat “
[eiser 4] zelf heeft besloten zijn functie op 14 december 2014 neer te leggen, zonder de uitwerking van de door hem gestelde toezegging over de prijs van de certificaten af te wachten”.
leg ik per direct mijn functies binnen PlantLab neer”), [25] het handelen van [eiser 4] (hij legde feitelijk zijn functies neer [26] ), en de gevolgen die dat heeft gehad (hij ‘defungeerde’ en er ontstond een aanbiedingsplicht) onverenigbaar zijn met de stelling dat hij op 14 december 2014 slechts een aanbod deed tot het neerleggen van die functies. Dat is alleszins begrijpelijk en behoefde niet nog nadere toelichting. De tekst van de e-mail kan die lezing dragen. [eiser 4] heeft zijn functie bovendien daadwerkelijk vrijwillig neergelegd. Als gevolg hiervan defungeerde [eiser 4] in de zin van art. 6.1 van de certificaathoudersovereenkomst. Het defungeren van [eiser 4] (en MAC) op 14 december 2014 was een
fait accompli [27] en daarmee definitief.
kunnenworden gezien als een aanbod, maakt de lezing van het hof niet onbegrijpelijk. [28]
definitiefhad neergelegd.
rechtbankzich aan het oordeel van de OK gebonden heeft geacht (het gebruik van het woord “
daarom” in rov. 2.35 van het eindvonnis kan wellicht die suggestie wekken). Uit het arrest blijkt echter duidelijk dat het hof zelfstandig tot het oordeel is gekomen dat [eiser 4] zijn functies definitief had neergelegd. Met de verwijzing naar de beschikking van de OK in rov. 3.18 (“(…)
zie ook rov. 3.6 van de beschikking van 13 juli 2015 van de Ondernemingskamer(…))” doelt het hof mijns inziens enkel op het feit dat de OK tot hetzelfde oordeel kwam. Dat betekent niet dat het hof zich heeft gebaseerd op het oordeel van de OK, of zich anderszins gebonden heeft geacht aan dat oordeel. Daarmee faalt de rechts- en motiveringsklacht.
gerichterechtshandeling ‘waarbij de wilsverklaring tot een andere persoon wordt gericht’. [30] Daarmee dient de uitleg van de e-mail van 14 december 2014 plaats te vinden aan de hand van de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en Pro 3:35 BW. [31] Daarbij komt het aan op de zin die [verweerders] redelijkerwijs aan de e-mail van 14 december 2014 hebben mogen hechten en op hetgeen zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs hebben mogen verwachten. Daarvoor zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van gebruikte bewoordingen komt geen beslissende betekenis toe. [32] Voor zover het gaat om de vraag of het hof deze maatstaf juist heeft toegepast, kan het oordeel in cassatie volledig worden getoetst. De uitleg van de wilsverklaring zelf is echter in hoge mate feitelijk van aard, en daarom in cassatie beperkt toetsbaar. [33]
beslissendgewicht heeft toegekend. Het hof heeft immers daarnaast van belang geacht dat [eiser 4] uit eigen beweging daadwerkelijk zijn functie heeft neergelegd en dat hij daarom is gedefungeerd in de zin van art. 6.1 van de certificaathoudersovereenkomst. In rov. 3.25.2 bevestigt het hof bovendien dat [verweerders] er van uit zijn gegaan dat [eisers] op 14 december 2014 zijn functies vrijwillig heeft neergelegd, en dat zij hier ook redelijkerwijs van uit
mochtengaan. Daarmee past het hof, vrij letterlijk, de wilsvertrouwensleer toe en oordeelt het in essentie dat [verweerders] de e-mail van 14 december 2014, in de gegeven omstandigheden, zo konden opvatten dat [eiser 4] definitief defungeerde en niet slechts voorwaardelijk.
te onderhandelenover een redelijke prijs als [eiser 4] zijn functies neer zou leggen werpt geen ander licht op de zaak. Het hof heeft evenzeer uit de correspondentie afgeleid dat [verweerders] geen afstand hadden gedaan van afwikkeling van de samenwerking conform de certificaathoudersovereenkomst (rov. 3.14). Overigens is die bereidheid om te onderhandelen over een redelijke prijs als [eiser 4] zijn functies neer zou leggen consistent met het oordeel dat [eiser 4] zijn functies definitief had neergelegd omdat anders die onderhandelingen geen aanvang zouden nemen.
onderdeel 1.4is het hof voorbijgegaan aan essentiële stellingen van [eisers] , namelijk het betoog dat de e-mail van 14 december 2014, in het licht van eerdere correspondentie, niet anders kan worden begrepen dan als een herhaald aanbod om vrijwillig zijn bestuursfunctie op te geven. De tegenprestatie van [verweerders] is dat zij [eisers] niet aan de ‘bad-leaver’-regeling uit de certificaathoudersovereenkomst zullen houden, maar bereid zijn te komen tot de vaststelling van een redelijke prijs voor de certificaten. Ook hebben [eisers] aangevoerd dat zij nooit zouden hebben ingestemd met uittreding als geen redelijke prijs voor de certificaten zou worden betaald. Het hof had hierop moeten reageren, temeer nu het hof in rov. 3.14 overweegt dat [eisers] erop mochten vertrouwen dat [verweerders] bereid waren een redelijke prijs voor de certificaten te betalen. Wat het hof verder overweegt in rov. 3.14 doet daar niet aan af.
vrijwilligneergelegd zonder dat er overeenstemming was over de voorwaarden van zijn uittreding (zie ook rov. 3.18: “
geen sprake van een uittredingsovereenkomst tussen partijen” en “
[eiser 4] heeft zijn functie als bestuurder op 14 december 2014 definitief neergelegd zonder dat hij een afspraak had over de prijs van de certificaten die hij wilde(…)”). [eiser 4] had geen recht op een redelijke prijs; de andere partners waren hooguit bereid te praten over een redelijke prijs, maar hielden eveneens de mogelijkheid open om de samenwerking conform de certificaathoudersovereenkomst af te wikkelen. [37] [eisers] mochten er dus, anders dan het middel voorhoudt, niet op vertrouwen dat [verweerders] bereid waren een redelijke prijs voor de certificaten of zelfs meer dan de intrinsieke waarde ervan te betalen.
feitdat [eiser 4] op 14 december 2014 zijn functie neerlegde (zie art. 6.1 certificaathoudersovereenkomst). De aanbiedingsplicht was niet een
overeengekomenprestatie, en de e-mail van 14 december 2014 daarom ook niet een daartoe strekkend aanbod. Voor zover [eisers] stellen dat zij ook nooit met die aanbiedingsplicht hadden ingestemd, kan dit dus ook niet worden gevolgd. De aanbiedingsplicht volgde uit genoemde overeenkomst en was niet afhankelijk van de instemming van [eisers]
voor zover erdaarnaeen afspraak daarover tot stand is gekomen, (…) die dus [is] vernietigd als gevolg van het geslaagde beroep van [verweerders] op dwaling” (mijn onderstreping). Met andere woorden, voor zover sprake was van een overeenkomst tussen partijen vormde de uittreding en verplichte aanbieding van de certificaten daar geen onderdeel van, nu die verplichtingen reeds bestonden op basis van art. 6.1 van de certificaathoudersovereenkomst. [39]
geenonverbrekelijk verband bestaat tussen de verplichting tot uittreding en aanbieding van de certificaten enerzijds, en de aanvaarding van de Voorwaarde anderzijds. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag. Mede in het licht van de uitleg die het hof heeft gegeven aan de e-mail van 14 december 2014 (waartegen de voorgaande onderdelen zich zonder vrucht richten) behoefde het oordeel evenmin nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
tweede benaderingwordt uitgewerkt.
eenzijdig gerichte rechtshandelingen, verricht in het kader van een reeds bestaande rechtsbetrekking’. Voor die gevallen heeft de wetgever immers gewezen op mogelijkheid om over de band van de redelijkheid en billijkheid in te grijpen, aldus de klacht.
terwijl artikel [6:216 BW] er niet aan in de weg staat deze regeling in daarvoor in aanmerking komende gevallen analogisch ook op eenzijdige rechtshandelingen toe te passen. Het komt de ondergetekende niet wenselijk voor om, zoals de Commissie tevens voorstelde, in artikel [3:44 BW] een algemene regeling betreffende dwaling in te voegen. Zoals reeds in de toelichting van Meijers bij artikel 3.2.12 werd betoogd, dient de vraag in hoeverre en onder welke voorwaarden een beroep op dwaling mogelijk moet zijn, voor iedere groep rechtshandelingen afzonderlijk te worden bezien. Voor zover het gaat om meerzijdige rechtshandelingen, biedt artikel [6:216 BW] daartoe gelegenheid in verband met de daarin voorkomende verwijzing naar de aard van de rechtshandeling.
Maar ook bij de eenzijdige rechtshandeling dient aan de rechter de nodige vrijheid te worden gelaten.Er zijn gevallen dat bij zodanige handelingen een beroep op dwaling in het geheel niet past. Zo wordt in artikel 4.5.2.1 lid 4 een zodanig beroep ten aanzien van de aanvaarding en de verwerping van een nalatenschap geheel uitgesloten. Men zie ook de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer op dat artikel, vijfde alinea. Ook plegen vele zodanige rechtshandelingen, zoals de opzegging, de ontbinding van een overeenkomst en de verrekeningsverklaring, te worden verricht in het kader van een reeds bestaande rechtsbetrekking, zodat een eventuele dwaling bij dat verrichten in ieder geval aan de orde kan komen aan de hand van de artikelen [6:2 BW], [6:23 BW] en [6:248 lid 2 BW], die, meer dan een algemene dwalingsregeling zou vermogen, de gelegenheid bieden rekening te houden met de omstandigheden van het geval.” [43]
in ieder geval” aan de orde komen bij toepassing van art. 6:2, 6:23 en 6:248 BW. De wetgever zegt hier niet met zoveel woorden dat dergelijke eenzijdige rechtshandelingen wél voor analogische toepassing van de dwalingsregeling in aanmerking komen, maar dat ligt daar mijns inziens wel in besloten. De wetgever zegt namelijk niet, anders dan bij de aanvaarding en verwerping van een nalatenschap, dat dwaling in het geheel niet past. Integendeel: het gebruik van de woorden “
in ieder geval” duidt erop dat de wetgever heeft gemeend dat de dwalingsregeling op dergelijke eenzijdige rechtshandelingen analogisch kan worden toegepast, maar dat de rechtsgevolgen van een onder dwaling verrichte eenzijdige rechtshandeling
daarnaastmede op grond van de redelijkheid en billijkheid (in de context van art. 6:2 en Pro 6:248 BW) kunnen worden vastgesteld. [44] De wetgever noemt opzegging, ontbinding en de verrekeningsverklaring kennelijk als voorbeelden van ‘in aanmerking komende gevallen’. Dat betekent dat analogische toepassing van de dwalingsregeling op eenzijdige rechtshandelingen verricht in het kader van en reeds bestaande rechtsbetrekking, mogelijk is voor daarvoor in aanmerking komende gevallen. [45]
Maastricht/Taxi Centrale Crals. [46] De eenzijdige rechtshandeling in die zaak betrof de erkenning van aansprakelijkheid door een verzekeraar. De verzekeraar baseerde zich daarvoor op een deskundigenrapport. Naar aanleiding van een later en andersluidend deskundigenrapport poogde de verzekeraar de erkenning te vernietigen op grond van dwaling. De verzekeraar ving evenwel bot. De Hoge Raad oordeelde dat
overeenkomstmet [eisers] Zou hetgeen [verweerders] hebben toegezegd echter onderdeel zijn geweest van een overeenkomst, dan was die overeenkomst ook
vatbaarvoor vernietiging op grond van dwaling, en ook
vatbaarvoor partiële vernietiging ten aanzien van slechts de prestaties van [verweerders] Waarom die prestaties, als zij voortvloeien uit een eenzijdige rechtshandeling (toezegging), dan niet meer voor vernietiging in aanmerking zouden komen vermag ik niet in te zien. [49]
a contrarioafleiden dat bij rechtshandelingen die worden verricht in het kader van een reeds bestaande rechtsbetrekking, de dwalingsregeling niet analogisch kan worden toegepast. Dat volgt mijns inziens evenwel niet uit de betreffende passage in de parlementaire geschiedenis, zoals ik hiervoor heb toegelicht, onder 4.42. Daarmee faalt ook onderdeel 1.8.
voor zover” in de bestreden rechtsoverweging, dat het hof ook niet specifieke stellingen voor ogen had maar enkel zijn oordeel wilde ‘afhechten’. In dat licht kan deze klacht buiten behandeling blijven.
.Zij richten zich allen tegen de rov. 3.15-3.17 die ik hiervoor onder 4.2 heb opgenomen.
in de periode vanaf eind november/begin december 2014 heimelijk achter klanten en medewerkers van PlantLab [is] aangegaan voor zijn eigen nieuw op te zetten onderneming”. Dit oordeel is onbegrijpelijk, onvoldoende gemotiveerd, en onjuist om de in onderdelen 2.1.1.-2.1.4 vermelde redenen.
onderdeel 2.1.1klaagt het middel over het gebruik van het woord “
klanten”. Het middel bespeurt een tegenstrijdigheid met rov. 3.30 waarin het hof ingaat op de gestelde onrechtmatige concurrentie van [eiser 4] . Daarin maakt het hof het oordeel van de rechtbank tot de zijne dat de contacten van [eiser 4] met handelsrelaties van PlantLab – waaronder UFF en Google – geen klanten maar alleen “
relaties” betroffen. Ook maakt het hof het oordeel van de rechtbank tot de zijne dat UFF en Google persoonlijke contacten van [eiser 4] waren. Uit de gedingstukken blijkt dat UFF en Google er evengoed voor zouden hebben gekozen om met een nieuwe onderneming van [eiser 4] in zee te gaan. Zonder nadere toelichting valt daarom niet in te zien waarom [eiser 4] ‘heimelijk’ achter deze ‘klanten’ – die dus eigenlijk relaties waren en bovendien contacten van hemzelf – ‘aan zou zijn gegaan’.
Als door [verweerders] gesteld en door [eisers] niet betwist, staat vast dat [eiser 4] bij Plantlab aanvoerder was van het ‘marktteam’ van Plantlab en contacten onderhield met onder andere UFF en Googleen andere klanten van Plantlab.” (mijn onderstreping). Met die termen doelt het hof op een zelfde soort (klant)relatie.
in het kader van het beroep op dwalingniet van belang is omdat het niet kan afdoen aan de onjuiste voorstelling van zaken die [verweerders] hadden op 15 januari 2015. Die onjuiste voorstelling van zaken ziet erop dat [verweerders] op 15 januari 2015 niet wisten dat [eiser 4] deze gesprekken voerde met UFF en Google. Daaruit blijkt dat het hof kennelijk van oordeel is dat [eiser 4] ook ter zake van die gesprekken een mededelingsplicht had.
bovendien geen klanten van PlantLab [betroffen], maar alleen relaties waarmee PlantLab besprekingen voerde in de hoop daarmee opdrachten in de wacht te slepen.” Slechts dan zou het oordeel van het hof in rov. 3.15 dat [eiser 4] ‘heimelijk’ achter deze klanten is aangegaan innerlijk tegenstrijdig zijn met rov. 3.30. Partijen twisten over de vraag of het hof deze rechtsoverweging uit het vonnis nu wel of niet heeft overgenomen. [52] Die twist hoeft echter niet te worden beslecht, nu de klacht veronderstelt dat het onderscheid tussen ‘klanten’ en ‘relaties’ voor het hof van belang is geweest in de context van het dwalingsverweer. Uit het voorgaande volgt dat dit niet het geval is.
onderdeel 2.1.2is het oordeel dat [eiser 4] heimelijk achter “
medewerkers van PlantLab” is aangegaan ontoereikend gemotiveerd. [verweerders] hebben dit verwijt slechts gemaakt ten aanzien van de medewerkers [medewerker 2] en [medewerker 1] (zie 2.1.7). Dit zijn ook de enige medewerkers die het hof noemt. Ten aanzien van hen hebben [eisers] onderbouwd aangegeven dat [eiser 4] hen niet heeft benaderd om hen te betrekken bij zijn nieuwe onderneming, maar enkel de bestuurscrisis met hen heeft besproken. Zij hebben daarop zelf spontaan te kennen gegeven met hem mee te zullen gaan als hij activiteiten buiten PlantLab zou moeten ondernemen. Ze zijn evenwel werkzaam gebleven voor PlantLab USA Inc. [eiser 4] heeft in de periode november/december 2014 verder niet met deze twee medewerkers gesproken over een mogelijke positie van hen in toekomstige activiteiten van [eiser 4] . Hieruit blijkt dat [eiser 4] niet heimelijk achter medewerkers van PlantLab is aangegaan. Het hof is niet op deze essentiële stellingen ingegaan.
zoals” in rov. 3.15 blijkt dat het hof zich niet tot hen heeft beperkt. De procesinleiding verwijst in dit verband naar een passage uit de conclusie van antwoord van [eisers] waarin staat dat de verwijten van [verweerders] zijn beperkt tot [medewerker 2] en [medewerker 1] . [54] Uit het procesdossier blijkt evenwel dat [verweerders] dergelijke verwijten ook hebben gemaakt met betrekking tot andere medewerkers, zoals PlantLab-adviseur [betrokkene 1] en MT-Leden [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . [55]
onderdeel 2.2. Dit richt motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 3.15 dat [eiser 4] uit eigen beweging [verweerders] had behoren in te lichten over zijn activiteiten omdat die in potentie een negatieve impact op het medewerkers- en klantenbestand van PlantLab hadden, en daarmee op haar onderneming en de verdienmogelijkheden daarvan. Dat oordeel is in de eerste plaats innerlijk tegenstrijdig met de overweging in rov. 3.30 dat relaties UFF en Google evengoed met [eiser 4] in gesprek zouden zijn gegaan, en dit dus niet tot schade van PlantLab heeft geleid (zie onderdeel 2.1.2). Bovendien heeft het hof niet gereageerd op het essentiële betoog van [eisers] dat [eiser 4] slechts een concreet verwijt is gemaakt ten aanzien van [medewerker 2] en [medewerker 1] en hij [medewerker 2] en [medewerker 1] nooit heeft benaderd om voor zijn nieuwe onderneming te werken (zie onderdeel 2.1.3). Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom de activiteiten van [eiser 4] dan een negatieve impact op het medewerkersbestand van PlantLab hadden.
in potentie” een negatieve impact op het medewerkers- en klantenbestand van PlantLab, en daarmee op haar onderneming en de verdienmogelijkheden daarvan. Het potentiële nadelige effect van deze activiteiten was voldoende om ter zake daarvan een mededelingsplicht te doen laten ontstaan.
al enige tijd, vanaf eind november/begin december 2014, bezig was met het opzetten van zijn eigen - met Plantlab concurrerende – onderneming” en dat dit “
volgt uit de contacten die [eiser 4] had met handelsrelaties van Plantlab,waaronder UFF en Google.” Bovendien maakt het hof zich weliswaar het oordeel van de rechtbank eigen dat de gesprekken met UFF en Google niet tot schade van PlantLab hebben geleid, maar niet blijkt niet dat het hof van oordeel is dat de gesprekken die [eiser 4] met
andereklanten/relaties van PlantLab heeft gevoerd niet tot schade hebben geleid.
onderdeel 2.5getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting over het kenbaarheidsvereiste van art. 6:228 BW Pro. Het hof had namelijk moeten onderzoeken of
[eisers]begrepen of moesten begrijpen dat de bij [verweerders] levende voorstelling van zaken over het contact van [eiser 4] met relaties van PlantLab doorslaggevend was om de overeenkomst (onder die voorwaarden) aan te gaan. Daarbij is wel degelijk van belang dat UFF en Google geen klanten van PlantLab maar contacten van [eiser 4] waren, en er evengoed voor zouden hebben gekozen om met [eiser 4] in gesprek te gaan (en die gesprekken dus niet tot schade voor PlantLab hebben geleid). Ook gold tussen partijen geen concurrentiebeding. Tijdens de onderhandelingen met [eiser 4] is niet gebleken dat op dit punt beperkingen golden. Bovendien had [eiser 4] te kennen gegeven een nieuwe onderneming te willen beginnen zonder beperkingen ten aanzien van bedrijfsactiviteiten en relaties. In dat licht had het hof wel degelijk acht moeten slaan op de in rov. 3.16 genoemde stelling van [eiser 4] over UFF en Google. Die stelling is van belang voor de vraag of [eiser 4] moest begrijpen dat zijn contact met deze partijen doorslaggevend was om de toezegging over de uittreding van [eisers] wel of niet te geven.
[eiser 4] [had] behoren te beseffen dat zijn hiervoor bedoelde activiteiten een omstandigheid betroffen waarover hij [verweerders] had behoren in te lichten.” Daaruit blijkt dat het hof van oordeel is dat [eiser 4] had behoren te beseffen dat de bij [verweerders] levende voorstelling van zaken over het contact van [eiser 4] met de relaties van PlantLab doorslaggevend was voor [verweerders] om de Voorwaarde te accepteren. Het hof
heeftdus de beoordeling gemaakt, waarvan het middel voorhoudt dat het hof die achterwege heeft gelaten. De klacht mist dus feitelijke grondslag. De overige klachten die voortbouwen op de contacten met UFF en Google, en het feit dat [eiser 4] te kennen had gegeven een nieuwe onderneming te willen beginnen, falen in het voetspoor van onderdelen 2.1.1 en 2.2.
onderdelen 2.7-2.8, tot slot, gaan over de bespreking door het hof van de stelling van [eisers] dat [eiser 4] de door hem betrokken informatie van/inzake PlantLab over de Led-lampen niet nodig had om de aan zijn nieuwe onderneming te leveren lampen op dezelfde wijze te kunnen laten vervaardigen als Plantlab dat deed. Dit leidt volgens het hof, gelet op rov. 3.15, niet tot een ander oordeel. Overigens vindt het hof dat [eisers] over zijn activiteiten met betrekking tot de Led-lampen ook onvoldoende transparant is geweest, en dat ook dit kan bijdragen aan een geslaagd beroep op dwaling.
onderdeel 2.7laat het hof in het midden of de informatie met betrekking tot de Led-lampen publiekelijk beschikbaar was, zodat dit in cassatie tot uitgangspunt dient. Dan valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom dat feit niet van belang is voor de vraag of de omstandigheid dat [eiser 4] informatie over deze lampen van PlantLab zou hebben gebruikt kan bijdragen aan het beroep op dwaling. Voor zover het hof heeft verzuimd te onderzoeken of [eiser 4] begreep of moest begrijpen dat het gebruik van deze informatie doorslaggevend was voor het wel of niet aangaan van de overeenkomst door [verweerders] , miskent het wederom het kenbaarheidsvereiste (zie onderdeel 2.5). Althans is het oordeel onbegrijpelijk omdat niet duidelijk is waarom deze omstandigheid niet ter zake doet.
onderdeel 3.1, met een voortbouwklacht, die het lot deelt van de voorgaande klachten.
dus niet vaststaat” (rov. 3.25.7, laatste zin). Daaruit blijkt, of althans ligt daarin besloten, dat het hof de stelling van [eisers] dat de waarde van PlantLab voortkomt uit zijn inspanningen als onvoldoende vaststaand heeft verworpen. Daarmee kan die stelling dus ook niet in cassatie als hypothetische feitelijke grondslag tot uitgangspunt dienen. [57]
onvoldoende gewicht in de schaal [legt]”, het zijn oordeel afhecht door van de juistheid van de stelling veronderstellenderwijs uit te gaan. Maar ook dat is volgens het hof onvoldoende om de uittredingsregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Daarbij is voor het hof belangrijk dat de uittredingsregeling een sanctionerend karakter heeft en dat [eiser 4] zelf zijn functie heeft neergelegd op een moment dat hij geen afspraken over zijn uittreding had. Daarmee heeft het hof voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Die is bovendien niet onbegrijpelijk.
onderdeel 4.2getuigt het oordeel in rov. 3.33 van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, om de redenen die worden uitgewerkt in de daaropvolgende subonderdelen.
ook als op zich nog geen sprake was van concurrerende activiteiten”, aldus de klacht.
prospectsvan PlantLab verkeerde. Deze schendingen van art. 2:8 BW Pro dienen in het arrest mede ter invulling van de norm van art. 2:9 BW Pro. Ook daarmee heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. [58]
ook als op zich nog geen sprake was van‘
concurrerende activiteiten’”. Uit die rechtsoverweging blijkt dat het hof de vraag of sprake was van concurrerende activiteiten niet relevant heeft geacht om te kunnen spreken van een persoonlijk ernstig verwijt. Voor zover de klachten voortbouwen op het feit dat [eiser 4] niet gebonden was aan enig non-concurrentiebeding of relatiebeding missen zij dus belang. Voorts gaat het middel er aan voorbij dat het ernstig verwijt mede is gestoeld op de activiteiten van [eiser 4] met betrekking tot de medewerkers van PlantLab. Dit wordt door het middel niet bestreden.
onderdeel 4.2.2is het oordeel ook onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Gelet op de in de onderdeel 4.2.1 genoemde omstandigheden valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom sprake is van een ernstig verwijtbaar handelen. Dat [eiser 4] aanvoerder was van het marktteam, in die hoedanigheid contacten onderhield met UFF, Google, en andere klanten, en als zodanig ook een vertrouwenspositie had met betrekking tot relaties en
prospectsvan PlantLab, maakt het oordeel niet begrijpelijk. Aangezien het hof in rov. 3.30 oordeelt dat de activiteiten van [eiser 4] niet onrechtmatig waren, valt (zonder nadere toelichting) niet in te zien waarom dan wél sprake is van een ernstig verwijt in de zin van art. 2:9 BW Pro, aldus het middel.
Onderdeel 4.3acht de verwijzing naar de schadestaat in rov. 3.33 innerlijk tegenstrijdig met het oordeel in rov. 3.30, waar het hof oordeelt dat niet is gebleken dat de activiteiten van [eisers] tot schade hebben geleid. Waarom de mogelijkheid dan aannemelijk is dat [verweerders] schade hebben geleden, valt niet te zien. De verwijzing door het hof naar zijn overweging in rov. 3.36.3 dat voor verwijzing naar de schadestaat een lage drempel geldt, doet daar niet aan af. Dat oordeel getuigt bovendien van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het overweegt dat verwijzing slechts dan niet geïndiceerd is als van tevoren
vaststaatdat de schadestaatprocedure niet tot toewijzing van enig schadebedrag zal leiden. Daarmee miskent het hof de maatstaf dat verwijzing naar de schadestaatprocedure niet volgt als
niet aannemelijkis dat mogelijk schade is geleden.
klanten/relatiesvan PlantLab voldoen aan de maatstaf voor onrechtmatige werknemersconcurrentie. In rov. 3.33 onderbouwt het hof zijn oordeel dat aan de maatstaf voor een persoonlijk ernstig verwijt is voldaan, ook door te verwijzen naar de activiteiten van [eiser 4] met betrekking tot de medewerkers van PlantLab, waarbij het hof verwijst naar rov. 3.15. Daarmee doelt het hof op het feit dat [eiser 4] heimelijk achter medewerkers van PlantLab aan is gegaan. Deze ‘activiteiten’ zijn niet aan de orde in rov. 3.30. Reeds in zoverre is geen sprake van innerlijke tegenstrijdigheid. Voor zover [eisers] betogen [59] dat de argumenten die zij bij onderdelen 4.2.1 en 4.2.2 over de activiteiten met betrekking tot medewerkers van PlantLab hebben betrokken, ook relevant zijn in de context van dit onderdeel, mist dat betoog eveneens doel. Dat doet er namelijk niet aan af dat het hof in rov. 3.33 ook de activiteiten met betrekking tot medewerkers noemt, en in rov. 3.30 alleen (het ontbreken van) schade als gevolg van gesprekken met UFF en Google.
met UFF en Googleniet tot schade hebben geleid. Evenwel is het verwijt van het hof dat [eiser 4] heimelijk gesprekken voerde met klanten/relaties van PlantLab niet beperkt tot UFF en Google, zoals reeds uiteengezet bij de bespreking van onderdeel 2.2. [60] De besprekingen die [eiser 4] met andere klanten/relaties heeft gevoerd kunnen weliswaar onvoldoende zijn om te kunnen spreken van onrechtmatige werknemersconcurrentie, maar zij laten wel de mogelijkheid open dat dit tot schade heeft geleid.
[d]it anders [zou] zijn als tevoren vaststaat dat de schadestaatprocedure niet tot toewijzing van enig schadebedrag zal leiden.” Maar hiermee bedoelt het hof dat in dat geval de mogelijkheid van schade niet voldoende aannemelijk zou zijn. Daaruit blijkt niet dat het hof van een andere maatstaf voor verwijzing naar de schadestaat is uitgegaan.
Onderdeel 4.4houdt in dat het oordeel ook ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof niet is ingegaan op een essentieel betoog van [eisers] Zij hebben namelijk het causaal verband tussen de door [verweerders] genoemde schadeposten en het handelen van [eisers] bestreden. Ook hebben zij de mogelijke schadeposten gemotiveerd betwist. Het hof had op die stellingen moeten ingaan omdat zij tot de conclusie hadden geleid dat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is gemaakt.
Onderdeel 5.1bestrijdt het oordeel van het hof dat de vordering van [eisers] tot vergoeding van de volledige proceskosten ontoereikend onderbouwd is. Dat oordeel is rechtens onjuist. Het welbewust doorzetten van tweemaal dezelfde grieven en vorderingen in hoger beroep door [verweerders] is als misbruik van procesrecht aan te merken. Dit misbruik geeft aanleiding tot een volledige proceskostenveroordeling. Het hof stelt in rov. 3.42 bovendien vast dat het hoger beroep van [verweerders] nodeloos is ingesteld. Deze processtrategie van [verweerders] had, gelet op het belang van [eisers] , achterwege moeten blijven. [eisers] werden gedwongen om twee keer verweer te voeren tegen dezelfde vorderingen. Het hof miskent voorts dat wel is voldaan aan de
Duka/Achmea-maatstaf.
Onderdeel 5.2bevat een motiveringsklacht in het verlengde van onderdeel 5.1. Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden valt niet in te zien waarom door [eisers] onvoldoende zou zijn toegelicht dat niet aan de
Duka/Achmea-maatstaf was voldaan. In ieder geval was dit een essentieel betoog van [eisers] , waar het hof zonder nadere motivering niet aan voorbij kon gaan.
Duka/Achmea-maatstaf, zoals bevestigd in het arrest
De Alternatieve/ […](mijn onderstreping): [63]
pas sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten), als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
Duka/Achmea-maatstaf in rov. 3.38 min of meer woordelijk heeft weergegeven en heeft vooropgesteld. [64] In zoverre heeft het hof de
Duka/Achmea-maatstaf dus niet miskend. Het komt daarmee aan op de
toepassingvan deze maatstaf in rov. 3.42. Ik begrijp het aldaar gegeven oordeel, waarin het hof naar voorgaande oordelen verwijst (lees: rov. 3.38), zo dat het hof van oordeel is dat [eisers]
onvoldoende hebben onderbouwddat de processtrategie van [verweerders] , gelet op de belangen van [eisers] achterwege had moeten blijven. Daaruit zou alleen miskenning van de
Duka/Achmea-maatstaf blijken als het instellen van het (eigen) hoger beroep door [verweerders]
zonder meeraan de
Duka/Achmea-maatstaf voldoet en een onderbouwing dus niet nodig is. Dat is zeker niet het geval.
het instellen van een vorderingdoor de eiser achterwege had behoren te blijven, kunnen aanleiding geven tot vergoeding van volledige proceskosten. En daarvan kan bovendien alleen sprake zijn indien de vordering van eiser evident ongegrond is omdat die is gebaseerd op, kort gezegd, feiten en omstandigheden waarvan eiser wist dat ze onjuist waren, of op kansloze argumenten. Het gaat hier dus om een strikte maatstaf.
Duka/Achmea-maatstaf überhaupt van toepassing is in dit geval. Daar komt bij dat indien de procespartijen allebei gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zij beiden belang hebben om hoger beroep in te stellen en dat ieder voor zich moeten kunnen doen. [65] Dit klemt temeer omdat een partij die meent belang te hebben bij het instellen van hoger beroep, niet steeds (voldoende tijdig voor het verstrijken van de beroepstermijn) de zekerheid heeft dat haar wederpartij hoger beroep zal instellen. Van die partij kan redelijkerwijze niet worden gevergd om het op een incidenteel appel te laten aankomen.
Duka/Achmea-maatstaf wél van toepassing zou zijn, is geen sprake van misbruik van procesrecht op grond van het enkele feit dat afzonderlijk hoger beroep is ingesteld, waar incidenteel hoger beroep had volstaan. Laat staan dat het zou gaan om een geval van
evidente ongegrondheidop basis van
onjuiste feitenof
kansloze argumenten.
Duka/Achmea-maatstaf is voldaan, kan dit feitelijk oordeel in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden beoordeeld. Onbegrijpelijk is dat oordeel zeker niet, mede gelet op de summiere onderbouwing van die vordering door [eisers] Uit de in de procesinleiding vermelde vindplaatsen maak ik op dat [eisers] bij het hof hebben volstaan met de stelling dat er geen zakelijk en procedureel belang was voor [verweerders] om zelfstandig hoger beroep te entameren, en [eisers] daarmee werden gedwongen om separaat verweer te voeren. Dit is volgens [eisers] misbruik van procesrecht.
Duka/Achmea-maatstaf, onvoldoende hebben onderbouwd.
Onderdeel 6bevat een voortbouwklacht die het lot van de voorgaande klachten deelt.