Conclusie
Nummer19/05611
Het cassatieberoep
De zaak
De middelen
eerste middelbevat de klacht dat het hof bij de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie (feit 2) de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door tevens bewezen te verklaren dat de verdachte leider en/of bestuurder was van deze organisatie, terwijl dat onderdeel niet ten laste is gelegd.
tweede middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde deelneming aan een criminele organisatie ontoereikend is gemotiveerd, voor zover inhoudend dat in de bewezen verklaarde periode sprake is geweest van het oogmerk van de organisatie op het telen van hennep.
derde middelbehelst de klacht dat het bewezen verklaarde medeplegen van de uitvoer van 6 kilogram hennep (feit 7) niet uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
vierde middelbevat de klacht dat het bewezen verklaarde medeplegen van een poging tot afpersing (feit 8) niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
vijfde middelbevat de klacht dat het hof in verband met de opgelegde straf ten onrechte heeft overwogen dat de verdachte tot de dag van de aanhouding op 1 oktober 2013 verder is gegaan het de criminele organisatie, althans dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd, omdat die voortzetting niet uit de bewezenverklaring blijkt.
zesde middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep niet tot gevolgen hoeft te leiden omdat deze overschrijding, gelet op de omvang en complexiteit van de zaak, gering is, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk is.
NJ2008/358 dienen te gelden als richtsnoer. Voor de behandeling van de zaak in hoger beroep geldt het volgende. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak met een einduitspraak is afgerond binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld. In zaken die zich lenen voor toepassing van het jeugdstrafrecht en/of waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, geldt een termijn van zestien maanden. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [32]
NJ2008/358. Daarbij lijkt mij betekenis toe te komen aan de verhouding tussen het deel dat in voorlopige hechtenis is ondergaan en het deel dat in vrijheid is doorgebracht.