Conclusie
City Tax/ […] [4] kan pas sprake zijn van bewuste roekeloosheid als de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan zijn gedraging daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging.
42.75-15
57.75(Schatting)
-30.06
2.Inleiding art. 7:661 BW Pro
lex specialisten opzichte van art. 6:101 BW Pro [11] .
dolus premeditatus(willens en wetens),
dolus indirectus(zekerheidsbewustzijn) en
dolus eventualis(voorwaardelijk opzet) [21] . Analoog doortrekken van de strafrechtelijke opzetleer naar dit terrein ligt niet in de rechtspraak van Uw Raad besloten [22] . Voor bewuste roekeloosheid als equivalent van voorwaardelijk opzet wordt dit overigens bepleit door Loonstra en Zondag, zoals we hierna in 2.15 zullen zien.
City Tax/ […] [23] . In dit arrest oordeelde Uw Raad wat kwalificeert als
bewustroekeloos:
Pollemans/Hoonderten
Van der Wiel/Philips [24] . De werkgever zal in beginsel moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de werknemer zich onmiddellijk voor zijn gedraging daadwerkelijk bewust was van het gevaar [25] . Dat behelst een zwaardere maatstaf dan ernstige verwijtbaarheid [26] .
[…] /Akzo Nobel [27] is een nadere invulling gegeven aan wat kwalificeert als bewust
roekeloosgedrag. Van een gedraging met een roekeloos karakter is sprake als de werknemer zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor in het leven geroepen gevaar had behoren te onthouden.
City Tax/ […]en
/Akzo Nobelvolgt dat de toets of sprake is van bewuste roekeloosheid bestaat uit drie componenten [28] :
roekeloos);
bewustroekeloos);
City Tax/ […]volgende arrest
/Express [29] is wel de stelplicht ter zake van roekeloosheid voor de werkgever verlicht, omdat voldoende is dat de werkgever op grond van objectieve feiten en omstandigheden stelt dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid in het geval daartegen door de werknemer geen steekhoudende argumenten worden ingebracht die kunnen ontzenuwen dat van daadwerkelijk bewustzijn vlak voor het ongeval sprake was. Een werknemer dient zodoende bij door de werkgever gestelde objectieve feiten die op bewuste roekeloosheid wijzen, voldoende gemotiveerd te betwisten door daar feiten tegenover te stellen die kunnen ontzenuwen dat van bewustzijn sprake was [30] .
[…] /Noordhollandsche [31] is een ruimte te onderkennen voor objectivering aan de hand van feiten en omstandigheden, zoals NJ-annotator Hartlief uiteenzet in zijn noot onder 4-9. Omdat uit dit arrest volgt dat voor “aan opzet grenzende roekeloosheid” in beginsel bewustheid nodig is, ziet hij deze categorie “vrijwel samenvallen” met de categorie “bewuste roekeloosheid” van de eigenschuld-invulling die we uit het arbeidsrecht kennen in art. 7:658 lid Pro 2, 7:661 lid 1 en 6:170 lid 3 BW. Hij acht het opvallend dat in dit arrest in het slot van rov. 4.2 een zekere objectivering mogelijk wordt gemaakt voor aan opzet grenzende roekeloosheid die doet denken aan
[…] /Express: volstaan kan worden met stellen en zo nodig bewijzen van feiten en omstandigheden waaruit de noodzakelijke bewustheid kan worden afgeleid [32] . In de casus van het arrest (een beschonken voetganger met onopvallende kleding loopt in het donker op de weg en wordt aangereden) wordt aan de hand van de gedragingen van deze voetganger aangenomen dat hij zich bewust moet zijn geweest van het zeer aanzienlijke gevaar van een aanrijding door een auto door diens gedrag, maar hij zich desondanks niet van dat gedrag heeft laten weerhouden, zodat sprake is van aan opzet grenzende roekeloosheid. Hartlief vraagt zich af of een parallel te trekken valt met bewuste roekeloosheid uit art. 7:658 lid 2 BW Pro en 7:661 lid 1 BW. Hij memoreert de voors en tegens daarvan om te concluderen dat het vanuit een oogpunt van eenheid en consistentie
voor de hand ligtom de art. 185-lijn door te trekken naar art. 7:658 lid 2 BW Pro (en dus naar 7:661 lid 1 BW, zo voeg ik daar aan toe, gelet op
City Tax/ […]). Hij vindt
/Noordhollandschezelfs van meer belang voor art. 7:658 lid 2 BW Pro dan voor art. 185 WVW Pro en plaatst indachtig deze uitkomst in een art. 185 WVW Pro zaak in 2007 vraagtekens bij de uitkomst van
Pollemans/Hoondertuit 1996: of dat anno 2007 na
[…] /Noordhollandschenog zo zou zijn gewezen, lijkt hem de vraag..
[…] /Noordhollandschekan daar aan worden toegevoegd en is misschien wel de belangrijkste voor onze zaak.
Morsink/Nebem [41] geëvalueerd tot bewuste roekeloosheid, als, in de woorden van Uw Raad, “scherpere begrenzing” van het begrip grove schuld uit art. 1638x lid 2 (oud) BW, gelet op de achter de bepaling liggende beschermingsgedachte. Jansen en Loonstra [42] en Schouten [43] zien dit als een verschuiving die ertoe heeft geleid dat een werkgever nog minder snel kon realiseren dat de schade voor rekening van de werknemer komt. In de latere arresten
Pollemans/Hoonderten
Van der Wiel/Philipsis die norm vervolgens voor art. 7:658 lid 2 BW Pro ingekleurd als hiervoor beschreven.
De Bont/Zuidooster.Hij ziet wezenlijk verschillende kerngedachten achter art. 7:658 respectievelijk Pro 7:661 BW. Art. 7:658 BW Pro beoogt een werknemer een zo groot mogelijke bescherming te bieden tegen ongelukken in het kader van diens werkzaamheden in de vorm van een zorgplicht met een daaraan verbonden streng eigenschuld-regime. Art. 7:661 BW Pro daarentegen geeft een risicoverdeling voor aansprakelijkheid bij fouten bij het verrichten van werkzaamheden en beschermt de werknemer tegen aansprakelijkheden die de hoogte van zijn beloning te boven gaan. Deze verschillende ratio’s die ten grondslag liggen aan beide artikelen maakt het niet vanzelfsprekend dat werknemers in het kader van die artikelen in gelijke mate tegen eigen schuld worden beschermd. Daar komt dan volgens Schouten ook nog eens bij dat de maatstaf uit
City Tax/ […]vaak niet goed toepasbaar is in de context van art. 7:661 BW Pro, omdat die maatstaf toegeschreven lijkt op korte momenten van onvoorzichtigheid, waarin vaak impulsief of routinematig wordt gehandeld zonder een juiste risicoafweging te maken. Dat criterium is minder geschikt voor schade veroorzaakt door gedragingen die zich over een langere periode uitstrekken (zie ook hierna in 2.18).
City Tax/ […](over de juistheid waarvan in het Hoge Raad arrest niet wordt gerept) is ontleend aan het vervoersrecht [47] , maar niet 100% spoort met de vervoersrechtelijke zogenoemde “drie elementen van Strikwerda” [48] , waarbij hij vervolgens ook een parallel ziet met het verzekeringsrechtelijke begrip “merkelijke schuld” in art. 294 (oud) WvK. Daar zit vervolgens dan dit verschil in: bewust roekeloos is een handeling als de betrokkenen zich van de aanmerkelijke kans op schade daadwerkelijk bewust was, terwijl voor merkelijke schuld voldoende is dat naar objectieve maatstaven betrokkene zich van dat gevaar bewust had behoren te zijn. Door deze mix van niet consequent doorgevoerde lijnen uit deze verschillende rechtsgebieden ontstaat geen helder beeld.
City Tax/ […]wordt dit onderbouwd met het argument dat beide bepalingen uitgaan van
dezelfde beschermingsgedachte, maar daar zijn vraagtekens bij te plaatsen, zoals we hiervoor al zagen in 2.16. Art. 7:658 BW Pro staat in de sleutel van de zorgplicht van de werkgever voor een veilige werkomgeving en dus het voorkomen dat een werknemer in de uitvoering van zijn werkzaamheden schade lijdt, waarbij het ervaringsfeit een rol speelt dat werknemers niet altijd de zorgvuldigheid in acht nemen die mogelijk geraden is, zeker niet bij routinematig werk. Dat in die sleutel een strengere aansprakelijkheidsnorm voor werknemersaansprakelijkheid wordt gehanteerd, waarbij bovendien eigen schuld is geëcarteerd, verbaast niet. Tegen deze achtergrond is bij art. 7:658 BW Pro een subjectieve benadering goed te begrijpen. Beter dan bij art. 7:661 BW Pro, waar de bewuste roekeloosheid niet in de sleutel van de zorgplicht van de werkgever staat. De gedachte achter art. 7:661 BW Pro houdt verband met de vraag voor wiens risico fouten van de werknemer tijdens het verrichten van werkzaamheden moet komen. Het beschermt de werknemer tegen aansprakelijkheden die zijn ontstaan door en in de uitoefening van zijn werk, die de hoogte van zijn beloning vaak zullen overstijgen. Maar buiten die context, bijvoorbeeld in een geval als in onze zaak, hetzelfde strenge criterium hanteren, spreekt niet aanstonds aan en dat zit in het verschil tussen beide beschermingsgedachten [51] .
City Tax/ […]) en schade veroorzaakt over langere periodes [55] .
TPG/AbvaKabo [57] al eens deze behartenswaardige woorden gesproken:
[…] /Noordhollandsche,althans in de sleutel van
[…] /Expres:
sealbagsmet geld onbeheerd had achtergelaten, oordeelde het Amsterdamse hof dat sprake was van bewuste roekeloosheid, zonder te beoordelen of de werknemer zich daadwerkelijk van de aanmerkelijke kans op schade bewust is geweest. Het hof stapt over deze toets heen door te overwegen dat de werknemer zelf onvoldoende heeft gesteld waaruit kan voortvloeien dat geen sprake is van bewuste roekeloosheid (een oordeel dat mogelijk op gespannen voet staat met de stelplicht- en bewijslastverdeling uit art. 7:661 BW Pro, maar een andere lezing is dat aansluiting is gezocht bij de stelplichtregel uit
[…] /Expresen/of mogelijk past het in de leer van
[…] /Noordhollandscheals die kan worden doorgetrokken als door Hartlief bepleit) [61] :
[…] /Noordhollandsche.
City Tax/ […] -soep niet zo heet te eten als deze wordt opgediend. Er zijn objectiveringsmogelijkheden naar gelang de rol van de beschermingsgedachte een minder aansprekende rol speelt (conform de visie van Laagland), of op grond van feiten en omstandigheden naar analogie van
[…] /Noordhollandsche(zoals bepleit door Hartlief), hetgeen ook al tot uitdrukking komt in lagere rechtspraak.
3.Bespreking van het cassatieberoep
klacht onder ais gericht tegen rov. 5.4 van het tussenarrest, waarin het hof overweegt dat van bewust roekeloos handelen in de zin van art. 7:661 lid 1 BW Pro (en art. 1.17 CAO) slechts sprake is indien de werknemer zich van het roekeloos karakter van de gedraging daadwerkelijk bewust is geweest, zij het dat deze (subjectieve) bewustheid wel enigszins mag worden geobjectiveerd, en dat de werknemer een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. De klacht is dat dit onjuist is of onvoldoende gemotiveerd. De toetsing is volgens het subonderdeel of de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan de gewraakte handeling zich van het roekeloze karakter van zijn handeling bewust is geweest, hetgeen vervolgens in zoverre kan worden geobjectiveerd dat die ‘state of mind’ uit objectieve gedragingen voorafgaand aan het schadetoebrengende handelen kan worden afgeleid.
klacht onder bis dat de klacht uit a doorwerkt in rov. 5.5 t/m 5.8 van het tussenarrest, omdat het hof daar nergens rechtsfeiten vaststelt op grond waarvan objectief kan worden vastgesteld dat [eiseres] voorafgaand aan de gewraakte handelingen zich daadwerkelijk bewust is geweest van de roekeloosheid van haar gedragingen en daarmee zich van de aanmerkelijke kans op de door WU gestelde schade daadwerkelijk bewust is geweest.
City Tax/ […]in de sleutel staat van art. 7:658 BW Pro. We zagen in de inleiding al (vgl. 2.16 bij de bespreking van de kritiek van Schouten en in 2.18) dat het betreffende criterium bij uitstek leest op (arbeids)ongevallen die veroorzaakt worden door korte momenten van onvoorzichtigheid. De letterlijke maatstaf uit
City Tax/ […]is minder goed toepasbaar in een geval als het onze, waar het gaat om een samenstel van gedragingen over een langere periode. Wanneer de regel uit
City Tax/ […]op zo’n geval wordt toegepast, dan gaat het er volgens mij om of de werknemer zich gedurende het doen van dit samenstel van gedragingen daadwerkelijk bewust is geweest van het roekeloze karakter van zijn of haar gedraging. Dit kan in zo’n geval ook een meer geleidelijk proces zijn.
City Tax/ […], zoals besproken in de inleiding (langs de lijnen aangegeven door Hartlief en Laagland). Dus ja, er is ruimte voor objectivering in een geval als dit waar werknemersbescherming als ratio naar de achtergrond verdwijnt – de beschermingsgedachte lijkt mij hier geen rol van betekenis te kunnen spelen, nu hier een verdoezelende constructie is opgezet die de kernsubsidieverstrekkingsvoorwaarde ondermijnt en wel nota bene zowel ten koste van als op kosten van de WU (lijn Laagland). Of anders gezegd: op grond van de gesignaleerde feiten rond de voucherconstructie is er sprake van feiten en omstandigheden die het subjectieve bewustzijn objectief inkleuren (lijn Hartlief). Dat lijkt mij een visie die ook al in de lagere rechtspraak wortel heeft geschoten, zoals we hebben gezien in 2.20. Dat dan wel als ondergrens in de ogen van het hof over moet blijven dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid wil uit een dergelijke (uitvoerig gemotiveerde) objectieve inkleuring subjectief bewustzijn kunnen worden afgeleid vereist voor bewuste roekeloosheid, is gelet op de besproken historische maatstaf van ernstige verwijtbaarheid mogelijk een minder gelukkige woordkeuze van het hof, maar dat wil niet zeggen dat het hof alleen maar ernstige verwijtbaarheid “sec”, dus een lagere drempel, heeft getoetst. In mijn ogen lopen de klachten hierop stuk.
City Tax/ […]aanleiding om de gesignaleerde objectivering (bijvoorbeeld voor “niet ongevallen” zaken als de onze) voor art. 7:661 BW Pro te nuanceren door een soepeler criterium te formuleren. Dat zou mogelijk de rechtseenheid ten goede kunnen komen. Maar de beschreven objectiveringslijnen volgend bereikt men in mijn ogen een vergelijkbaar resultaat, dus urgent lijkt mij een dergelijk ingrijpen niet. De lagere rechtspraak blijkt er op dit moment immers voldoende mee uit de voeten te kunnen, zoals we hebben gezien in 2.20.
subonderdelen 2.1.VII en 2.1.VIIIen bespreek ik hierna gezamenlijk daarmee. De tweede klacht heeft te maken met de rov. 5.6 bedoelde handgeschreven notities van [eiseres] en deze bespreek ik eerst.
tweede klacht uit subonderdeel 2.1-IIregardeert het oordeel in rov. 5.6 van het tussenarrest dat uit handgeschreven notities van [eiseres] zou blijken dat zij zich ervan bewust zou zijn geweest dat de voucherconstructie onrechtmatig was. De klacht is dat het hof miskent dat het moet gaan om een “state of mind” onmiddellijk voorafgaand aan de gewraakte handelingen. Tijdens de comparitie van partijen is door [eiseres] verklaard dat de notities in het voorjaar van 2010 zijn opgesteld, dus dateren van nadat de gewraakte handelingen hebben plaatsgevonden. Mocht dit niet zijn miskend, dan is geen inzicht gegeven in de gedachtegang ten aanzien van deze voor de beoordeling van art. 7:661 BW Pro essentiële stelling. Indien het hof ervan is uitgegaan dat de notities wel eerder zouden zijn opgesteld, is art. 149 Rv Pro miskend, of is sprake van onvoldoende motivering.
eerste deel van subonderdeel 2.1-II en subonderdelen 2.1-VII en VIIIhouden verband met stellingen van [eiseres] over de rol van de afdeling F&C en de bedrijfscultuur van creatief boekhouden [64] .
eerste klacht van subonderdeel 2.1-IIis dat het hof deze stellingen ten onrechte onbesproken laat in rov. 5.6, zodat het hof niet zonder nadere motivering de conclusie kon trekken dat [eiseres] de werkelijke constructie voor WU verbogen hield. Het hof kon evenmin de conclusie trekken dat [eiseres] zich onmiddellijk voorafgaand aan de gewraakte handelingen van de roekeloosheid van de gedraging bewust moet zijn geweest. Als de constructie binnen WU immers een gebruikelijke gang van zaken was, geïnitieerd door de afdeling F&C, dan volgt daaruit dat [eiseres] zich van geen kwaad bewust was en dat ook niet hoefde te zijn. Deze klacht raakt ook rov 2.12 van het eindarrest, waar het hof op rov. 5.6 van het tussenarrest voortbouwt.
en passantopmerkt dat [eiseres] roekeloos fraudeerde, dat WU de gestelde cultuur van creatief boekhouden voldoende heeft weersproken, dat de stelplicht en bewijslast daarvan op [eiseres] rusten en dat er geen voldoende concreet bewijsaanbod is gedaan. De klacht is dat het hof miskent dat de stelplicht en bewijslast van bewuste roekeloosheid bij art. 7:661 BW Pro niet op [eiseres] maar op WU rust. [eiseres] heeft de hiervoor aangehaalde stellingen over de afdeling F&C en de bedrijfscultuur volgens de klacht aangevoerd als verweer tegen de stelling dat zij zich onmiddellijk voorafgaand aan haar handelen van de roekeloosheid van de handeling bewust is geweest. Ook uit het oordeel in rov 2.12 van het eindarrest, dat WU de gestelde cultuur van creatief boekhouden voldoende heeft weersproken, volgt dat het hof uitgaat van een onjuiste bewijslastverdeling.
nergens concreet uitgewerktin de sleutel van art. 7:661 BW Pro, overal uitsluitend in de setting van art. 6:101/109 BW, zoals ik hierna zal onderbouwen. Ik acht het dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof dat ene zinnetje kennelijk te mager vindt en de situatie rond F&C en het punt van het beweerdelijke creatieve boekhouden alleen beoordeelt in de sleutel van art. 6:101 BW Pro.
matigingin MvG 109, althans (MvG 110) “dat sprake is van
eigen schuldaan de zijde van WU ex artikel 6:101 BW Pro. [eiseres] stelt zich verder op het standpunt dat ex artikel 6:109 BW Pro er aanleiding bestaat over te gaan tot
matiging. [eiseres] zal
deze twee gronden voor eigen schuld respectievelijk matiging als volgt nader uitwerken.” (cursivering A-G). Die aldus gekaderde nadere uitwerking als toelichting op grief II volgt in MvG 111-129 onder de kopjes “Eigen schuld ex. artikel 6:101 BW Pro”, “Cultuur” , “Vouchers”, “Matiging ex artikel 6:109 BW Pro”.
eerste deel van subonderdeel 2.1-II en subonderdelen 2.1-VII en VIII) al grotendeels op af.
strafprocesdat tegen haar is gevoerd ter zake dezelfde feiten
een strafbeschikking geaccepteerd. Daarmee heeft zij strafrechtelijk
schuld bekendaan de aan haar verweten gedragingen. Dit betekent dat de gedragingen van [eiseres] strafrechtelijk gezien zijn veroordeeld, zij deze veroordeling heeft geaccepteerd en de gedragingen derhalve heeft erkend. Het past dan ook niet dat [eiseres] ten overstaande van Uw Hof beweert dat er geen sprake was van opzet en bewuste roekeloosheid, terwijl zij strafrechtelijk gezien heeft erkend dat zij volledig fout is geweest en administratiefrechtelijk door de hoogste instantie is veroordeeld tot de zwaarst mogelijke sanctie van strafontslag.”
ne bis in idem-werking (art. 255a lid 1 Sv) [67] . Uit de MvA bij de zogenaamde Wet OM-afdoening (waarmee de strafbeschikking is geïntroduceerd) volgt bovendien dat de strafbeschikking op een
schuldvaststellingberust [68] :
out of pocketnaar [de stichting] is gegaan, terwijl WU dat bedrag in de tweede hypothetische situatie niet had hoeven betalen. In het kader van een vaststellingsovereenkomst heeft [de stichting] al € 447.666 voldaan, zodat voor [eiseres] een schade resteert van € 35.587 in hoofdsom.
daarmee onderdeel van de berekening van het schadebedrag volgens hypothese 2:
ECC/CellOne [86] :
ECC/CellOneniet met zoveel woorden dat gekeken moet worden naar het dictum en het petitum. Maar het hofoordeel tot compensatie in die zaak wordt wel gecasseerd “omdat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in beginsel in de kosten dient te worden veroordeeld, tenzij de rechter op enige in de wet genoemde grond gemotiveerd van oordeel is dat op deze regel een uitzondering dient te worden gemaakt”. De zaak is vervolgens afgedaan door alsnog de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te veroordelen.
Thijssen/Van den Brand en Van Oort [87] in 1998, te weten dat de feitenrechter zich bij de met feitelijke waarderingen verweven beoordeling wie van partijen in overwegende mate in het ongelijk is gesteld, niet uitsluitend behoeft te laten leiden door de totale omvang van de bedragen waarvoor hij ten gunste of ten nadele van elk van de partijen heeft beslist, maar ook betekenis kan toekennen bijvoorbeeld aan de vraag ten nadele van wie hij op het hoofdpunt van het geschil heeft beslist. Dat lijkt mij leidend voor onze zaak.
[…] / […] [88] over het gelijk in de procedure wanneer in hoger beroep de afwijzing van een vordering in eerste aanleg wordt bekrachtigd, maar op andere gronden [89] :
Thijssen/Van den Brand en Van Oort. Het hof kon in de omstandigheden van onze zaak volgens mij terecht oordelen dat [eiseres] als de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen. Het is geen schadestaatprocedure waarin maar een fractie is toegewezen of een “postjes”-zaak waarin van de 100 posten maar 35 worden toegewezen, waarin een rechter proceskosten kan compenseren.
[…] /Maatschappij van welstand [90] , waarin is geoordeeld dat de maximale spreektijd voor het mondeling pleidooi niet kan dienen als maatstaf voor de omvang van schriftelijke pleitnotities, nu aan die maximale spreektijd (ook) organisatorische overwegingen ten grondslag liggen die niet gelden bij een uitsluitend schriftelijke gedachtewisseling.
inclusief re- of dupliek) en 2) niet is geweigerd om de geformuleerde reden dat indien voorgelezen niet zou zijn voldaan aan de maatstaven die zouden gelden bij een mondeling pleidooi. Dat laatste was wel in
[…] /Maatschappij van welstandaan de orde, maar niet in onze zaak. Geweigerd is blijkens rov. 5.2 in het tussenarrest voorlopig (mede) op de gronden dat sprake is van een verkapte memorie van repliek, strijd met de twee-conclusieregel en strijd met de goede procesorde, waarover [eiseres] vervolgens haar zegje nog mocht doen en heeft gedaan (zodat aan de eisen van hoor- en wederhoor is voldaan) en waarop bij eindarrest gemotiveerd is beslist. Hier ketst deze klacht al op af.