Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt dat de kwalificatie van het bewezenverklaarde als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en onbegrijpelijk is. Blijkens de toelichting ziet de klacht ook op de motivering van deze beslissing.
[slachtoffer]:
[slachtoffer]:
gestoken. Het steken met een dergelijk keukenmes in de onderarm levert naar het oordeel van het hof de aanmerkelijke kans op dat zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. In de onderarm bevinden zich immers kwetsbare en vitale onderdelen, waaronder slagaders. Door [slachtoffer] opzettelijk met een keukenmes in de onderarm te steken heeft de verdachte bewust die aanmerkelijke kans op zwaar letsel aanvaard, zodat de verdachte hierop minst genomen in voorwaardelijke vorm opzet had. Het is niet aan de verdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden. Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
NJ2017/198 m.nt. Rozemond. Daarin was de verdachte veroordeeld wegens een poging tot doodslag, hij had éénmaal met kracht in de buik van het slachtoffer gestoken. Bijzonder was, dat de verdachte door een steekwerend vest dat het slachtoffer droeg heen had gestoken. De enkele als verweer aangevoerde omstandigheid dat de toegebrachte verwonding nadien niet levensbedreigend bleek te zijn omdat het slachtoffer op het moment van steken dat vest droeg, stond volgens Uw Raad niet aan de bewezenverklaring in de weg. Daarbij vervolgde Uw Raad met de overweging dat ‘zo’n bijzondere omstandigheid als het dragen van een steekwerend vest niet onverenigbaar (is) met de voor een poging toereikende vaststelling dat het met kracht steken van een mes in de buikstreek normaal gesproken een aanmerkelijke kans op de dood doet ontstaan’. Relevant is mogelijk ook dat Uw Raad in HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:434 het eerste middel, dat klaagde over de bewijsmotivering van poging tot doodslag, niet besprak. Uit die motivering volgde niet dat de verdachte met kracht had gestoken. [3]
gestoken. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden en kennelijk ook afgeleid dat een bepaalde kracht is uitgeoefend; anders dan in het arrest van 26 maart 2019 ligt in ’s hofs vaststellingen niets besloten dat erop wijst dat het hof het mogelijk acht dat geen kracht is uitgeoefend, althans dat de verdachte zich daar niet van bewust was. In zoverre de steller van het middel uit bewijsmiddelen en bewijsoverweging afleidt dat niet met kracht zou zijn gestoken, meen ik dan ook dat deze lezing geen steun vindt in de vastgestelde feiten.
tweedemiddel klaagt dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder dat het hof in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid. Blijkens de toelichting op het middel wordt betoogd dat als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren is gebracht dat het hof de lezing van de feiten die de verdachte gegeven heeft tot uitgangspunt diende te nemen, nu deze was ‘bevestigd door de getuige [getuige] en aangever op drie verschillende momenten verklaringen af heeft gelegd en deze verklaringen innerlijk tegenstrijdig zijn op essentiële onderdelen, deze verklaringen niet geloofwaardig zijn en niet overeenkomen met de verklaring van’ verdachte en getuige [getuige].
Noodweer (exces)
derdemiddel klaagt dat ‘s hofs verwerping van het beroep op noodweer blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en onbegrijpelijk is.
NJ2016/316, m.nt. Rozemond heeft Uw Raad – voor zover in deze relevant - overwogen (met weglating voetnoten):
NJ2008/233. Daarin had het hof een poging tot doodslag bewezenverklaard. Het hof had vastgesteld dat de verdachte door gedragingen van het slachtoffer ten val was gekomen en op de grond lag, terwijl het slachtoffer bovenop hem zat en hem meermalen in het gezicht sloeg of stompte. De verdachte, die wilde dat zijn belager van hem af ging, heeft deze vervolgens met een opengeklapt zakmes met kracht een diepe steekwond in de rug toegebracht. Uw Raad was van oordeel dat ’s hofs verwerping van het beroep op noodweer niet onbegrijpelijk was, ‘in aanmerking genomen dat (…) de verdachte zich tegen de aanval heeft verdedigd door met kracht een diepe steekwond in de rug van het slachtoffer toe te brengen als gevolg waarvan het slachtoffer verwondingen heeft opgelopen die fataal zouden zijn geweest als het slachtoffer niet tijdig medisch was behandeld, terwijl de aanval op de verdachte bestond uit het slaan met de blote hand dan wel vuist’. Die zaak wijkt evenwel in een aantal opzichten van de onderhavige af. Zo heeft de verdachte de aangever, nadat deze hem had geslagen, in zijn linkeronderarm gestoken en is een poging tot zware mishandeling bewezenverklaard. Daarbij werd de verdachte in zijn (slaap)kamer met de aangever geconfronteerd.
NJ2018/131 m.nt. Wolswijk, was de verdachte veroordeeld wegens een poging tot zware mishandeling, daarin bestaande dat hij met een mes dichtbij het bovenlichaam van het slachtoffer had gezwaaid en daarbij deze met dat mes in diens bovenlichaam had geraakt. Uit ’s hofs vaststellingen volgde dat het latere slachtoffer de deur van de bovenwoning van de -slapende- verdachte had geforceerd, diens woning was binnengegaan, de verdachte had beetgepakt en tegen het dressoir had gesmeten. Nadat de verdachte zich had aangekleed had het latere slachtoffer hem de trap af getrokken, waarbij hij de verdachte stevig bij zijn shirt hield. Beneden aangekomen had het latere slachtoffer de verdachte vastgehouden. Nadat de verdachte geprobeerd had zich los te trekken en meermalen had geschreeuwd dat zijn belager hem los moest laten, had hij kans gezien het mes te pakken en daarmee een zwaaiende beweging gemaakt. Het hof had het beroep op noodweer verworpen omdat ‘het zich verdedigen van de verdachte tegen het enkel stevig beetgehouden worden’ door het maken van een zwaaiende beweging met een mes in de richting van het bovenlichaam van zijn belager niet proportioneel is. Dat oordeel was volgens Uw Raad niet zonder meer begrijpelijk mede omdat het hof ‘in zijn beoordeling kennelijk alleen heeft betrokken de wederrechtelijke aanranding van de verdachte voor zover deze bestond uit het buiten onderaan de trap stevig vasthouden van de verdachte’, terwijl het hof tevens heeft vastgesteld dat het latere slachtoffer ‘de benedendeur van de woning van de verdachte heeft geforceerd terwijl de verdachte in zijn bovenwoning lag te slapen en in de bovenwoning de verdachte tegen het dressoir heeft gesmeten en de verdachte vervolgens – nadat hij in de gelegenheid was gesteld zich aan te kleden – mee naar beneden moest’ en door het latere slachtoffer ‘die hem stevig bij zijn shirt beet hield, mee de trap af is getrokken’.
NJ2017/250. De 73-jarige verdachte werd thuis door twee mannen belaagd (waarvan één wordt aangeduid als ‘de gorilla’); daarbij vond een worsteling plaats. De verdachte had even later op hen geschoten na eerst met het wapen gedreigd te hebben. Uw Raad leidt uit ’s hofs overwegingen af dat naar ’s hofs oordeel sprake was van een noodweersituatie, maar dat ‘het van dichtbij schieten door de verdachte op het bovenlichaam’ van één van zijn belagers ‘niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de dreigende aanranding’. Dat oordeel was volgens Uw Raad mede in het licht van ’s hofs vaststellingen niet zonder meer begrijpelijk. Uit die vaststellingen blijkt niet dat beide mannen met meer gewapend waren dan hun blote vuisten.
vierdemiddel klaagt over ’s hofs verwerping van het beroep op noodweerexces. ’s Hofs oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en onbegrijpelijk zijn.
BFK: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5417). De rechtbank neemt aan dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging, aangezien de verdachte bang was voor het slachtoffer omdat deze aan een vechtsport doet en groter en breder is en omdat uit een verklaring blijkt dat verdachte in paniek was. Dit betreft een vergelijkbare zaak met onderhavige zaak. Ook cliënt was bang voor aangever, de krachtsverhoudingen waren in het nadeel van cliënt en uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat cliënt boos en overstuur was en zich heeft gedragen op een manier zoals ze nog nooit van hem had gezien.
BFK: Rechtbank Noord-Holland 24 oktober 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:3992). Deze stond woedend, met schuim op de mond, hard schreeuwend en scheldend en met opgeheven hand over de vrouw heen, die als een bang vogeltje op de bank zat. Toen heeft de verdachte hem gestoken met een mes. Deze situatie acht de Rechtbank dermate dreigend dat er sprake was van een noodweersituatie. De disproportionele reactie wordt gezien als het gevolg van een gemoedsbeweging welke door de aanrander is veroorzaakt. De verdachte wordt wegens een geslaagd beroep op noodweerexces ontslagen van alle rechtsvervolging. In onderhavige zaak is cliënt daadwerkelijk aangevallen, meerdere malen geslagen, terwijl hij in de hoek was gedreven. Hierdoor is een hevige gemoedsbeweging ontstaan en heeft hij zich afgeweerd met het mes.
NJ2016/316, m.nt. Rozemond heeft Uw Raad ten aanzien van een beroep op noodweerexces overwogen (met weglating voetnoten):
Noodweerexces