Conclusie
1.Feiten en procesverloop
petitumaan het slot van het verzoekschrift van 14 januari 2020 heeft de officier van justitie, onder verwijzing naar de bijlagen, aan de rechtbank Gelderland verzocht “een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor betrokkene te verlenen”. Daaraan voorafgaand had de officier van justitie ‘voorgesteld’ om de volgende vormen van verplichte zorg in de [machtiging tot] voortzetting van de crisismaatregel op te nemen:
2.Bespreking van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
burgerlijkerechter over vorderingen van de officier van justitie om een machtiging te verlenen tot onvrijwillige opneming van een persoon in een psychiatrisch ziekenhuis. Dat lag voor de hand: toen de Krankzinnigenwet [5] tot stand kwam bestond in Nederland nog geen bestuursrechter. De Krankzinnigenwet, zoals deze is herzien in 1970, [6] ging uit van een rechterlijke machtiging tot voorlopige plaatsing in een krankzinnigengesticht. Deze kon binnen zes maanden worden gevolgd door een verblijfsmachtiging voor de duur van één jaar, die weer kon worden verlengd. Hoger beroep was niet mogelijk (zie art. 17 Kw Pro); beroep in cassatie wel. [7]
burgerlijkerechter bevoegd om te beslissen over het verlenen van een machtiging tot opneming en verblijf van een persoon in een psychiatrisch ziekenhuis. Toen de herziening van de rechterlijke organisatie in 2002 meebracht dat de rechtbanken naast strafzaken en burgerlijke zaken ook bestuursrechtelijke zaken gingen behandelen, werd in art. 1 lid 4 Wet Pro Bopz uitdrukkelijk bepaald dat voor toepassing van deze wet onder ‘rechter’ wordt verstaan: de enkelvoudige of meervoudige kamer van de rechtbank voor het behandelen en beslissen van burgerlijke zaken. [10] Ook het beroep tegen op grond van de Wet Bopz genomen besluiten van een bestuursorgaan als de geneesheer-directeur werd behandeld door de burgerlijke rechter. [11]
lex generalis, waarvan een bijzondere wet (
lex specialis) kan afwijken. [15] De behandeling van verzoekschriften in burgerlijke zaken in cassatie is geregeld in de elfde titel van boek 1, de artikelen 426 e.v. Rv.
burgerlijkerechter is bevoegd om te beslissen op een verzoekschrift van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging of, zoals in dit geval, tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. [18] Dat de burgerlijke rechter niet met zoveel woorden in hoofdstuk 1 Wvggz wordt genoemd valt te verklaren met het feit dat in art. 2.3 Wet forensische zorg ook de strafrechter bevoegd is verklaard om in bepaalde gevallen een zorgmachtiging te verlenen. De bestuursrechter is daartoe in geen geval bevoegd. [19]
lex generalis) moeten wijken voor de procesrechtelijke bepalingen in de Wvggz die (als
lex specialis) daarvan uitdrukkelijk afwijken, betekent niet dat de regels voor de verzoekschriftprocedure in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in Wvggz-zaken slechts van toepassing zouden zijn indien en voor zover de Wvggz daarnaar verwijst. Zelfs wanneer wordt uitgegaan van de (onjuiste) veronderstelling dat een uitdrukkelijke verwijzing naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nodig is, blijkt nergens waarom de wetgever wel voor de zorgmachtiging daarnaar verwijst in het tiende lid van artikel 6:1, maar niet in het zevende hoofdstuk van de Wvggz. Dijkers is van mening dat hier sprake is van een omissie van de wetgever. [25]
De procedure is overeenkomstig het huidig bepaalde in de Wbopz voor de procedure voor een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. (…) [27]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel I: onderzoek door een onafhankelijke psychiater?
objective medical expertise’is in de jurisprudentie van het EHRM over art. 5, lid 1 onder e, EVRM uitgelegd als volgt:
emergency cases”). Onder de Wet Bopz heeft de Hoge Raad het mogelijk geacht dat indien een (niet bij de behandeling betrokken) psychiater niet beschikbaar is, de burgemeester bij het uitvaardigen van een last tot inbewaringstelling genoegen mag nemen met een geneeskundige verklaring van een andere arts, mits binnen korte tijd – in de regel: binnen 24 uur – de patiënt alsnog door een niet bij de behandeling betrokken psychiater wordt onderzocht. [39]
Ten eerstede klacht dat de rechtbank (in rov. 3.4) een onjuiste maatstaf hanteert waar zij overweegt dat de in de crisismaatregel genoemde vormen van verplichte zorg noodzakelijk zijn om ernstig nadeel af te wenden. Volgens de rechtsklacht had de rechtbank voor iedere vorm van zorg afzonderlijk – dus ook ten aanzien van ‘het toedienen van vocht en voeding’ en ten aanzien van ‘het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen’ − moeten onderzoeken of het gaat om
onmiddellijk dreigendernstig nadeel.
onmiddellijk dreigendernstig nadeel (art. 7:1 lid 1 Wvggz Pro). Dat is nu eenmaal het verschil tussen een crisismaatregel en, anderzijds, een ‘gewone’ zorgmachtiging. Voor een zorgmachtiging vereist art. 3:3 in Pro verbinding met art. 6:4 lid 1 Wvggz Pro dat het gedrag van de betrokken persoon als gevolg van zijn psychische stoornis (…) tot ernstig nadeel leidt. [46]
voorafbeslist welke verplichte zorg is toegestaan. Dan moet duidelijk zijn om welke zorg het gaat. In het nieuwe stelsel worden, om zo te zeggen, drie cirkels getrokken. De
buitenste cirkelis de wettelijke omschrijving van verplichte zorg in art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro. Die omschrijving is limitatief: de burgemeester of de rechter mag geen machtiging verlenen voor andere vormen van verplichte zorg dan in die wettelijke bepaling omschreven. Deze wettelijke maatstaf geldt voor iedere patiënt. De
middelste cirkelregelt welke verplichte zorg aan deze individuele patiënt mag worden verleend. Die maatstaf wordt door de burgemeester, onderscheidenlijk door de rechter, vooraf bepaald voor een bepaald tijdvak. De behandelende artsen en andere zorgverleners mogen in dat tijdvak geen andere vormen van verplichte zorg verlenen dan die waarvoor de crisismaatregel, respectievelijk de machtiging, ruimte biedt. [49] De
binnenste cirkelwordt bepaald door de beslissing van de behandelend psychiater (‘zorgverantwoordelijke’), die van dag tot dag beslist welke verplichte zorg (dwangbehandeling) concreet aan de patiënt wordt gegeven.
machtigingtot het verlenen van verplichte zorg, niet een
bevel. De ten behoeve van de rechtbank uitgebrachte medische verklaring moet daarom gericht zijn op de vraag welke vormen van verplichte zorg
ten hoogsteaan de betrokkene mogen worden gegeven gedurende de looptijd van de te verlenen machtiging. In dit verband wijs ik op art. 8:9 Wvggz Pro, dat voorschrijft dat de behandelend psychiater (de ‘zorgverantwoordelijke’) ter uitvoering van de machtiging zélf de beslissing neemt tot het verlenen van verplichte zorg. Over die uitvoeringsbeslissing kan de betrokken patiënt achteraf klagen op de voet van art. 10:3 Wvggz Pro. [52]
onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Voor andere vormen van zorg dan genoemd in art. 3:2 lid 2 Wvggz Pro kan geen crisismaatregel worden uitgevaardigd. Ingevolge art. 7:2, lid 1 onder a, Wvggz vermeldt de burgemeester in de crisismaatregel “de zorg die noodzakelijk is om de crisissituatie af te wenden”. Op de voet van art. 7:7 en Pro 7:8 Wvggz bepaalt de rechter in een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel welke vorm van verplichte zorg ten hoogste mag worden verleend gedurende de looptijd van de machtiging. [54] De behandelend psychiater bepaalt welke zorg concreet wordt verstrekt binnen het door de machtiging bepaalde kader. In bovengenoemd voorbeeld (verplichte zorg in de vorm van ‘medicatie’) is de zorgverantwoordelijke degene die bepaalt: welk geneesmiddel precies, welke dosering en welke wijze van toedienen. Anders dan bij een verzoekschrift tot het verlenen van een zorgmachtiging (art. 5:17 lid 3 Wvggz Pro), behoeft de officier van justitie bij het verzoekschrift tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel geen zorgplan aan de rechtbank over te leggen (zie art. 7:8 lid 2 Wvggz Pro). In deze vroege fase is dikwijls nog geen zorgplan vastgesteld.
binnenelk van de in het tweede lid van art. 3:2 Wvggz Pro genoemde soorten verplichte zorg een verdere uitsplitsing had kunnen maken. Stel, dat een patiënt zich niet verzet tegen het toedienen van vocht en voeding – genoemd in het tweede lid achter letter a – en zich wel verzet tegen de andere vormen van verplichte zorg die achter letter a zijn genoemd, mag de rechtbank dan machtiging verlenen tot voortzetting van een crisismaatregel die
allein het tweede lid van art. 3:2 achter Pro letter a genoemde soorten van zorg omvat? Zo ja, had de rechtbank dat dan nader moeten motiveren?
limitatieveopsomming van mogelijke vormen van verplichte zorg. Voor zover van belang voor dit geschil vermeldt de toelichting het volgende: [56]
magworden verleend. Indien de rechter het verzoek van de officier van justitie geheel mag afwijzen, mag de rechter het verzoek ook voor een gedeelte afwijzen. De rechtbank kan binnen elk van de soorten van verplichte zorg, genoemd onder a in het tweede lid van art. 3:2 Wvggz Pro, een nadere uitsplitsing maken. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de rechter een zorgmachtiging of een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel verleent die wel ‘medicatie’ omvat, maar niet ‘toediening van vocht en voedsel’. Het behoeft geen betoog dat de wettelijke omschrijving van de mogelijke verplichte zorg in het tweede lid van art. 3:2 Wvggz Pro niet mag verworden tot een bed van
Procrusteswaaraan de patiënt moet worden aangepast.
tijdelijketoepassing van andere vormen van verplichte zorg dan genoemd in de machtiging, ‘voor zover dit tijdelijk ter afwending van een noodsituatie noodzakelijk is’.
maximaaltoelaatbaar is, hoort de rechter (…) niet directief te zijn. Hij moet slechts hetzij zijn fiat verlenen, hetzij dat geheel of gedeeltelijk weigeren. In een geval dat het verzoek door de ontwikkelingen blijkt te zijn ingehaald, ligt het op de weg van het OM om dit te wijzigen.
petitumin een dagvaarding, verzoekschrift of andere procesinleiding komt in het burgerlijk procesrecht vaker voor dan men op het eerste gezicht zou denken. Meestal gaat het dan om gevallen waarin primair een bepaald bedrag is gevorderd of een bepaalde ingangsdatum is gehanteerd en daaraan subsidiair wordt toegevoegd: ‘of een zodanig bedrag (onderscheidenlijk: zodanige ingangsdatum) als de rechtbank vermeent te behoren’. Soms wordt ter afsluiting van het petitum een open formulering gebruikt. [67] In zulke gevallen zal weinig twijfel bestaan over inhoud en strekking van de vordering of het verzoek. Zo nodig kan de rechter of de wederpartij tijdens de procedure daarnaar vragen. De grens aan de formulering van een vordering of verzoek wordt uiteindelijk bepaald door het verdedigingsbeginsel: de wederpartij moet kunnen begrijpen waartegen zij zich heeft te verdedigen. De toelichting op dit middelonderdeel (onder 3.4) spreekt in dit verband over “het beginsel van behoorlijke rechtspleging” en over “het onpartijdigheidsbeginsel”.
ex nunc) moet oordelen welke verplichte zorg mag worden verleend in het toekomstige tijdvak waarvoor de machtiging wordt verleend. Nu deze rechtsvraag aan de orde is in een andere bij de Hoge Raad aanhangige procedure, onthoud ik mij op deze plaats van een oordeel.