Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2008:BD4375

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01827
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 1 EVRMArt. 20 Wet BopzArt. 21 Wet BopzArt. 27 Wet BopzArt. 29 lid 5 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling eisen aan geneeskundige verklaring bij voortzetting inbewaringstelling psychiatrische patiënt

In deze zaak stond de voortzetting van een inbewaringstelling op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) centraal. De burgemeester van Delft had een last tot inbewaringstelling gegeven en de officier van justitie verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortzetting hiervan. De rechtbank verleende deze machtiging, waarna betrokkene beroep in cassatie instelde tegen deze beschikking.

Het cassatieberoep richtte zich op de vraag of de rechtbank haar beslissing mocht baseren op een geneeskundige verklaring die niet was opgesteld door een specialist die betrokkene persoonlijk had onderzocht. De Hoge Raad stelde vast dat volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e) een dergelijke verklaring vereist is om het grondrecht op vrijheid te waarborgen.

De Hoge Raad oordeelde dat de geneeskundige verklaring die bij het verzoek tot voortzetting van inbewaringstelling moet worden overgelegd, moet zijn opgesteld door een niet-behandelend psychiater die betrokkene persoonlijk heeft onderzocht. Een verklaring van een arts die geen psychiater is, is ontoereikend, tenzij in noodsituaties. Hoewel het beroep ontvankelijk was, werd betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat de geldigheidsduur van de machtiging was verstreken.

Deze uitspraak verduidelijkt de eisen aan medische verklaringen bij vrijheidsontneming van psychiatrische patiënten en benadrukt de bescherming van het grondrecht op vrijheid volgens het EVRM.

Uitkomst: Betrokkene werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van belang na het verstrijken van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling.

Uitspraak

26 september 2008
Eerste Kamer
08/01827
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. O.C. Bondam,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT 'S-GRAVENHAGE,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Bij beschikking van de burgemeester van Delft van 7 april 2008 is ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling gegeven als bedoeld in art. 20 Wet Pro Bopz.
De officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft op 8 april 2008 onder overlegging van voornoemde beschikking van de burgemeester en een geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 21 Wet Pro Bopz, een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene.
Nadat de rechtbank betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en de (waarnemend) behandelend arts op 10 april 2008 had gehoord, heeft zij bij beschikking van diezelfde datum de verzochte machtiging verleend.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in zijn cassatieberoep.
De advocaat van de officier van justitie heeft bij brief van 12 juni 2008 op die conclusie gereageerd.
3. Ontvankelijkheid van het beroep
Het beroep is gericht tegen een beschikking op een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Pro Bopz. Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz staat tegen deze beschikking geen gewoon rechtsmiddel open.
Het middel bevat de klacht - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank op het verzoek heeft beslist zonder te beschikken over een geneeskundige verklaring die voldoet aan de eis dat zij is opgesteld door een specialist die betrokkene daartoe persoonlijk heeft onderzocht. Aldus klaagt het middel over het niet inachtnemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald (vgl. HR 21 februari 2003, nr. R03/002, NJ 2003, 484). Die klacht levert een grond op voor doorbreking van het genoemde rechtsmiddelenverbod, zodat cassatieberoep voor betrokkene openstond.
De geldigheidsduur van de door de rechtbank op 10 april 2008 verleende machtiging is echter ingevolge art. 30 Wet Pro Bopz op 1 mei 2008 verstreken, zodat betrokkene geen belang meer heeft bij zijn beroep en om deze reden daarin niet kan worden ontvangen.
4. Verdere overwegingen
4.1 De Hoge Raad ziet nochtans in verband met de in het middel aan de orde gestelde rechtsvraag en de daaromtrent in de rechtspraak en de literatuur bestaande onzekerheid aanleiding het navolgende te overwegen.
4.2 Het middel klaagt, als gezegd, dat de rechtbank op het verzoek heeft beslist zonder te beschikken over een geneeskundige verklaring die voldoet aan de eis dat zij is opgesteld door een specialist die betrokkene daartoe persoonlijk heeft onderzocht. Het gaat ervan uit dat de in art. 27 lid 2 in Pro verbinding met art. 21 Wet Pro Bopz bedoelde geneeskundige verklaring die moet worden overgelegd bij een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Pro Bopz, moet zijn opgemaakt door een niet-behandelend psychiater, en dat een verklaring van een arts, niet zijnde een psychiater, ontoereikend is.
4.3 Hieromtrent wordt het volgende overwogen. De leden 1 en 2 van art. 21 laten Pro de mogelijkheid open dat de burgemeester een inbewaringstelling gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, en wel indien het niet mogelijk is dat een psychiater de verklaring verstrekt. Met inachtneming van de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot vrijheidsontneming van als geestesziek aangemerkte personen (art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de door dat hof gestelde eis van "objective medical expertise" aldus moet worden verstaan dat die - behoudens in noodsituaties - een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de betrokkene door een specialist, dat wil zeggen een psychiater als bedoeld in art. 1 lid Pro 1, aanhef en onder j, Wet Bopz, veronderstelt. In een geval waarin de inbewaringstelling gelast is op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, brengt de bepaling van art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM dan ook mee dat de rechter, onverminderd het bepaalde in art. 29 lid 2 Wet Pro Bopz, een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts mag verlenen na te hebben kennisgenomen van een schriftelijke - dan wel ter zitting mondeling afgelegde en in het proces-verbaal van de zitting te vermelden - verklaring van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht. Het middel is in zoverre gegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 september 2008.