Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
primairestandpunt van onderdeel 1, dat is uitgewerkt in de subonderdelen 1.1-1.5, houdt in dat het verzetvonnis niet kon worden gewezen tegen WG en Rabobank, omdat zij niet zelf in verzet zijn gekomen van het verstekvonnis. Betoogd wordt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzetvonnis, hoewel WG en Rabobank geen verzet hebben ingesteld tegen het verstekvonnis, op de voet van art. 147 lid 1 Rv Pro in verbinding met art. 140 lid 3 Rv Pro toch mede op hen betrekking heeft (rov. 4.2 van het verzetvonnis) en dat de vernietiging van het verstekvonnis op het verzet van Youngray ook de toewijzing van de vordering voor zover gericht tegen WG en de Rabobank moet raken (rov. 4.9 van het verzetvonnis). Het onderdeel klaagt dat het hof het verzetvonnis ambtshalve had moeten vernietigen, omdat het een regel van openbare orde is dat verzet (in ieder geval bij deelbare rechtsverhoudingen) alleen geldt voor een partij die verzet heeft ingesteld en het hof deze regel ambtshalve (en ook buiten de grieven om) had moeten toepassen (
subonderdelen 1.1-1.4). Voor het geval dat deze regel niet van openbare orde zou zijn, klaagt
subonderdeel 1.5dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de grieven heeft gegeven, omdat ACT wel degelijk voldoende kenbaar heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter de werking van het verzet en het verzetvonnis niet mocht laten uitstrekken tot WG en Rabobank. Het
subsidiairestandpunt van onderdeel 1, dat is opgenomen in
subonderdeel 1.6, houdt in dat het hof met zijn oordeel in rov. 2.6 heeft miskend dat Youngray als opposant verplicht was WG en Rabobank in verzet op te roepen, althans dat zij in de verzetprocedure hadden moeten worden betrokken.
geensprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, dat wil zeggen: een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle betrokkenen bij die rechtsverhouding. [22] Het cassatiemiddel komt niet op tegen het in rov. 2.6 gegeven oordeel van het hof dat van een dergelijke rechtsverhouding geen sprake is, maar van subjectieve cumulatie. Bij subjectieve cumulatie (aan de zijde van de gedaagden) is sprake van verschillende, voor afzonderlijke berechting vatbare rechtsvorderingen, die vanwege hun samenhang in één procedure zijn samengevoegd. Deze samenvoeging ontneemt aan de desbetreffende afzonderlijke zaken niet hun zelfstandigheid. [23] Een door een verschenen gedaagde gevoerd en door de rechter aanvaard verweer, strekt dus – in zaken waarin geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding – niet mede ten gunste van de andere (niet verschenen) gedaagde(n). [24] De afzonderlijke zaken kunnen daarom tot van elkaar afwijkende, zelfs tegenstrijdige, beslissingen leiden. [25] In de verzetprocedure geldt mijns inziens niet een ander uitgangspunt. Indien in de verzetprocedure de medegedaagden niet alsnog verschijnen, blijft het tegen hen verleende verzet gehandhaafd en zal de rechter de tegen hen ingestelde vordering moeten toewijzen indien deze hem niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarbij dient de rechter de door de opposant gevoerde verweren buiten beschouwing te laten. Het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1943 lijkt echter van een andere opvatting uit te gaan. De Hoge Raad heeft destijds overwogen dat ‘de wet er hierbij van uitgaat, dat de rechter bij dit vonnis ook den eisch tegen de niet verschenen gedaagden opnieuw zal beoordeelen en, gelet mede op hetgeen door den wel verschenen gedaagde is aangevoerd ten opzichte van hetgeen van hem gevorderd wordt, den eisch tegen de niet verschenenen zal kunnen afwijzen, indien deze den rechter – gelijk art. 76 zegt Pro – onrechtmatig of ongegrond voorkomt’. [26] Naar mijn mening is deze overweging van de Hoge Raad in het licht van bovengenoemd uitgangspunt bij subjectieve cumulatie achterhaald. [27]
onderdeel 1. Uit het voorgaande volgt dat de klachten getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover deze ervan uitgaan dat het verzetvonnis niet – althans niet zonder oproeping/betrokkenheid van de andere niet verschenen medegedaagden – kan gelden als een vonnis op tegenspraak tussen
alle partijen.
subonderdeel 2.1is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van het betoog van ACT dat de documenten zouden zijn teruggestuurd als er
geenovereenkomst was gekomen tussen ACT en WG over de betaling en er wel een overeenkomst is gekomen tussen ACT en WG die recht geeft op de documenten, op welk betoog het hof niet (kenbaar) is ingegaan.
Subonderdeel 2.2betoogt dat het oordeel in rov. 2.14 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof daarmee heeft miskend dat het ACT en WG vrijstond om hun koopovereenkomst zo te wijzigen dat ACT op grond van die nadere overeenkomst recht kreeg op de documenten en dat het er niet toe doet of Youngray aan die overeenkomst is gebonden. Voorts klaagt het subonderdeel dat het kennelijke uitgangspunt van het hof dat de positie van Youngray als begunstigde van de l/c relevant is voor het recht van ACT op de documenten, niet begrijpelijk is in het licht van het betoog van ACT dat de documenten niet-conform waren, dat zij geen contractuele relatie had met Youngray en dat Youngray bij gebreke van conforme documenten geen recht had op betaling onder de l/c. Het subonderdeel is ook gericht tegen rov. 2.9, voor zover de bestreden gebreken ook aan die overweging kleven.