Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de oproeping van verweerders
4.Beslissing
20 april 2018.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieprocedure over de verdeling van de nalatenschappen van de vader en moeder van zeven kinderen, waarbij geschillen zijn ontstaan tussen de erfgenamen. De rechtbank en het hof hebben eerder uitspraken gedaan over de vaststelling van de verdeling en het niet-ontvankelijk verklaren van eiser in hoger beroep tegen enkele mede-erfgenamen.
De Hoge Raad overweegt dat bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding, zoals bij de verdeling van een nalatenschap, alle betrokken partijen in het geding moeten zijn om een bindende beslissing te kunnen geven. Dit geldt ook in cassatie. Hoewel eiser in hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard tegen enkele mede-erfgenamen en hij daartegen geen klachten heeft ingediend, blijft hij verplicht deze partijen in cassatie op te roepen.
De Hoge Raad geeft eiser daarom de gelegenheid om binnen twee weken de procesinleiding en het arrest bij exploot te betekenen aan de betreffende mede-erfgenamen en hen op te roepen om uiterlijk vier weken na heden in de procedure te verschijnen, vertegenwoordigd door een advocaat. De oproeping dient te geschieden conform de regels van digitaal procederen in cassatie (art. 30g Rv).
Uitkomst: Eiser krijgt gelegenheid om mede-erfgenamen binnen twee weken op te roepen als partijen in de digitale cassatieprocedure.