Conclusie
1.Overzicht
certificat d’exploitationen een eveneens door Luxemburg afgegeven en eveneens onjuiste, op de niet-toepasselijke Vo. 1408/71 gebaseerde E101-verklaring die ten onrechte Luxemburg aanwees als Staat wiens sociale-zekerheidsstelsel van toepassing zou zijn.
certificat d’exploitantgeen Rijnvaartverklaring is, moet voor de perioden zonder Rijnvaartverklaring feitelijk worden beoordeeld wie de scheepsexploitant is en waar zich diens zetel bevindt. Het Hof achtte niet aannemelijk dat het Luxemburgse uitzendbureau in plaats van de scheepseigenaar de exploitant was en hij achtte de ongeldige, op de niet-toepasselijke Vo. 1408/71 gebaseerde Luxemburgse E101-verklaring niet bindend voor ander lidstaten, gegeven het HvJ EU-arrest
X en Van Dijk. Van door Nederland gewekt vertrouwen dat Nederland niet bevoegd zou zijn, achtte het Hof geen sprake omdat Nederland niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen de bij hem niet bekende afgifte door Luxemburg van verklaringen waarin het RV niet voorziet. Evenmin zag het Hof strijd met het beginsel van loyale samenwerking ex art. 4(3) VEU of gebrek aan effectieve rechtsbescherming. Het Hof heeft wel vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.
zes cassatiemiddelenvoor: het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat (i) de Inspecteur zelfstandig bevoegd is het toepasselijke sociaal verzekeringsrecht vast te stellen; (ii) de belastingrechter niet materieel kan toetsen of belanghebbende verzekerings- en premieplichtig was in Nederland; (iii) het uitzendbureau in Luxemburg geen scheepsexploitant is en belanghebbende daarom verzekerd en premieplichtig is in Nederland; (iv) de Luxemburgse E101-verklaring geen betekenis heeft; (v) effectieve rechtsbescherming niet ontbreekt, en (iv) de redelijke termijn niet is overschreden.
middel (iv)stelt,
X en Van Dijken HR BNB 2016/101 vast dat de Luxemburgse E101-verklaring ongeldig en onjuist is en irrelevant voor de stelselaanwijzing;
middel (vi)meen ik dat het Hof uw overzichtsarrest over bepaling en gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet verkeerd heeft toegepast.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
certificat d’exploitantafgegeven dat [E] als exploitant vermeldt. Op 10 augustus 2007 is voor [C] aan [D] Vof als eigenaar een Rijnvaartverklaring verstrekt die [E] als exploitant vermeldt. Voor [F] is op 12 december 2008 aan [G] B.V. als eigenaar een Rijnvaartverklaring afgegeven die geen exploitant vermeldt.
tribunal administratifheeft op 16 juni 2010 geoordeeld dat [E] geen scheepsexploitant is. De Luxemburgse regering heeft daarop bij brief van 3 oktober 2011 de Nederlandse scheepsregistratie verwittigd dat de
certificats d'exploitantten name van [E] zijn ingetrokken. De Luxemburgse sociale-verzekeringsautoriteit heeft op 19 december 2011 ook de Svb ingelicht dat [E] niet als exploitant kan worden aangemerkt.
X en Van Dijk(zie onderdeel 5.4 van de bijlage; PJW); (iv) geen rechtsregel de Inspecteur verplicht om vóór aanslagoplegging contact op te nemen met Luxemburg of met de Svb voor afstemmingsprocedures; (v) bij ontbreken van een geldige Rijnvaartverklaring materieel moet worden beoordeeld waar de zetel van de scheepsexploitant bedoeld in art. 11(2) Rijnvarendenverdrag [2] (RV; zie onderdeel 4.A van de bijlage) zich bevindt en (vi) de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schepen waarop hij in de geschilperioden werkte voor rekening en risico van [E] werden geëxploiteerd, mede gegeven dat (a) het Luxemburgse
tribunal administratifheeft geoordeeld dat [E] geen scheepsexploitant is, (b) in 2011 alle
certificats d’exploitantten name van [E] zijn ingetrokken, (c) de Luxemburgse bevoegde autoriteit op 19 december 2011 de Nederlandse Svb heeft geïnformeerd dat [E] geen scheepsexploitant is omdat zij uitsluitend personeel uitleende en de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot het commerciële en economische management niet bij [E] , maar uitsluitend bij de eigenaar van de schepen ligt.
certificat d’exploitantgeen Rijnvaartverklaring is en de op 1 september 1999 voor [C] afgegeven en de op 12 december 2008 voor [F] afgegeven Rijnvaartverklaringen geen exploitant vermelden, moet feitelijk worden beoordeeld wie voor de toepassing van art. 11(2) RV exploitant was en waar zich diens zetel bevond. Ook het Hof achtte niet aannemelijk gemaakt dat [E] exploitant was en ook het Hof achtte de ongeldige, op de niet-toepasselijke Vo. 1408/71 gebaseerde Luxemburgse E101-verklaring niet bindend voor ander lidstaten. Het RV bood volgens het Hof evenmin grond voor een beroep op gewekt vertrouwen omdat Nederland niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen de bij hem niet bekende afgifte door Luxemburg van verklaringen waarin het RV niet voorziet. Van strijd met het beginsel van loyale samenwerking ex art. 4(3) VEU en gebrek aan effectieve rechtsbescherming is volgens het Hof evenmin sprake. Het Hof heeft wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend:
3.Het geding in cassatie
BNB2013/257 (onderdeel 5.11 van de bijlage) dat de vereiste loyale samenwerking (art. 4(3) VEU) niet is geschonden, miskent het Hof dat de lidstaten zich ook onder het RV te goeder trouw jegens elkaar moeten opstellen en dat Nederland in het kader van het RV en diens doelstellingen verplicht is, zeker nu de E101-verklaring Luxemburg aanwijst, om in overleg met Luxemburg dubbele premieheffing te voorkomen. Uit CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817 (5.19 bijlage), Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3139 t/m 3141 (in cassatie aanhangig onder nr. 19/04564; conclusie van heden), HvJ EU
Klein Schiphorst(5.6 bijlage) en HvJ EU
Sante Pasquini(5.3 bijlage) volgt dat ook onder het RV rijnvarenden niet de dupe mogen worden van het niet (volledig) naleven van de procedureregels die de betrekkingen tussen sociale zekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen. Niet valt in te zien waarom de rijnvarende onder het RV niet de bescherming zou krijgen die hij wel onder de EU-verordeningen heeft, nu het RV en de Verordeningen dezelfde doelstellingen hebben. Op grond van de overgangsbepaling art. 6(2) van de op Vo. 883/2004 gebaseerde Rvov is de onder het RV afgegeven E101-verklaring wel geldig; daarmee valt niet te rijmen dat dezelfde E101-verklaring onder het RV zelf geen bescherming biedt. Bescherming tegen dubbele premieheffing is onder het RV juist noodzakelijk omdat het RV geen verrekeningsbepaling kent zoals art. 73 Toepassingsvo Pro. 987/2009. Ook omdat uit HR BNB 2019/44 (5.14 bijlage) volgt dat de belastingrechter geen taak heeft ter zake van de vaststelling van het toepasselijke sociaal verzekeringsrecht, moet de E101-verklaring worden gerespecteerd.
BNB2019/44; zie 5.14 bijlage).
junctoart 11(1) AWR de bevoegdheid (en zelfs de plicht) heeft om premie volksverzekeringen te heffen en de Hoge Raad heeft het cassatieberoep daartegen verworpen met verwijzing naar art. 81(1) Wet RO (HR 1 juni 2019, ECLI:NL:HR:2018:803; zie 5.26 bijlage). De door de belanghebbende aangehaalde uitspraken CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817 (5.19 bijlage) en HR
BNB2019/44 (5.14 bijlage) houden niet in dat de Belastingdienst geen premie kan heffen als de SVB geen beslissing heeft genomen over de verzekeringsplicht in verband met bepaalde werkzaamheden.
certificat d’exploitantheeft ingetrokken omdat [E] geen schepen exploiteert. De Minister verwijst naar onderdeel 11.8 van de conclusie voor HR BNB 2013/257 (zie onderdeel 5.11 bijlage).
X en Van Dijk(zie 5.4 bijlage) en het door u in uw eindarrest HR BNB 2016/101 (zie 5.4 bijlage) overgenomen oordeel in
X en Van Dijk, volgt dat aan een E101-verklaring geen rechtskracht toekomt als het RV van toepassing is.
BNB2017/219). Volgens Hof Den Haag kan voor de periode waarop die instemming betrekking heeft niet worden gezegd dat zich spanning en frustratie voordoen bij de belanghebbende. De Hoge Raad heeft die zaak met toepassing van art. 81(1) Wet RO afgedaan op 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:523, waarmee u volgens de Minister de uitspraak van Hof Den Haag bevestigde. Uit onder meer HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1732,
V-N2019/58.12 volgt immers dat u zaken die u afdoet met art. 81 Wet Pro RO inhoudelijk toetst. ’s Hofs oordeel is dus juist.
cherry pickingin de verwijzing door de Minister naar het 81 RO-arrest HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:523, omdat Hof Arnhem-Leeuwarden 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5939, verwijzende naar HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461, in exact hetzelfde geval géén bijzondere omstandigheid zag die redelijke-termijnverlenging rechtvaardigt.
4.Beoordeling van het cassatieberoep
alsde Svb of een andere aanwijsautoriteit een stelselaanwijsverklaring heeft afgegeven, de inspecteur het niet beter mag weten. Dat geval doet zich niet voor. Dat de Inspecteur in art. 13 RV Pro niet wordt genoemd als bevoegde autoriteit voor de stelselaanwijzing, zegt niets over de vraag of hij bevoegd is premie te heffen. Daarover zegt het RV niets.
middel (iii)verliest de belanghebbende mijns inziens uit het oog dat een Rijnvaartverklaring geen constitutief vereiste is voor premieheffingsbevoegdheid en dat op hem de bewijslast rust dat (i) hij ondanks ingezetenschap niet ex art. 6 AOW Pro c.a. in Nederland is verzekerd omdat zich een uitzondering genoemd art. 6a AOW voordoet en (ii) de exploitant van zijn schepen, zoals hij stelt, in Luxemburg is gevestigd. Het bestrijdt (dus) een bewijsoordeel van het Hof waar u niet over gaat omdat het verre van ongemotiveerd of onbegrijpelijk is, gegeven de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden. Ik verwijs met de Minister naar onderdeel 11.8 van de conclusie voor HR BNB 2013/257. [4]
middel (iv)stelt,
tribunal administratifen scheepsregister niet bevoegde Luxemburg dat daar helemaal niet om gevraagd heeft (waardoor art. 13 RV Pro mijns inziens überhaupt niet geactiveerd is omdat daar twee of meer lidstaten voor nodig zijn); niet relevant is dan of de inspecteur al dan niet bevoegd is om de procedure van art. 13 RV Pro in te leiden (dat is hij overigens inderdaad niet: zie HR BNB 2019/44 (5.14 bijlage) en HR BNB 2019/45 (5.16 bijlage), zodat dit onderdeel hoe dan ook faalt).
X en Van Dijk(zie 5.4 bijlage) en uw eindarrest HR BNB 2016/101 in die zaak(zie 5.4 bijlage));
nietis afgegeven ‘overeenkomstig’ het RV.
nietover het RV maar over over de in belanghebbendes zaak
niet-toepasselijke Vo. (EG) 883/2004, omdat het, anders dan in belanghebbendes zaak,
nietover twee Rijnoeverstaten ging (het uitzendbureau in die zaak zat op Cyprus), zodat in die zaak noch het RV, noch diens opvolger Rvov van toepassing waren (omdat Cyprus daarbij geen partij is, anders dan Luxemburg), maar de (procedure)regels van Vo. 883/2004; ook de zaak Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3139 t/m 3141 (in cassatie aanhangig onder nr. 19/04564) ging niet over het RV (en acht ik bovendien onjuist; zie mijn conclusie van heden in die zaak);
Klein Schiphorst(5.6 bijlage) en HvJ EU
Sante Pasquini(5.3 bijlage) niet relevant,
Klein Schiphorstniet omdat het slechts verklaart dat Unierechtelijke bepalingen niet alleen grammaticaal moeten worden toegepast, maar rekening houdend met context en doelstelling, hetgeen zich laat horen en het Hof ook gedaan heeft;
Sante Pasquininiet omdat zich geen procedurele discriminatie voordoet: dat een rijnvarende zich genoodzaakt kan zien twee procedures te voeren (een over het toepasselijke stelsel (Svb; bestuursrecht) en een over de premieheffing (belastingdienst; belastingrechter)) en bij tegenstrijdige uitspraken mogelijk nog om herziening moet vragen (zie HR BNB 2019/44; onderdeel 5.14 bijlage), terwijl in een puur binnenlands geval maar één procedure gevolgd hoeft te worden, wordt veroorzaakt door een evident objectief verschil in situaties: in grensoverschrijdende gevallen is een aanwijzingsprocedure nu eenmaal onvermijdelijk, nu het EU-recht aanwijzing van slechts één lidstaat eist, terwijl dat aanwijsprobleem zich in een puur binnenlands geval uiteraard niet
kanvoordoen. Geen (EU-)rechtsregel verplicht een lidstaat om stelsel-aanwijzingsverklaringen en premieheffing bij dezelfde autoriteit onder te brengen, als het halen van EU-recht maar niet bezwaarlijker is dan het halen van nationaal recht. Nu de gewone nationaalrechtelijke procedures ook voor rijnvarenden gelden, is van procedurele ongelijkwaardigheid geen sprake. Het is voor hen evenmin uiterst bezwaarlijk of nagenoeg onmogelijk om EU-recht te halen. U heeft tegenstrijdige uitspraken voorkomen door in HR BNB 2019/44 (zie 5.14 bijlage) te oordelen dat de belastingrechter ofwel zijn uitspraak moet uitstellen tot de stelselaanwijzing definitief is, ofwel – als hij niet heeft gewacht – zijn uitspraak zo nodig moet herzien. Dat bij de belanghebbende dubbele premieheffing is ontstaan, heeft niets te maken met enige ongelijkheid in procedurele mogelijkheden of terugvorderings-termijnen ten laste van rijnvarenden in Nederland. De onjuiste premieheffing in Luxemburg is veroorzaakt door onjuist handelen van belanghebbende(s) werkgever en de Luxemburgse autoriteiten, waarvoor Nederland, anders dan de Italiaanse overheid in
Sante Pasquini, geen verantwoordelijk kan worden toegedicht.
middel (vi)meen ik dat het Hof uw overzichtsarrest HR BNB 2016/140, [5] met instructie ter zake van de bepaling en de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn van afdoening van belastingzaken niet verkeerd heeft toegepast, zodat ook dit middel faalt.