Belanghebbende vorderde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in een procedure over belastingaanslagen over de jaren 2001, 2002 en 2003. Het Hof Den Haag had de Staat en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding, maar stelde de hoogte van de schadevergoeding lager vast dan belanghebbende wenste. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte de vergoeding heeft beperkt vanwege het niet aandringen van belanghebbende op spoedige behandeling en het verlenen van uitstel.
De Hoge Raad bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld vanaf ontvangst van het eerste bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank, een periode van drie jaar en zes maanden, waarvan twee jaar aan de bezwaarfase en anderhalf jaar aan de beroepsfase wordt toegerekend. De Hoge Raad stelt dat de overschrijding volledig moet worden toegerekend zonder vermindering wegens het niet aandringen op spoed of verleend uitstel, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, die hier niet zijn aangetoond.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en wijst de verzoeken toe. De Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van € 2000 voor de bezwaarfase, de minister van Veiligheid en Justitie tot € 1500 voor de beroepsfase. Tevens wordt het betaalde griffierecht en de kosten van het cassatieproces aan belanghebbende vergoed.