Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, komt met klachten op tegen een tweetal oordelen van het hof met betrekking tot het verweer van de verdediging dat in strijd met art. 359, derde lid, Sv en op straffe van nietigheid als bedoeld in art. 359, achtste lid, Sv een rechtsgeldig en ondertekend bewijsmiddelenoverzicht van het veroordelend vonnis van de rechtbank ontbreekt [3] en tegen ’s hofs afwijzing van een tweetal verzoeken die de verdediging in dat verband heeft gedaan [4] alsmede tegen zijn verwerping van het tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie strekkend verweer van de verdediging.
“De rechtbank stelt vast dat het dossier van het opsporingsonderzoek van de belastingdienst/FIOD weinig structuur kent, moeilijk toegankelijk is en wat betreft de daarin opgenomen gegevens geen sluitend beeld geeft”.
Het valt op dat het eindvonnis van de rechtbank weliswaar vermeldt dat het een promis-vonnis betreft, maar in het vonnis worden niet de bewijsmiddelen c.q. de vindplaatsen van de desbetreffende documenten aangehaald waarop de rechtbank haar vonnis heeft gebaseerd. Het vonnis van de rechtbank lijdt dan ook aan nietigheid en voorts maakt dit gebrek dat het voeren van de verdediging in het kader van het voortbouwend appel ernstig is bemoeilijkt.De voorzitter merkt op dat er wel degelijk een aanvulling met de bewijsmiddelen in het dossier aanwezig is.
De raadsvrouw voert het woord:
De oudste raadsheer merkt op dat de vonnissen per verdachte in dit onderzoek verschillen. Een aantal vonnissen hebben wel een bijlage met bewijsmiddelen en anderen weer niet.
De voorzitter geeft aan dat hij bij de bestudering van de zaak de bijlage met bewijsmiddelen van een andere verdachte er bij heeft gepakt en dacht dat een en ander bij het kopiëren van de zaak mis was gegaan.
De voorzitter merkt op dat de raadsvrouw het ontbreken van een bijlage met bewijsmiddelen wel zeer laat aan de orde stelt. De voorzitter geeft aan dat de raadsvrouw dit ook bij de regiezitting naar voren had kunnen brengen.
De raadsvrouw voert het woord:
De voorzitter hervat het onderzoek.
Ik vind het een uitermate vervelende gang van zaken. Ik weet niet in hoeverre de bewijsmiddeloverzichten van de medeverdachten betrekking hebben op de zaak van mijn cliënt, [verdachte] . Cliënt is ook veroordeeld voor valsheid in geschrift en zijn medeverdachten niet. Ik heb dus geen overzicht van de bewijsmiddelen voor zover het de ten laste gelegde valsheid in geschrift betreft. Ik moet u zeggen dat wij, nu wij de bijlage met bewijsmiddelen uit de zaak van de medeverdachten hebben kunnen bekijken, het vonnis van de rechtbank beter kunnen begrijpen. Eén van de punten voor de verdediging is het feitelijke leiderschap. Ik heb daar in eerste aanleg verweer opgevoerd en dat verweer willen wij graag nader onderbouwen in hoger beroep. In het vonnis van de rechtbank staat onder het kopje “leidinggeven” op pagina 36 uitgelegd waarom de rechtbank van oordeel is dat cliënt feitelijke leiding heeft gegeven. Het is nieuw voor de verdediging dat de rechtbank zich kennelijk niet alleen heeft gebaseerd op e-mails en dergelijke maar ook de aangifte van DNB als bewijsmiddel voor het feitelijke leidinggeven heeft opgenomen. De verdediging wenst daar bij pleidooi ook nog iets over te zeggen. Als de verdediging dit had geweten ten tijde van het indienen van het appelschriftuur dan had zij op dit punt [medeverdachte 4] en [betrokkene 5] als getuige willen horen. Ik kan dit ook concretiseren. Aan het eind van het tweede bewijsmiddel staat: “
Op de directe vraag van [betrokkene 6] en [betrokkene 5] waarom [medeverdachte 4] [verdachte] beschermt, werd door [medeverdachte 4] geantwoord dat er voor hem zou worden gezorgd”. Ik had graag aan de heren willen vragen wie “hem” is. Voor wie zou er nu worden gezorgd, voor [medeverdachte 4] of voor [verdachte] . Deze directe vraag haalt de rechtbank aan van het feitelijke leiderschap van [verdachte] . [verdachte] zou volgens deze aangifte dus [medeverdachte 4] aansturen. Mijn voormalige kantoorgenoot heeft in de appelschriftuur weliswaar gevraagd om beide heren te horen maar op totaal andere gronden. De verdediging had dan het horen van de genoemde getuigen ook op andere gronden willen motiveren. Mijn kantoorgenoot heeft de appelschriftuur gebaseerd op het promis-vonnis. De motivering voor het horen van de getuigen is dus beperkt geweest. De verdediging had [medeverdachte 4] graag willen horen over zijn antwoord, zoals in de aangifte van DNB opgenomen. Ik heb nog niet alle bewijsmiddelen kunnen doornemen. Ik wil graag betogen dat ik aan de hand van de bewijsmiddelenoverzicht uit de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] opnieuw mijn onderzoekswensen te formuleren aan het hof.
De voorzitter geeft aan dat hij reeds bij de hervatting heeft aangegeven dat de bijlage met bewijsmiddelen in deze zaak ontbreekt en de bewijsmiddelenoverzichten in de zaken van de medeverdachten zijn niet aan uw dossier toegevoegd. Formeel heeft het hof niet de beschikking over een bewijsmiddelenoverzicht in onderhavige zaak. Het hof is u slechts tegemoet gekomen door u de bewijsmiddelenoverzicht van de medeverdachten te geven zodat u daar kennis van kon nemen.
De voorzitter hervat het onderzoek.
De raadsvrouw voert het woord als volgt.
Ik wil graag een aanhoudingsverzoek doen. Het betreft een groot en complex Dossier en hier en daar ook een ondoorgrondelijk dossier. Vooral in hoger beroep is het dan belangrijk om over een bewijsmiddelenoverzicht te kunnen beschikken. De verdediging is thans op de hoogte van het feit dat in de zaken van de medeverdachten wel een bewijsmiddelenoverzicht aanwezig is. Het kan bijna niet anders dan dat er in onderhavige zaak ook een bewijsmiddelenoverzicht moet zijn. Het is van groot belang voor het voeren van vol verweer in hoger beroep. De verdediging is van mening dat eerst het bewijsmiddelenoverzicht moet worden gezocht. Het moet eerst boven water komen.
De advocaat-generaal voert het woord als volgt:
De raadsvrouw voert het woord als volgt:
De voorzitter onderbreekt het onderzoek.
De voorzitter deelt mede dat in het vonnis van de rechtbank dat tegen verdachte is gewezen op 17 oktober 2014 bevat onder punt 5 de volgende zinsnede: “
deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.”
De raadsvrouw verzoekt om de behandeling van de zaak te onderbreken teneinde met haar cliënt te kunnen overleggen.
De raadsvrouw voert het woord als volgt:
De advocaat-generaal voert het woord als volgt:
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
De voorzitter deelt mede dat het hof heeft geprobeerd om bij de rechtbank Almelo er achter te komen of er een bewijsmiddelenoverzicht is opgesteld. Eén van de leden van de strafkamer in de rechtbank Almelo heeft er naar gezocht maar tot nu toe nog niets kunnen vinden. Het is nog mogelijk dat het bewijsmiddelenoverzicht op een persoonlijke schijf van deze of gene staat. Mocht dit zo zijn dan krijgt het hof daar een afschrift van en dan krijgt de verdediging daar eveneens een afschrift van.
[...]
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.
Inleiding
De rechtbank stelt vast dat het dossier van het opsporingsonderzoek van de Belastingdienst/FIOD weinig structuur kent, moeilijk toegankelijk is en wat betreft de daarin opgenomen gegevens geen sluitend beeld geeft.”
Mij, raadsvrouwe, werd gevraagd waarom de verdediging niet eerder het ontbreken van het bewijsmiddelenoverzicht onder de aandacht van uw hof en het openbaar ministerie heeft gebracht. Dat is omdat de verdediging is er steeds vanuit is gegaan dat er geen bewijsmiddelenoverzicht bestond. Hiertoe was alle reden: 1. het vonnis vermeldt dat het een promisvonnis betreft; 2. in de bewijsoverwegingen van het vonnis wordt hier en daar ook een dossierstuk aangehaald; 3. het proces-verbaal van de regiezitting van 5 oktober 2016 in hoger beroep (pagina 2) vermeldt dat uw hof aan de advocaat-generaal het verzoek doet te komen met een leeswijzer en voorts om bij requisitoir aan te geven welke bewijsmiddelen aan de door de het openbaar ministerie bewezen geachte feiten ten grondslag liggen. Al met al, verkeerde de verdediging in de veronderstelling dat geen bewijsmiddelenoverzicht voorhanden was en de verdediging was onbekend met het feit dat deze wel voorhanden was in de zaken van de medeverdachten.
Ter zitting van 1 juni jongstleden heeft u hof gewezen op de passage in het vonnis (p. 23): “
In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis.” De verdediging heeft geen waarde gehecht aan deze standaardtekst, omdat het immers een promis vonnis betrof. De verdediging stelt hier vast dat het openbaar ministerie en uw hof weliswaar bekend waren met het feit dat in de zaak van cliënt geen bewijsmiddelenoverzicht aanwezig was, maar - door gebruik te maken van de bewijsmiddelenoverzichten in de zaken van medeverdachten - kennelijk geen reden hebben gezien dit bespreekbaar te maken ter zitting cq anderszins te delen met de verdediging. Doordat de verdediging al die tijd niet heeft beschikt over een bewijsmiddelenoverzicht, is de verdediging op achterstand gezet in het voeren van vol verweer in hoger beroep.
Na de zitting van 1 juni jongstleden heeft de verdediging in de middag van de griffier alsnog een vonnis met een bewijsmiddelenoverzicht per email ontvangen. Het valt op dat dit vonnis en overzicht zijn opgenomen in een worddocument en dat beide stukken niet zijn ondertekend. Een definitief, geldig processtuk inhoudende het bewijsmiddelenoverzicht, ontbreekt dan ook nog steeds in de zaak van cliënt.
Dit alles gezegd zijnde, komt de verdediging tot de navolgende conclusies en verzoeken:
Primair wordt geconcludeerd dat momenteel een concept maar geen geldig bewijsmiddelenoverzicht in het procesdossier van cliënt aanwezig is. Gelet op het feit dat - zo de verdediging nu bekend is geworden - in de zaken van de medeverdachten wél zulk processtuk voorhanden is, wordt primair verzocht de zaak aan te houden opdat wordt nagegaan waar dit cruciale processtuk zich bevindt en dit stuk alsnog ter completering aan het procesdossier wordt toegevoegd. Alsdan is voor alle procespartijen in het kader van het voortbouwend appèl helder waarop de rechtbank het veroordelend vonnis heeft gebaseerd. Het is moeilijk denkbaar dat dit overzicht wel bestaat in de zaken van de medeverdachten en niet in de zaak van cliënt.
Subsidiair wordt verzocht de zaak aan te houden voor het aanvullend horen van de getuigen [betrokkene 5] en [medeverdachte 4] . De verdediging bracht dit al naar voren ter zitting van 1 juni jongstleden.
“DNB heeft aanwijzingen om te vermoeden dat [verdachte] (ook in de periode na 28 september 2009) feitelijk (mede-)beleidsbepaler is geweest (...) DNB wenst aangifte te doen tegen de heren [medeverdachte 4] , als wettelijk bestuurder, en [verdachte] als feitelijk leidinggevende (...)”.Dit bewijsmiddel is ook onder nr. 1 opgenomen in het concept bewijsmiddelenoverzicht in de zaak van cliënt. In dit bewijsmiddel worden uitlatingen van medeverdachte [medeverdachte 4] aangehaald, welke uitlatingen door cliënt worden betwist en waarover de verdediging de medeverdachte [medeverdachte 4] alsook [betrokkene 5] nader wil ondervragen. De verdediging heeft dit verzoek niet eerder kunnen doen bij gebreke van kennis van enig bewijsmiddelenoverzicht in dit zeer omvangrijke dossier. Het is voor de verdediging in hoger beroep een belangrijk verweer dat cliënt niet als feitelijk leidinggevende kan worden aangemerkt.
3. Ontvankelijkheid van het hoger beroep3.1 Ontbreken bewijsmiddelenoverzichtDe verdediging heeft aangevoerd dat het eindvonnis van de rechtbank weliswaar vermeldt dat het een promisvonnis betreft, maar dat in het vonnis niet de bewijsmiddelen dan wel de vindplaatsen van de documenten waarin de bewijsmiddelen staan worden aangehaald. Ook bevindt zich in het dossier geen aanvulling met bewijsmiddelen. Het vonnis van de rechtbank leidt dan ook aan nietigheid en voorts maakt dit gebrek dat het voeren van de verdediging - in het kader van het voortbouwend appel – ernstig is bemoeilijkt. Een en ander zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Het hof overweegt als volgt.
[...]
4. Het vonnis waarvan beroep
preciesheeft gebezigd, is tegen deze achtergrond hier slechts van beperkt belang om de verdediging in hoger beroep te kunnen voeren.
bedoeldeen aanvulling op te maken en dat de rechtbank het vonnis als promis-vonnis wilde inkleden, maar het resultaat blijft in beide gevallen hetzelfde: in hoger beroep moet ervan worden uitgegaan dat in de zaak van de verdachte geen aanvulling met bewijsmiddelen bestaat. Hoe de raadsvrouw ter terechtzitting dan kan zijn verrast dat een aanvulling met bewijsmiddelen ontbreekt, zulks terwijl zij eerder zelf al had geconstateerd niet over zo een aanvulling te beschikken, ontgaat mij. De verdediging had het ontbreken van bewijsmiddelen, of het ontbreken van voetnoten in de bewijsoverwegingen van de rechtbank, al bij aanvang van het hoger beroep respectievelijk op de regiezitting van het hof aan de orde kunnen stellen, of zij nu in de veronderstelling verkeerde dat het een promis-vonnis betrof of niet; dat is niet gebeurd.
inhoudvan de door de rechtbank opgemaakte (zij het niet ondertekende) aanvulling in de zaak van de verdachte ter hand wordt gesteld én haar vijf dagen de tijd wordt gegeven om aan de hand van deze informatie haar pleidooi aan te passen, wordt aan de andere kant door de raadsvrouw (ook in de schriftuur) betoogd dat het hof daarmee niet mocht volstaan omdat iedere zaak eigen merites heeft en het nagezonden stuk niet als aanvulling met bewijsmiddelen kan worden aangemerkt.
tweede middelkomt op tegen de bewezenverklaring van het onder 3 primair onder C tenlastegelegde feit.
telkens
een (digitale) bedrijfsadministratie van [C] zijnde een samenstel van geschriften dat in onderlinge samenhang bestemd was om te dienen tot het bewijs van het daarin gestelde valselijk heeft opgemaakt
met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken hebbende dat valselijk opmaken telkens hierin bestaan, dat in die bedrijfsadministratie van [C] ;
C. één valse leningsovereenkomst gesloten tussen [C] en [verdachte] (d.d. 28 november 2005) was opgenomen en geboekt en verwerkt bestaande die valsheid hierin – zakelijk weergegeven – dat valselijk in strijd met de waarheid – op die overeenkomst was vermeld dat er een leningsovereenkomst was afgesloten en dat [verdachte] een geldbedrag had geleend aan [C] , terwijl dit in werkelijkheid niet had plaatsgevonden
en
D […]”
Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een leningsovereenkomst gesloten tussen [C] en [verdachte] d.d. 28 november 2005 (D-0168, pagina 6000795), te weten een leningsovereenkomst, zakelijk weergegeven, inhoudende:
Geachte heer/mevrouw,
(…)
Afgesproken was dat [verdachte] privé zijn investering terug zal krijgen tegen een prijs welke onafhankelijk is t.o.v. de waarde van het bedrijf.
56.
Een proces-verbaal van verhoor (G-14-01) van 14 juni 2012 (pag. 5000088 t/m 5000092) van het dossier), voor zover inhoudende het relaas van de getuige [getuige 7] , zakelijk weergegeven:
Vraag verbalisanten: Tot wanneer heeft u voor [L] gewerkt?
Vraag verbalisanten: Wij tonen u een document waarin staat dat [verdachte] € 140.000 heeft geleend aan [C] en dat [verdachte] recht heeft op terugbetaling van 280.000,-. Wat kunt u hierover verklaren?
57.
Een proces-verbaal van bevindingen/onderzoek (AH-050) van 25 september 2012 (pag. 20000524 t/m 20000537 van het dossier), voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant [verbalisant] , zakelijk weergegeven:
2006: € 240.400
2007: € 102.000
totaal: € 358.435
Feit 3: Valsheid in geschrift
“
Verdachte heeft bij brief van 28 november 2005 aan [C] (onder meer) geschreven dat is afgesproken dat [verdachte] privé - zijnde verdachte - zijn investering terug zal krijgen tegen een prijs welke onafhankelijk is ten opzichte van de waarde van het bedrijf; dat de prijs is bepaald op tweemaal de inleg die verdachte in privé heeft gedaan en dat verdachte als privé persoon € 140.000,- als lening heeft gegeven aan [C] BV. Ook schrijft verdachte dat hij recht heeft op een terugbetaling van € 280.000,-, dat deze lening reeds deels is afbetaald, in gelijke delen terug zal worden betaald in tien termijnen en dat [C] gedurende de looptijd een rente zal vergoeden van 6%.
Het hof overweegt voorts nog dat verdachte weliswaar ter terechtzitting van het hof en bij zijn verhoor als getuige in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 4] nog enige stukken aan het hof heeft overgelegd waaruit blijkt dat er een lening zou zijn verstrekt, maar uit niets blijkt dat deze gelden zijn gebruikt voor de oprichting van [A] .”
Noch uit het dossier noch uit verklaringen van medeverdachten of getuigen blijkt dat verdachte daadwerkelijk voor een bedrag van € 140.000,00 heeft ingelegd.” In hoger beroep heeft medeverdachte [medeverdachte 4] een getuigenverklaring afgelegd, waarin hem is gevraagd naar de lening van cliënt. Hij heeft verklaard dat hij op de hoogte is van deze lening uit 2004 van cliënt aan [C] en dat terugbetaling vanuit [C] heeft plaatsgehad en dat hij daarover een factuur heeft gezien (pp. 9-10 van het rhc-verhoor van 4 juli 2017). Voorts verklaarde [medeverdachte 4] : “
[verdachte] heeft [A] zelf opgezet en heeft ook voor de financiering gezorgd en ik begrijp dat de in dit stuk genoemde kredietlimiet daarvoor ook is gebruikt. Ik weet zeker dat dit hiervoor is gebruikt omdat ik de bankafschriften van [C] uit 2004 heb gevonden en daaruit blijkt dat [verdachte] 230.000 euro heeft gestort op de rekening van [C] .” (p. 3 van het rhc-verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] ). Achter het rhc-verhoor zijn de desbetreffende bankafschriften van [C] uit 2004 gehecht. Op bankafschrift nr. 16 is een inbreng te zien van cliënt van € 50.000,-; op bankafschrift nr. 43 een bedrag van € 27.214,33, zijnde het (verkoop)restant van de door cliënt verkochte auto; op bankafschrift nr 45 een bedrag van € 19.500,00, zijnde het restant van de andere door cliënt verkochte auto; op bankafschrift nr. 20 een bedrag van € 130.000,00, zijnde privé-geld van cliënt dat stond op de bankrekening van [M] i.o., welke onderneming hij samen met zijn broer [betrokkene 4] zou gaan voeren, maar dat uiteindelijk niet is doorgezet. Tezamen gaat het hier om een inleg van nagenoeg € 230.000,00. Dat was 2004. Later heeft cliënt in overleg met KroeseWevers aanspraak gemaakt op de inbreng van een risicokapitaal van € 140.000,-.
Anders dan het oordeel van de rechtbank, kan nu op grond van de aanvullende stukken in hoger beroep worden vastgesteld dat geen sprake is van een valse leningsovereenkomst tussen [C] en cliënt. Voorts zij hier ook uitdrukkelijk verwezen naar hetgeen de verdediging verder in eerste aanleg bij pleidooi heeft aangevoerd blijkens de pleitaantekeningen pp. 31 - 32, die hier als ingelast en herhaald dienen te worden beschouwd.
NJ2018/475, m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad de bakens verzet ten aanzien van de ambtshalve cassatie vanwege het intreden van de vervolgingsverjaring. [14] De Hoge Raad stelt in rechtsoverweging 3.1. van dat arrest zijn vaste rechtspraak voorop dat de rechter ambtshalve verplicht is om op de voet van art. 348 Sv Pro onder meer de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te onderzoeken en van dit onderzoek in vier van elkaar te onderscheiden gevallen in zijn uitspraak blijk te doen geven. Vervolgens overweegt de Hoge Raad:
3.4. In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat de verjaring reeds voor het indienen van de schriftuur was voltooid en de cassatieschriftuur niet de klacht bevat dat de rechter hetgeen hiervoren onder 3.1 is overwogen, heeft miskend. Wel zal de Hoge Raad ambtshalve ingrijpen ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen de indiening van de schriftuur en de uitspraak van het arrest omdat in dat geval niet bij wege van een middel van cassatie beroep kon worden gedaan op het alsnog intreden van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
3.5. De Hoge Raad zal daarom de vraag laten rusten of in het onderhavige geval de verjaring voor het indienen van de schriftuur was voltooid.”
onderhavigezaak is daarmee niet alles gezegd. Enerzijds is in casu geen sprake van een verjaring die vóór de indiening van de schriftuur reeds (volledig) was voltooid, terwijl aan de andere kant aan de raadsvrouw die de verdachte in de cassatieprocedure bijstaat tot op zekere hoogte kan worden tegengeworpen dat zij over de verjaring niet heeft geklaagd. Aldus rijst de vraag hoe de bevoegdheid tot ambtshalve cassatie zal worden ingekleurd indien op een – al dan niet impliciet – cumulatieve tenlastelegging opgenomen feiten verjaren ná de indiening van de cassatieschriftuur, terwijl over het verjaren van andere feiten op die tenlastelegging vóór de indiening van de schriftuur niet is geklaagd.
NJ2019/230, m.nt. Keijzer stelt mijn ambtgenoot Aben dat het misdrijf van art. 328ter Sr met als pleegperiode 8 juni 1999 tot en met 30 januari 2009 in elk geval gedeeltelijk is verjaard. Nu de absolute verjaringstermijn naar zijn oordeel reeds was aangevangen in 2011 en in de schriftuur daarover niet werd geklaagd, schonk hij hieraan enkel in een voetnoot aandacht. De Hoge Raad besteedde in het op de conclusie volgend arrest aan de verjaring geen overwegingen. Daarmee komt de vraag op of dat als instemming met het standpunt van mijn ambtgenoot kan worden begrepen. Ik merk in dat verband op dat de verjaringstermijn van het misdrijf van art. 328ter, eerste lid, (oud) Sr volgens de Hoge Raad niet al aanvangt bij het aannemen van een gift, maar eerst na het in strijd met de goede trouw verzwijgen ervan tegenover de werkgever, welk verzwijgen moet worden aangemerkt als één voortdurend omissiedelict. [17] Het kan dus zo zijn dat de Hoge Raad in die zaak heeft geoordeeld dat het recht tot strafvervolging van het tussen 8 juni 1999 en 30 januari 2009 (meermalen) gepleegde feit in het geheel nog niet was verjaard toen hij op 2 april 2019 arrest wees, omdat de aanvang van de verjaringstermijn op een later dan het door de A-G aangegeven moment was gelegen. Mijn ambtgenoot Keulen constateert in zijn conclusie vóór HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1926 eveneens dat over (een gedeelte van) de potentieel verjaarde feiten in de schriftuur kon worden geklaagd en veronderstelt dat de Hoge Raad dus niet zal ingrijpen, al betrof het een opmerking ten overvloede nadat hij reeds had geconstateerd dat van verjaring (om een andere reden) geen sprake was. Dat de Hoge Raad in de zaak niet ambtshalve ingreep, kan derhalve evenmin als een impliciet antwoord op de hier opgeworpen vraag worden beschouwd. [18]
konworden geklaagd, ambtshalve beoordeling door de Hoge Raad niet op prijs wordt gesteld. Uit het arrest van de Hoge Raad waarin hij de bakens ten aanzien van ambtshalve cassatie wegens verjaring heeft verzet, kan ik in elk geval niet opmaken dat de Hoge Raad die stap in dat arrest heeft bedoeld te nemen.