Conclusie
Peak Holdingarrest? Met andere woorden: moet de economische waarde uit
Peak Holdingworden opgevat als ‘EER-waarde’, zoals de merkhouders betogen, en/of is het oogmerk van de verkopende merkhouder (afzet in of buiten de EER) daarbij van belang? Dit is nog niet met zoveel woorden uitgemaakt in
Peak Holdingof opvolgende arresten. Hierover kan een prejudiciële vraag worden gesteld, alhoewel dat in dit kort geding op zichzelf niet verplicht is (de bodemzaak is al aanhangig); het is wel een voor de praktijk belangrijke kwestie, die maar het beste meteen prejudicieel kan worden opgehelderd in Luxemburg.
Van Doren/Lifestyle,kunnen volgens mij niet tot cassatie leiden. Dat geldt ook voor de voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieklachten.
Inbreuk
Prijslijsten en facturen
Oude Prijslijstenen de
Nieuwe Prijslijsten 3 en 4blijkt dat de daarin genoemde Hennessy-producten door [verweerster] daadwerkelijk op voorraad werden gehouden, dat deze voor zover ze al daadwerkelijk op voorraad werden gehouden zich in de EU bevonden en dat, voor zover ze fysiek in de EU aanwezig waren ook in de EU in de handel waren en niet bijvoorbeeld op T1 stonden. Weliswaar vermelden de prijslijsten de zin “subject to being unsold” en vermeldt Nieuwe Prijslijst 4 aantallen “cases”, maar dat betekent niet zonder meer dat alle artikelen in de EU op voorraad stonden. In dit verband is van belang dat de stelling van [verweerster] dat zij, gelet op haar wereldwijde handel, een substantieel deel van door haar aangekochte waren verkoopt en levert zonder dat deze richting Europees grondgebied worden vervoerd of zich op Europees grondgebied bevinden, het hof niet onaannemelijk voorkomt. [verweerster] heeft deze stelling onderbouwd met het door haar als productie 39 overgelegde rapport van Grant Thornton Forensic & Investigation Services B.V. (hierna: Grant Thornton), dat in paragraaf 4.1.1. vermeldt dat [verweerster] probeert “verhandelde waren zo kort mogelijk, en bij voorkeur zelfs helemaal niet, op voorraad te houden”. Daarnaast vermeldt Grant Thornton dat zij heeft geconstateerd dat er geen directe relatie bestaat tussen de op het voor haar onderzoek relevante soort prijslijsten vermelde aantallen cases bij de verschillende productsoorten en de administratieve voorraad van [verweerster] (paragraaf 4.1.) en dat de op de prijslijsten genoemde aantallen niet de actuele voorraad beschrijven (paragraaf 4.1.4.). Hennessy c.s. betoogt dat er redenen zijn om met het rapport “voorzichtig te zijn” en ten aanzien daarvan “grote terughoudendheid te betrachten”, omdat – samengevat – het een partijrapport betreft van de huisaccountant van de [A] Group, er voor Hennessy c.s. geen mogelijkheid bestaat om het rapport te doen controleren, het rapport een momentopname betreft, en er blijkens het rapport geen informatie is opgevraagd bij [C] . Deze omstandigheden maken echter niet dat het rapport onbruikbaar is. Het rapport heeft vrije bewijskracht. Bij gebreke van inhoudelijke argumenten tegen de in het rapport weergegeven bevindingen, is er naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding om de in het rapport weergegeven bevindingen niet voorshands aannemelijk te achten.
Oude Prijslijstenen de
Nieuwe Prijslijsten 3 en 4genoemde Hennessy-producten door [verweerster] daadwerkelijk op voorraad werden gehouden, dat deze voor zover ze al daadwerkelijk op voorraad werden gehouden zich in de EU bevonden en dat, voor zover ze fysiek in de EU aanwezig waren ook in de EU in de handel zijn geweest.
Nieuwe Prijslijst 2(maart 2016) vermeldt dat de prijzen gelden “ex works the Netherlands”. Daaruit kan worden opgemaakt dat de daarin vermelde Hennessy-producten op enig moment in de EU zouden zijn. De Nieuwe Prijslijst 2 vermeldt ook dat de producten een T1 of T2 status hebben. Ook dat duidt er op dat zij zich in elk geval voordat zij geleverd zouden worden feitelijk in de EU zouden bevinden, zij het dat de goederen die onder T1 zouden we[o]rden opgeslagen zich niet in de EER in de handel bevonden. Volgens [verweerster] wordt met de aanduiding T1 of T2 op Nieuwe Prijslijst 2 slechts bedoeld dat de genoemde Hennessy-producten niet-uitgeput, respectievelijk uitgeput zouden zijn. Ook ten aanzien van deze prijslijst stelt zij dat het niet om daadwerkelijk aanwezige specifieke exemplaren van de genoemde productsoorten ging, maar om soorten producten die niet zonder meer op voorraad werden gehouden. Zij stelt dat zij daarom voor een onmogelijke opgave wordt geplaatst als zij moet aantonen dat de op de prijslijst genoemde T2 goederen uitgeput waren. Deze goederen waren, zo stelt zij, immers niet per se daadwerkelijk (reeds) door haar ingekocht, zodat zij ook geen bewijs van uitputting kan leveren. Ter onderbouwing van haar stelling dat wél aanwezige niet-uitgeputte artikelen door haar altijd op T1 op voorraad werden en worden gehouden en wél aanwezige uitgeputte artikelen onder T2, verwijst zij naar het proces-verbaal van beslaglegging van 30 augustus 2016.
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
bonded warehousesen dergelijke om het risico van uitputting te voorkomen.
Peak Holding-arrest betoogde A-G Stix-Hackl, aan de hand van een letterlijke, systematische en teleologische uitleg van art. 7, lid 1 van Richtlijn 89/104/EEG [20] dat van het Europees geharmoniseerde begrip
in de handel brengen in de EERsprake is wanneer een onafhankelijke derde de beschikkingsbevoegdheid heeft verkregen over de van het merk voorziene waren, bijvoorbeeld na een verkoop [21] .
Peak Holding-arrest volgt dat een verkoop die de merkhouder in staat stelt de economische waarde van zijn merk te realiseren de uitsluitende rechten van de merkhouder uitput [22] , meer in het bijzonder het recht om een derde te verbieden de waren door te verkopen. Wanneer de merkhouder zijn waren invoert om ze in de EER te verkopen of te koop aan te bieden, brengt hij ze evenwel niet in de handel in de zin van art. 7, lid 1 van Richtlijn 89/104/EEG, omdat dergelijke handelingen derden niet het recht verlenen om over de van het merk voorziene waren te beschikken. Zij stellen de merkhouder niet in staat de economische waarde van het merk te realiseren. Zelfs na dergelijke handelingen behoudt de merkhouder zijn belang om de volledige controle over de van het merk voorziene waren te behouden, met name om de kwaliteit ervan te verzekeren. Bovendien moet onderscheid worden gemaakt tussen het aanbieden, in de handel brengen of daartoe in voorraad hebben van waren enerzijds en de invoer ervan anderzijds. Het in de EER invoeren of aanbieden van waren kan niet worden gelijkgesteld met het in de handel brengen ervan. Van een merk voorziene waren kunnen dus niet worden geacht in de EER in de handel te zijn gebracht wanneer de merkhouder ze in de EER heeft ingevoerd om ze aldaar te verkopen of wanneer hij ze in zijn eigen winkels of in die van een gelieerde vennootschap aan de consumenten in de EER te koop heeft aangeboden, maar er niet in geslaagd is om ze te verkopen [23] .
Davidoff-arrest volgt dat er sprake kan zijn van impliciete toestemming van de merkhouder tot het in de EER verhandelen van van zijn merk voorziene producten die eerder door die merkhouder of met zijn toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht, wanneer uit elementen en omstandigheden vóór, tijdens of na het buiten de EER in de handel brengen naar het oordeel van de nationale rechter met zekerheid blijkt dat de merkhouder afstand doet van zijn recht om zich te verzetten tegen het in de EER in de handel brengen. Een impliciete toestemming kan niet voortvloeien: (i) uit het feit dat de merkhouder niet aan alle achtereenvolgende kopers van de buiten de EER in de handel gebrachte waren heeft meegedeeld dat hij zich tegen het verhandelen in de EER verzet, (ii) uit het feit dat op de waren niet is vermeld dat het verboden is ze in de EER in de handel te brengen en (iii) uit de omstandigheid dat de merkhouder de eigendom van de van het merk voorziene waren heeft overgedragen zonder contractuele beperkingen op te leggen, en dat volgens de op de overeenkomst toepasselijke wet het overgedragen eigendomsrecht zonder dergelijke beperkingen een onbeperkt recht tot wederverkoop omvat of op zijn minst het recht om de waren later in de EER te verhandelen. Voor de uitputting van het merkrecht is niet relevant: (a) dat de handelaar die de van het merk voorziene waren invoert, niet weet dat de merkhouder zich ertegen verzet dat deze waren in de EER in de handel worden gebracht of op die markt worden verhandeld door andere dan erkende wederverkopers, of (b) dat de erkende wederverkopers en groothandelaars aan hun eigen kopers geen contractuele beperkingen hebben opgelegd waarin dat verzet tot uiting komt, hoewel de merkhouder hen daarvan op de hoogte had gebracht [25] . De
Davidoff-maatstaf geldt ook bij de vraag of sprake is van impliciete toestemming voor het in de handel brengen van producten direct in de EER (door een derde die niet economisch verbonden is met deze merkhouder) [26] .
Davidoff-maatstaf (impliciete toestemming) moet worden toegepast – welke maatstaf immers die toestemming, zij het in impliciete vorm, betreft – als in de gevallen waarin die toestemming (in beginsel) volgt uit economische verbondenheid, die bijvoorbeeld berust op een licentieovereenkomst. Het verschil is volgens Uw Raad hierin gelegen dat in het geval dat de
Davidoff-maatstaf moet worden aangelegd (er is geen economische verbondenheid), zwaardere eisen aan het bewijs van de (impliciete) toestemming worden gesteld dan in het geval dat sprake is van economische verbondenheid, waarin de toestemming geacht wordt te zijn gegeven [28] .
Peak Holdingin de tweede alinea van rov. 5.2 en tegen het hofoordeel in rov. 5.7 dat Hennessy c.s. de betreffende waren in de EER in de handel hebben gebracht, door de Hennessy-producten in Rotterdam onder T2 te leveren aan [D] en [E] , aangezien zij daarmee aan [D] en [E] het recht hebben verleend om over de producten te beschikken en zij door de verkoop in staat zijn geweest om de economische waarde van het merk te realiseren. Dat is volgens de klacht een onjuist oordeel over ‘in de handel brengen’. Dit begrip is gedefinieerd in het Besluit Nr. 768/2008/EG als ‘het voor het eerst in de Gemeenschap op de markt aanbieden van een product’ [33] , waarbij ‘op de markt aanbieden’ wordt is gedefinieerd als ‘het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de communautaire markt’ [34] . Zodoende is het oogmerk van de verkoop bepalend voor de vraag of sprake is van een ‘op de markt aanbieden’ en in het verlengde daarvan ‘in de handel brengen’. Aldus is, anders dan het hof ten onrechte oordeelt, niet de enkele verkoop aan derden in de EER voldoende om te kunnen spreken van ‘in de handel brengen’ in de zin van Richtlijn 89/104/EEG (thans art. 9 lid 3 onder Pro b van Verordening (EU) 2017/1001 [35] ).
Peak Holdingdoet hier volgens de klacht niets aan af.
in de EERop zichzelf in staat zijn gesteld om de economische waarde van hun merken te realiseren en aan de kopers het recht is verleend om over de betreffende merkproducten te beschikken, is sprake van uitputting. Dat zij een lagere prijs dan gebruikelijk voor de EER markt hebben bedongen, staat daar los van, dat is hun bedrijfseconomisch risico. Een visie is dat dat in lijn is met
Peak-Holdingen
Viking Gas/Kosan Gas. Daarbij speelt een rol, zo volgt uit
Peak Holding, dat – anders dan bij invoeren of alleen te koop aanbieden – een verkoop/levering derden het recht verleent om over de merkproducten te beschikken, zoals we hiervoor hebben gezien in 2.9 [37] . De kennelijke gedachte is dat als dat vervolgens ‘mis’ gaat, doordat de betreffende tussenhandelaren anders dan de bedoeling of overeengekomen was toch doorverkopen en leveren op een wijze dat vermarkt gaat worden in de EER, dit voor risico komt voor de merkhouders, die immers ook buiten de EER in de handel hadden kunnen brengen.
nietuitput. Het
oogmerkvan de verkoop zou beslissend zijn voor de vraag of sprake is van ‘in de handel brengen’ en daarmee uitputting. Indirect lijkt hiermee te worden betoogd dat het door het HvJEU aangelegde criterium onjuist is [38] .
"gereedschapskist" voor toekomstige wetgeving. Met de vaststelling van het besluit hebben het Parlement, de Raad en de Commissie zich ertoe verplicht de bepalingen ervan zo veel mogelijk in toekomstige productwetgeving te gebruiken om het regelgevingskader optimale samenhang te geven [42] . Om in de praktijk uitwerking aan de bepalingen van het besluit te geven moeten deze in bestaande en nieuwe productwetgeving worden opgenomen.” [43]
Classvolgt dat voor ‘invoeren’ uit art. 5 lid 3 sub c Ri Pro 89/104/EEG waarde toekwam aan douanerechtelijke definities uit het douanewetboek moge zo zijn, dat maakt nog niet zonder meer aannemelijk dat het Besluit hier richting zou moeten geven. Maar uitgemaakt is dit inderdaad nog niet in de rechtspraak van het Luxemburgse hof.
Rioglass and Transremarbetreft de vraag of
doorvoervan in een lidstaat rechtmatig vervaardigde goederen naar een
derde landover het grondgebied van een of meer lidstaten merkinbreuk oplevert. Volgens het HvJEU is dat niet het geval, omdat een dergelijke doorvoer geen verhandeling van de betrokken goederen impliceert en dus het voorwerp van het merkenrecht niet kan schaden [45] .
Montex/Dieselheeft betrekking op
doorvoervan producten onder de
regeling extern douanevervoer. Het HvJEU oordeelde dat de merkhouder de doorvoer door een lidstaat waarin dit merk is beschermd van door het merk aangeduide en onder de regeling extern douanevervoer geplaatste waren met als
bestemming een andere lidstaat waarin een dergelijke bescherming niet bestaat, slechts kan verbieden wanneer
een derdeten aanzien van deze waren, terwijl zij onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst, een handeling verricht die
noodzakelijkerwijs impliceert dat zij in deze lidstaat van doorvoer in de handel worden gebracht [46] [47] .
L’Oréal/eBaygaat over
het gratis ter beschikking stellenvan producten voor
promotionele doeleinden. Het HvJEU oordeelde dat de terbeschikkingstelling door een merkhouder aan zijn erkende distributeurs van artikelen die van dat merk zijn voorzien, die voor demonstratie aan de consument in de erkende verkooppunten zijn bestemd, alsook van eveneens van dat merk voorziene flacons waaruit kleine hoeveelheden kunnen worden gehaald die als gratis monsters aan de consument kunnen worden gegeven, behoudens tegenbewijs
geen in de handel brengenvormt [48] [49] .
Coty Germany/Amazonziet op de vraag of een persoon
die voor een derde waren opslaatdie inbreuk maken op een merkrecht,
zonder van deze inbreuk op de hoogte te zijn, moet worden geacht deze waren
in voorraadte hebben met het
oogmerk deze aan te bieden of in de handel te brengen [50] , wanneer hij niet zelf dit oogmerk heeft en daardoor sprake is van een merkinbreuk. Het HvJEU beantwoordt deze vraag
ontkennend [51] .
Classbetreft de
invoer– onder de
regeling extern douanevervoer of de regeling douane-entrepot– van oorspronkelijke merkgoederen die
nog niet door de merkhouder of met zijn toestemmingin de EER in de handel zijn gebracht [52] en daarmee samenhangende vragen over merkinbreuk (hiervoor besproken in 2.16).
andere handelingendan de relevante handeling in onze zaak: verkoop en levering van merkproducten
door de merkhouderin de EER, en volgens mij is dit een en ander niet met elkaar op een lijn te stellen. Dat lijkt mij al te volgen uit
Peak Holding, waarin is uitgemaakt dat het in de EER ‘invoeren’ of ‘aanbieden’ van producten niet kan worden gelijkgesteld met het ‘in de handel brengen’ ervan, zoals we hiervoor hebben gezien in 2.9. ‘In de handel brengen’ in de zin van art. 13 lid 1 UMVo Pro (thans art. 15 lid 1 UMVo Pro) is beperkter dan datzelfde begrip in art. 9 lid 3 onder Pro b UMVo [53] . In het eerste geval is alleen sprake van ‘in de handel brengen’ wanneer de merkhouder in staat is gesteld de economische waarde van zijn merk te realiseren. Reeskamp (overigens als advocaat in feitelijke instanties betrokken in onze zaak) verwoordt het hier bedoelde aspect volgens mij zuiver als volgt:
Peak Holdingpunt 40 heeft het HvJEU geoordeeld dat merkrechten alleen uitputten wanneer sprake is van een verkoop die de merkhouder in staat stelt de economische waarde van zijn merk te realiseren, maar daarin is niet verduidelijkt wanneer precies sprake is van een dergelijke verkoop. Wel heeft het HvJEU in
Mitsubishi/Duma [58] punt 46, welk arrest ook een uitputtingsvraag betrof, geoordeeld dat, in het geval van een verkoop op de EER-markt van waren waarvan het merk verwijderd is ‘dergelijke handelingen de houder de mogelijkheid om de economische waarde van de van het merk voorziene waar [ontnemen] en aldus zijn investering te gelde te maken door een eerste verhandeling in de EER.’ Hieruit blijkt volgens de klacht dat de relevante economische waarde die de merkhouder moet kunnen realiseren, de ‘EER waarde’ is. Hennessy c.s. hebben er uitdrukkelijk op gewezen dat het aanvaarden van uitputting in zaken als deze, merkhouders niet in staat stelt hun Europese merkrechten te verzilveren, indien zij daar niet de Europese marktprijs voor kunnen vragen die meestal hoger ligt dan in veel derde-landen [59] . Daarmee is rechtens onjuist dat de lagere exportprijs in plaats van de EER-marktprijs niet relevant is. Volgens de klacht is tenminste sprake van een kwestie die niet
‘clair’of
‘eclairé’is.
Mitsubishi/Dumadat dit een wezenlijk recht is van de merkhouder. De ratio hiervan is dat de rechthebbende al bij de eerste verhandeling van het product in staat is gesteld de economische waarde van zijn merk te realiseren en er geen (rechts)economische rechtvaardiging meer bestaat om hem die gelegenheid opnieuw te bieden bij iedere opvolgende verhandeling van het betrokken product. In onze zaak is niet in geschil dat er sprake is van een verkoop en levering door de merkhouder
in de EER(aan buiten de EER gevestigde kopers en met betrekking tot goederen geplaatst in T2) [60] . Met deze eerste verhandeling in de EER zijn Hennessy c.s. op zich in staat gesteld de economische waarde van hun merk te realiseren, zou de redenering volgens mij moeten zijn, zij het dat zij hier het risico lopen dat hun contractspartners zich niet aan de afspraken houden, zoals in onze zaak kennelijk is gebeurd, doordat de goederen niet in Afrika zijn opgedoken maar onder een derde en bestemd voor de EER. De redenering is dan dat daarmee, dus het (op welke manier dan ook, bijvoorbeeld zoals hier onder T2) in de EER in de handel brengen, de merkrechten zijn uitgeput. Om uit een merkverwijderingscasus, waarin het oorspronkelijke buiten de EER vermarkte Mitsubishi vorkheftrucs betrof die door Duma van merken waren gestript en vervolgens niet onder Mitsubishi-merken op de EER-markt werden gebracht, af te leiden dat daaruit volgt dat het erom gaat of de economische waarde op de EER markt is verwezenlijkt, lijkt mij geen gelopen race, omdat dat een duidelijk heel ander geval was. Het springende verschil is immers dat de merkhouder in die zaak de betreffende goederen
niet in de EERhad verkocht en geleverd, dus daar was het wezenlijke recht van de merkhouder om de eerste verhandeling van de waren in de EER te controleren in het geding, terwijl de producten van Hennessy c.s. nu juist
wel voor het eerst waren verhandeld in de EER(zij het met de bedoeling uiteindelijk te worden vermarkt op de Afrikaanse markt). Dat Hennessy c.s. met het oog op export en wederverkoop buiten de EER genoegen hebben genomen met een lagere prijs dan in het geval van wederverkoop in de EER, hoeft dit toch niet per se anders te maken. Anders gezegd: hier lopen de merkhouders een risico dat kennelijk uit kostenoverwegingen wordt genomen en dat behoeft de uitputtingsleer van het merkenrecht niet te repareren.
zij had dezelfde goederen ook voor hogere prijzen kunnen verkopen in de EU.Als de verwachtingen waaronder Hennessy de goederen verkocht niet uitkomen kan zij haar afnemers aanspreken wegens wanpresentatie,
maar het aanspreken van downstream kopers wegens merkinbreuk gaat wellicht te ver. Voor hen is het immers moeilijk, zo niet onmogelijk is om bij de koop van T2-goederen steeds na te gaan of zij niet worden aangeboden in strijd met een verkooprestrictie in een contract waarbij zij zelf geen partij zijn.” [61] (Cursivering A-G).
Peak Holding:
Peak. The price agreed for marketing the goods outside the EEA may not adequately remunerate marketing within, but this is a
questiononly between the parties to the agreement.” [62]
wezenlijke rechtom de eerste verhandeling van de waren in de EER te controleren. Dat recht is hier natuurlijk materieel wel gefrustreerd. De vraag is alleen voor wiens risico dit moet komen. Dat dat de merkhouder moet zijn hier, heeft denk ik (met de besproken auteurs) zeker de sterkste papieren: hij heeft de kans gehad de eerste EER-vermarkting te controleren en heeft dat ook gedaan, zij het met risico, zo blijkt, maar merkenrechtelijk is daarmee de kous wel af. Het merkenrecht dient niet om dat risicovolle optreden van de merkhouder te ondervangen; hij had ook een hogere prijs kunnen bedingen, de rechtszekerheid voor derden is in het geding en het past nog in een bepaalde lezing van de economische waardeleer uit
Peak Holding.Maar voor een situatie als de onze is dit in
Peak Holdingof anderszins nog niet met zoveel woorden uitgemaakt (zodat mij geen sprake lijkt van een
acte éclairé) en een nuance is denkbaar op die leer in een geval als dit waarin ‘onbedoeld’ het wezenlijke recht van eerste verhandeling materieel is gefrustreerd voor de merkhouder. Het is misschien maar beter dit ook in kort geding maar eerst prejudicieel op te helderen. . Uw Raad is hier niet toe gehouden, omdat het geen bodemzaak is [63] , maar het kan wel in kort geding natuurlijk. Dan zou geschorst moeten worden om bijvoorbeeld als prejudiciële vraag te stellen: Is er sprake van ‘in de handel brengen’ in de EER in een geval waarin sprake is van levering in de EER onder T2 aan derden gevestigd buiten de EER, ook in een geval waarin er vanuit moet worden gegaan dat de merkhouders met het oog op de verkoop voor export buiten de EER een lagere prijs hebben bedongen dan wanneer zij hadden geweten dat de waren op de EER-markt doorverkocht zouden worden, omdat zij immers gelegenheid hebben gehad om de economische waarde van hun merken te verwezenlijken in de zin van het arrest
Peak Holding?De vervolgvraag in geval van negatieve beantwoording zou dan kunnen zijn wat in een dergelijk geval dan wel de maatstaf is voor uitputting. Zie overigens evenwel voor een mogelijke vervolgvraag na de hiervoor geformuleerde hoofdvraag ook nog hierna in 2.34. Een reden te meer om nu in dit kort geding al vragen te stellen, is dat in deze zaak ook desgevraagd cassatie is opengesteld tegen het bestreden tussenarrest juist omdat partijen het aangewezen vonden dat deze uitputtingskwestie, het hoofdelement in deze zaak, eerst wordt opgehelderd. Dat pleit er lijkt mij voor om het dan ook maar meteen prejudicieel uit te laten maken in Luxemburg. Daar is deze zaak en overigens de merkenpraktijk in het algemeen het best mee gediend, omdat de gevraagde duidelijkheid er anders nog steeds niet definitief is.
Peak Holdingimmers niet relevant voor de vraag of in de handel is gebracht in de EER. De klachtuitwerking volgt in de subonderdelen 2.1-2.2.
Peak Holding(punten 53-56) niet relevant is, is volgens de klacht onjuist. Het HvJEU oordeelt daar volgens de klacht slechts dat het beding in een verkoopovereenkomst met territoriale beperkingen van het recht op wederverkoop niet in de weg staat aan uitputting. Volgens de klacht heeft het HvJEU
geenoordeel gegeven over de hier voorliggende vraag of het oogmerk dat de goederen buiten de EU zouden worden gebracht – welk oogmerk blijkt uit een serie feiten en documenten anders dan een enkele verkoopovereenkomst [64] – kan meebrengen dat geen sprake kan zijn van uitputting. Alternatief geformuleerd luidt de klacht: het HvJEU heeft niet geoordeeld dat de bedoeling van een merkhouder en haar afnemers, zoals die blijkt uit feiten en documenten, niet relevant is in het kader van de uitputtingsvraag. Het oordeel in
Peak Holdingbetreft louter de vraag of een bepaling in een verkoopovereenkomst de uitputting kan voorkomen, terwijl in deze zaak uit diverse feiten en documenten blijkt dat het oogmerk van verkoper en koper was om de waren buiten de EU te brengen en aldaar te verhandelen. Ook was in
Peak Holdingaan de orde verkoop aan een in de EER gevestigde marktpartij en een beslissing uit zo’n casus is niet te extrapoleren naar die uit onze zaak met verkoop aan buiten de EER gevestigde marktdeelnemers. De klacht onderbouwt dit met de stelling dat de ratio van de uitputtingsregel is te voorkomen dat merken worden gebruikt ter afscherming van nationale markten in de EER. Het oogmerk om buiten de EER te verkopen maakt zo’n afscherming onmogelijk en is dus wel degelijk relevant. De klacht verwijst hiertoe ook terug naar het in onderdeel 1 bedoelde Besluit, waar het oogmerk op distributie binnen de EER vereist is, wil er sprake zijn van ‘in de handel brengen’. Het is een vraag naar geharmoniseerd merkenrecht waaromtrent duidelijkheid ontbreekt, zodat er geen sprake is van een
acte clairof een
acte éclairé,zodat indien Uw Raad al niet zelf oordeelt dat de besproken aspecten wel relevant zijn voor de uitputtingsvraag, bij twijfel een prejudiciële vraag lijkt aangewezen.
onderbouwingvan het rechtsoordeel dat de verwachting van Hennessy c.s. dat de waren buiten de EU zouden worden gebracht niet relevant is voor de uitputtingsvraag, die ook geen doel kan treffen, omdat het rechtsoordeel zelf dan voor juist moet worden gehouden.
Peak Holdingvolgt dat het bedingen van een verbod van wederverkoop in de EER in een tussen de merkhouder en een in de EER gevestigde marktdeelnemer gesloten verkoopovereenkomst het in de EER in de handel brengen in de zin van art. 7 lid 1 van Pro de Merkenrichtlijn niet uitsluit en daarmee niet in de weg staat aan merkenrechtelijke uitputting bij wederverkoop in de EER in strijd met het verbod [65] . Zo’n beding impliceert volgens mij ook het oogmerk van en de verwachting bij de merkhouder dat de waren door de koper
buiten de EERworden gebracht om daar te worden verhandeld. Uit dit antwoord lijkt zo bezien dan te moeten – of in ieder geval te kunnen – volgen dat het oogmerk en de verwachting bij Hennessy c.s. dat de waren (na verkoop en levering in de EER) buiten de EU zouden worden gebracht door de kopers,
nietrelevant is voor de uitputtingsvraag.
Peak Holdingniet kan extrapoleren vanwege de afwijkende casuspositie – daar: verkoop aan een in de EER gevestigde marktdeelnemer, tegenover in onze zaak juist aan buiten de EER gevestigde marktdeelnemers – zie ik, voortgaand op het hoofdspoor, geen hout snijden. Dat Hennessy c.s. met deze verkoop in de EER geacht kunnen worden in staat te zijn gesteld de economische waarde van hun merk te realiseren, zagen we al onder ogen bij de bespreking van subonderdeel 1.2. Dat de kopers niet zijn gevestigd in de EER [66] lijkt mij dan eigenlijk geen factor van betekenis. Goederen kunnen ook in de EER in de handel worden gebracht als de ontvanger van de goederen zelf in een land buiten de EER is gevestigd [67] . Ook buiten de EER gevestigde rechtspersonen nemen immers deel aan het communautaire handelsverkeer [68] . Ik zie geen overtuigende reden om over deze kwestie anders te oordelen alleen omdat het in onze zaak anders dan in
Peak Holdinggaat om kopers die buiten de EER zijn gevestigd. Zo daar twijfel over zou bestaan, is die kwestie lijkt mij al gedekt door de voorgestelde prejudiciële hoofdvraag uit 2.30.
Peak Holdingdenk ik niet onjuist uitgelegd. Dat betekent ook dat de vervolgklacht op de hoofdroute schipbreuk lijdt, dus de deelklacht dat het hof op grond van een onjuiste uitleg van
Peak Holdingten onrechte de feiten en documenten waaruit de bedoeling om de producten te exporteren blijkt, niet relevant acht, althans deze niet (kenbaar) meeweegt in het kader van de beoordeling van de eventuele uitputting.
oogmerkzoals dat blijkt uit de verschillende feiten en documenten als aangehaald door Hennessy c.s. [69] . Deze feiten en documenten heeft het hof niet kenbaar in de beoordeling betrokken, wat het oordeel volgens de klacht een motiveringsgebrek oplevert, nu deze feiten en documenten onmiskenbaar wijzen op de uitvoer naar een derde land. Het betreft de stellingen van Hennessy c.s. die zijn opgesomd in procesinleiding in cassatie onder 23 sub a t/m g.
oogmerk tot exportuitdrukkelijk onder ogen heeft gezien, maar als niet relevant heeft gepasseerd in rov. 5.7. Dat het hof in zijn motivering spreekt over ‘de verwachting’ van Hennessy c.s. en niet ‘het oogmerk’ maakt dit volgens mij niet anders.
bonded warehousesen dergelijke om het risico van uitputting te voorkomen. Het onderdeel richt zich ook tegen de onderbouwing daarvan: dat om gebruik te maken van logistieke dienstverleners het voor een merkhouder niet nodig is dat de betreffende waren eerst onder T2 aan een derde worden verkocht; de merkhouder zou de betreffende waren ook zelf kunnen (doen) vervoeren en opslaan ter export. De uitwerking van de cassatiebezwaren hiertegen volgt in de subonderdelen 3.1-3.2.
bonded warehouses, maar dat zij het transport tot over de EU-grens zelf zullen moeten regelen. Het hof bevestigt dit alleen maar door erop te wijzen dat Hennessy c.s. het ook zelf kunnen doen. Dat Hennessy c.s. het ook zelf kunnen doen is niet in geschil, maar het oordeel van het hof brengt mee dat Hennessy c.s. het ook móeten doen. En dat maakt dat het oordeel, zonder nadere motivering die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Volgens de klacht geldt dit te meer in het licht van de uitleg van Hennessy c.s., dat de gevolgen van uitputting in situaties als deze onredelijk uitpakken voor in de EU gevestigde fabrikanten. Daartoe heeft Hennessy c.s. gewezen op de volgende nadelen voor in de EU gevestigde fabrikanten, zou uitputting in een geval als dit worden aangenomen [70] :
bonded warehouses(zoals [C] ) en dergelijke om het risico van uitputting te voorkomen.
al dan niet met gebruikmaking van logistieke dienstverleners.Daarmee lijken de punten aangekaart door Hennessy c.s. impliciet verworpen. In die lezing ontbeert de klacht feitelijke grondslag.
‘op de voet van art. 1019i Rv’ [72] zal Hennessy c.s. vertrouwelijkheid worden opgelegd) en het dictum volgt dat het hof (analogisch [73] ) toepassing heeft gegeven aan het vertrouwensregime van art. 1019ib Rv [74] . In cassatie hebben partijen niet tijdig geklaagd over het oordeel dat (analogische) toepassing van dit regime in onze zaak mogelijk is [75] . In cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat het vertrouwensregime van art. 1019ib Rv kan worden opgelegd.
op verzoekopleggen. Ook hier volstaat een informeel verzoek:
proceshoudingvan een partij kan worden afgeleid dat om de maatregel is verzocht, lijkt mij in dit licht te ver gaan; dat komt neer op ambtshalve toepassing langs een omweg. Genoeg is een informeel verzoek, maar om dat uit ‘de proceshouding’ af te leiden lijkt mij hiermee op te gespannen voet te staan. Er moet wel een verzoek zijn gedaan. Dat is ter zitting wel te sturen als rechter, door het verzoek te opperen, maar dat is in mijn ogen wel zo ongeveer de grens. Een aanwijzing dat het afleiden uit de proceshouding die grens overschrijdt is lijkt mij ook dat vereist is dat het informele verzoek deugdelijk gemotiveerd moet worden, zoals we hebben gezien [92] .
“advocaten”(meervoud), en dus niet één advocaat (enkelvoud), bevoegd moeten zijn toegang te krijgen. Dit klemt volgens de klacht te meer in zaken als deze die in de regel door een advocatenteam worden behandeld, waarbij wordt aangetekend dat een zaak ook door een advocaat moet kunnen worden overgedragen aan een andere advocaat.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
Van Doren/Lifestylegeformuleerde uitzonderingsregel.
.Het klaagt over de voorliggende aannames die zouden volgen uit het hofoordeel in rov. 5.5 dat een merkhouder zich wel kan verzetten tegen het opslaan en verhandelen van niet uitgeputte waren onder T2.
per exemplaar.
Subonderdeel 1.2.2werkt dit verder uit. Het oordeel is onjuist omdat het hof er ten onrechte van uit gaat dat het hier om
dezelfde stellingenzou gaan, door prod. 87 en de daaruit blijkende transacties te scharen onder de algemene en abstracte stelling van Hennessy c.s. ‘dat [verweerster] inbreuk pleegt of heeft gepleegd op de Hennessy-merken door zonder toestemming van Hennessy c.s. binnen de EU (niet-uitgeputte) Hennessy-producten op voorraad te houden, in te voeren, te verhandelen en uit te voeren’. Deze algemene stelling bevat alleen de gestelde overtreden rechtsregel, maar geen feitelijk verwijt, zodat tegen die stelling ook geen deugdelijk verweer te voeren is. De eerdere algemene stellingen bevatten geen concreet verwijt en zijn niet te herleiden tot enig door [verweerster] op voorraad gehouden, ingevoerde, verhandelde of uitgevoerd exemplaar van waaren waarop een van de litigieuze merken is aangebracht. De eerdere stellingen van Hennessy c.c. bevatten uitsluitend een juridisch criterium en geen enkele feitelijke stelling. In zoverre is het oordeel dat prod. 87 een toegestane nadere onderbouwing is van eerder aangevoerde stellingen onbegrijpelijk.
uitwerkingzijn te beschouwen van eerdere feitelijke merkinbreukstellingen.
Aanvulling grondslag eis
Productie 78in het geding gebracht. Hennessy wenst de Nieuwe Prijslijsten in aanvulling op de Prijslijsten aan zowel haar verbods- als exhibitievordering ten grondslag te leggen.
productie 79wordt per Nieuwe Prijslijst gedetailleerd uiteengezet welke inbreuken c.q. vermoede inbreuken daaruit volgen. Hieronder wordt daarvan een samenvatting gegeven.
in onderling verbandte beschouwen omstandigheden, is die conclusie gerechtvaardigd:
“subject unsold and subject to currency changes”
subject to unsold;
subject to unsold;
facturen A tot en met Eeen vijftal nader omschreven transacties volgen. In die akte staat verder vermeld:
diefeitelijke grondslag heeft het hof voorshands geoordeeld dat er geen sprake is van een concrete merkinbreuk door [verweerster] , zo hebben we gezien.
de feitelijke grondslagvan hun vordering te veranderden of te vermeerderen is dat oordeel onjuist. Een verandering of vermeerdering van eis kan zowel betrekking hebben op de vordering als op de feitelijke grondslag van de eis [107] . Dit brengt mee dat Hennessy c.s. uiterlijk bij mva/mvg nieuwe feiten aan hun vordering ten grondslag mochten leggen, nu het hof niet heeft geoordeeld dat er zich een hiervoor in 3.4 genoemde uitzondering op de tweeconclusieregel voordoet in onze zaak.
juridische grondslagvan de eis van Hennessy c.s. en niet de
feitelijke grondslagdaarvan.
secziet immers niet op
concretemerkinbreuken en bevat in zoverre geen
feitelijkverwijt.
onjuist, want in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, als het hof hier bedoelt dat er een onderscheid gemaakt kan worden tussen ‘formele’ en ‘materiële’ verweren, waarbij deze formele verweren ook daadwerkelijk zijn gevoerd door [verweerster] . Met de opmerking in pleitnota 54 is volgens de klacht juist door [verweerster] gesteld dat zij géén verweer voert en kan voeren, omdat de betreffende feitelijke stellingen buiten het (oorspronkelijke) debat in appel vielen. Het debat zou dan ook pas ten volle gevoerd zijn nadat [verweerster] gelegenheid had gekregen om op de stukken te reageren.
onbegrijpelijkals het hof de stelling(en) van [verweerster] in pleitnota 54, aldus heeft uitgelegd: dat zij daarmee deels, voor het ‘formele’ deel, verweer heeft gevoerd tegen prod. 87 en de daaraan verbonden stellingen.
voor zoverdit gebruik valt buiten het kader waarbinnen deze bescheiden aan MHCS verstrekt moesten worden. MHCS onderkent dit ook niet:
“stukken die [MHCS] ter inzage krijgt […] zal – en op basis van het vonnis ook: moet – [zij vertrouwelijk] behandelen.”[alinea 116 Memorie MHCS]. Tot het kader waarbinnen MHCS de informatie mocht gebruiken, behoort niet het voeren van dit hoger beroep [zie daarover de begeleidende brief bij de opgave,
productie 47].
Van Doren / Lifestyleis niet van toepassing wanneer de merkhouder op onrechtmatige wijze aan ‘zijn deel’ van de stelplicht en bewijslast heeft voldaan. Om die reden zou de bewijslast van het niet-uitgeput zijn van de bedoelde waren ten aanzien van de bedoelde transacties op MHCS rusten.
Van Doren / Lifestylevan toepassing, nu, alleen al door het gebleken opdrogen van meerdere bronnen, duidelijk is dat het gevaar voor afscherming van nationale markten bestaat. [verweerster] had in dat kader al in een kort geding op de voet van art. 843a Rv kunnen vorderen dat MHCS haar afschrift zou verstrekken van bescheiden waaruit blijkt wat binnen MHCS is gedaan met de bij de beslaglegging verkregen lotnummers – een actie die [verweerster] nu pas instelt in de bodemprocedure.
zoals die zouden blijken uit de prijslijsten.Het verweer tegen de stelling die MHCS dus
welinnam in dit appel, was dat dergelijke inbreuken helemaal niet bestaan, nu uit de prijslijsten niet van enige ‘waar’ blijkt – prijslijsten vermelde product
soorten. Dat is het debat in dit appel – niet alle stellingen die MHCS voor het eerst poneert in haar akte van vandaag. In dit appel wordt helemaal niet toegekomen aan de discussies over het gebruik van onrechtmatig gebruik van informatie, over bewijslastverdeling of welke andere verweren ook.
natuurlijkwél een uitbreiding van de feitelijke grondslag die op basis van de ‘in beginsel strakke regel’ niet toelaatbaar is: het zijn gewoon nieuw
gesteldeinbreuken [en nu dus wel concreet genoeg, maar te laat en onrechtmatig].”
kanzijn indien deze verkregen zijn in uitvoering van een
uitvoerbaar bij voorraadverklaard bevel tot exhibitie.
kanzijn van enige onrechtmatigheid. Hoewel zonder de vernietiging van het bevel zich een dergelijke onrechtmatigheid niet voordoet, is de vernietiging als zodanig niet de onrechtmatige handeling. Het dreigen met executie is de onrechtmatige handeling. De onrechtmatigheid van die handeling komt weliswaar normaliter pas aan het licht door de vernietiging van de veroordeling, maar die volgordelijkheid is in zoverre niet dwingend dat de vraag naar (on)rechtmatigheid pas kan opkomen nadat de veroordeling is vernietigd. In een beroepsprocedure waarin de vernietiging van een exhibitiebevel uit eerste aanleg onderwerp is van het beroep kan de hogere rechter zich een oordeel vormen over de (on)rechtmatigheid van de wijze waarop de bescheiden zijn verkregen,
zonder dat daartoe eersthet betreffende bevel vernietigd of geschorst hoeft te zijn.
want in strijd met de in het vonnis of het executievonnis geformuleerde doelen van de bevolen exhibitie, zijn verkregen. In cassatie wordt niet geklaagd over deze uitleg van het verweer van [verweerster] . Het hof heeft dan ook terecht alleen dit verweer van [verweerster] beoordeeld. De klachten gaan ervan uit dat het hof iets anders had moeten beoordelen:
de eventuele onrechtmatigheid van dreiging met executie van een rechterlijk bevel. [verweerster] heeft daarover echter niets gesteld. Althans het middel noemt geen vindplaatsen voor zo’n stellingname, zodat het hof dit volgens mij niet hoefde te beoordelen. De klachten zijn in essentie gebaseerd op het uitblijven van een dergelijke beoordeling en gaan daarom niet op. Daar waar de klachten tot uitgangspunt nemen dat het hof zich geen oordeel heeft gevormd over de door [verweerster] gestelde onrechtmatigheid, missen deze ook feitelijke grondslag. Het hof heeft genoemd verweer van [verweerster] over onrechtmatigheid in verband met de geformuleerde doelen van de exhibitie wel beoordeeld.
Van Doren/Lifestylegeformuleerde uitzonderingsregel, omdat [verweerster] haar stelling – dat na beslaglegging diverse bronnen van haar zijn opgedroogd, zodat duidelijk is dat het gevaar bestaat voor afscherming van nationale markten – na betwisting door Hennessy c.s. onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft deze stelling daarom onvoldoende aannemelijk geacht. Daarover formuleren de subonderdelen 2.3.2-2.3.7 een aantal klachten.
Van Doren/Lifestylein een kort geding, heeft miskend. Althans heeft het hof volgens de klacht een onbegrijpelijk oordeel gegeven door te overwegen dat er in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding is voor toepassing van deze uitzonderingsregel al dan niet op grond van art. 150 Rv Pro.
gedaagderust, moet de kortgedingrechter zich de vraag stellen of die verregaande positieverbetering van de eiser ook in kort geding wel gepast is. Het in kort geding onverkort vasthouden aan die (in beginsel voor de bodemprocedure bedoelde) bewijslastomkering kan feitelijk zo uitwerken dat het processuele evenwicht vrijwel steeds en onontkoombaar in het voordeel van de gedaagde (bedoeld zal zijn: eiser) uitvalt.
Van Doren/Lifestyle. De merkhouder moet stellen en bij betwisting ‘aantonen’ (bedoeld zal zijn: aannemelijk maken) dat voorbehouden handelingen zijn verricht, een vermeende inbreukmaker die een uitputtingsverweer voert moet stellen en bij betwisting ‘aantonen’ dat sprake is van uitputting, tenzij de vermeende inbreukmaker stelt en bij betwisting ‘aantoont’ dat een reëel gevaar bestaat dat nationale markten worden afgeschermd als hij uitputting moet ‘aantonen’, in welk geval de merkhouder moet ‘aantonen’ dat geen sprake is van uitputting.
effectiefberoep op de Van
Doren/Lifestyle-regel kan doen. Daarmee staan nationale procesrechtelijke regels in de weg aan de verwezenlijking van vrij verkeer van goederen. In zoverre is de (niet-)toepassing van het bewijsrecht met betrekking tot de bewijslastverdeling strijdig met Europees recht, aldus de klacht.
Van Doren/Lifestyle [118] besprak ik hiervoor in 2.15. Deze regel houdt in dat wanneer de vermeende inbreukmaker erin slaagt aan te tonen dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer hij zelf moet bewijzen dat van uitputting sprake is, de merkhouder moet aantonen dat de waren aanvankelijk door hemzelf of met zijn toestemming buiten de EER in de handel zijn gebracht [119] .
Van Doren/Lifestyleof strijd met Europees recht is volgens mij dan ook geen sprake. Onjuist is in dat kader ook de in subonderdeel 2.3.7 geponeerde stelling dat dit oordeel tot gevolg heeft dat in een kortgedingprocedure geen
effectiefberoep op de
Van Doren/Lifestyle-regel mogelijk is. Indien voorshands niet aannemelijk is dat bedoeld reëel gevaar bestaat, omdat niet aan de stelplicht op dit punt is voldaan, dan valt niet in te zien waarom deze bewijsregel, desondanks, wel zou moeten worden toegepast.
ubonderdeel 3.1ziet op de aanname onder i, die volgens de klacht juist is. In het geval dat een of meer van de onderdelen 1 t/m 3 van het principaal cassatieberoep slagen (bijvoorbeeld omdat voor het antwoord op de vraag of waren ‘in de handel’ zijn gebracht wel het ‘oogmerk’ van de verkopende partij of het door hem gehanteerde prijsniveau relevant zou zijn), dan impliceert dit volgens de klacht dat de aanname onder i ook op dit punt onjuist is.
onder idan ook onjuist zou zijn. Daar ketst deze klacht meen ik al op af.
ii, die onjuist zou zijn, maar ook daarvoor geldt dat [verweerster] hier pas een processueel belang bij heeft als een of meer van de onderdelen 1 t/m 3 van het principaal cassatieberoep slagen, zodat ook hier voorwaardelijk over wordt geklaagd.
daartoeop voorraad’ gehouden. Zodoende kwalificeert het enkele in T2 op voorraad houden van merkgoederen niet als een in art. 10 lid 3 Merkenrichtlijn Pro voorbehouden handeling.
ter verdere verhandeling [122] . In cassatie is niet geklaagd over deze vaststelling [123] . De klacht – die in wezen ziet op het onder T2 op voorraad houden
sec– mist dan belang, nu het hof onbestreden heeft vastgesteld dat de producten niet alleen onder T2 op voorraad worden gehouden, maar dat dat gebeurt om te worden verhandeld.
ubonderdeel 4.1.1richt zich tegen de eerste zin uit rov. 5.6 dat tussen partijen
niet in geschilis dat de in augustus 2016 bij [B] in beslag genomen Hennessy producten in Nederland door [verweerster] onder T2 op voorraad werden gehouden
ter verdere verhandeling. Dit was ook al vastgesteld door de voorzieningenrechter in rov. 4.14.
in de Unie’, die feitelijke vaststelling ‘ongefundeerd’ is. Door geen van partijen is gesteld dat de betreffende waren opgeslagen stonden ter verdere verhandeling binnen of buiten de Unie [126] , hetgeen door [verweerster] nader wordt toegelicht [127] .
in de Unie [128] .
ubonderdeel 4.2.1richt zich tegen de passage uit rov. 5.6 dat ook
niet in geschilis dat de in beslag genomen Hennessy-producten in juli 2016 door Hennessy c.s. zijn verkocht aan de onderneming [D] en de onderneming [E] en door Hennessy c.s. onder T2 zijn geleverd in Rotterdam (bij [C] of een andere expediteur),
waarbij Hennessy c.s. de bedoeling hadden dat deze door [D] en [E] buiten de EU zouden worden gebracht [129] .
ubonderdeel 4.3.1richt zich tegen het oordeel in rov. 5.7 dat Hennessy c.s. door de verkoop in staat zijn geweest om de economische waarde van het merk te realiseren en dat het gegeven dat zij met het oog op de verkoop voor export
een lagere prijs hebben bedongen dan wanneer zij hadden geweten dat de waren op de Europese markt doorverkocht zouden worden, aan dat oordeel niet afdoet.
subonderdeel 4.3.3dat deze feitelijke vaststelling ‘ongefundeerd’ is. Door geen van partijen is gesteld dat Hennessy c.s. met het oog op de verkoop voor export een lagere prijs hebben bedongen dan wanneer zij hadden geweten dat de waren op de Europese markt doorverkocht zouden worden, wat door [verweerster] nader wordt toegelicht [133] .