Uitspraak
gevestigd te Münster, Duitsland,
gevestigd te Zoetermeer,
2.Uitgangspunten en feiten
Om de hiervoor genoemde reden wordt evenmin afbreuk gedaan aan de kwaliteitsgarantie- en investeringsfunctie. Daar komt nog bij dat het standpunt van EPAL dat de reparaties door PHZ geen wijziging in de toestand van de waar opleveren, met zich brengt dat door de verdere verhandeling door PHZ van de gerepareerde pallets geen afbreuk aan deze functies van het merk wordt gedaan, omdat de pallets (dus) na reparatie niet zijn gewijzigd en daardoor niet als kwalitatief minder zijn aan te merken dan voorheen en dus ook niet als schadelijk voor de reputatie van het EPAL-merk zijn te beschouwen. (rov. 4.11)
3.Beoordeling van het middel
Onderdeel 1.1.3 klaagt over het oordeel van het hof in rov. 4.3 en betoogt (kort gezegd) dat van een wijziging ook sprake kan zijn als de waren niet kapot zijn.
Onderdeel 1.1.4 klaagt dat het hof in rov. 4.3 heeft miskend dat EPAL heeft gesteld dat reparatie van de kapotte pallets door PHZ de wijziging in de toestand die is ontstaan door het kapotgaan ervan, niet wegneemt.
Onderdeel 1.1.5 klaagt dat het hof (in rov. 4.13) heeft miskend dat uit vaste rechtspraak volgt dat door een partij aangevoerde subsidiaire stellingen niet terzijde mogen worden gesteld op de enkele grond dat deze stellingen tegenstrijdig zijn met hetgeen die partij primair heeft gesteld.
Onderdeel 3.2.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat het bij de functies van het EPAL-merk niet alleen gaat om de kwaliteit bij eerste verhandeling, maar juist ook daarna. Dat houdt verband met de aard van de waren, die onderling inwisselbaar zijn, bestemd zijn voor (veelvuldig) hergebruik en vaak zeer zwaar worden belast. Aan de productie en reparatie van de pallets moeten dan ook hoge eisen worden gesteld en gebruikers moeten erop kunnen vertrouwen dat de pallets aan die eisen voldoen, aldus het onderdeel.
Onderdeel 3.2.3 klaagt dat het hof (in rov. 4.10) de aard van het collectieve merk en de daaraan inherente aspecten heeft miskend. Het reglement dat bij het collectieve merk EPAL hoort, stelt zowel eisen aan de leden van EPAL als aan het merkgebruik door de leden van EPAL. Hierdoor heeft het collectieve EPAL-merk wel degelijk de functie om in te staan voor de kwaliteit na eerste verhandeling, aldus het onderdeel. Onderdeel 3.2.4 klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de herkomstaanduidingsfunctie door te aanvaarden dat deze functie alleen in het geding kan zijn op het moment van eerste verhandeling, maar niet daarna. In de gevallen bedoeld in art. 13 lid 2 GMVo Pro gaat het immers per definitie om de verdere verhandeling van waren, nadat zij in het verkeer zijn gebracht, aldus het onderdeel.
5.Vragen van uitleg
6.Uitlating partijen
7.Beslissing
10 januari 2020.