Conclusie
1.Feiten en procesverloop
AP/Valeo, punt 21). Deze rechtspraak is maatgevend (gebleven) voor de uitleg van de Europese uitzondering op de uitputtingsregel (rov. 4.4). PHZ heeft Europallets gerepareerd en verhandeld. EPAL kan zich in beginsel onder de in rov. 4.4 opgesomde voorwaarden tegen verdere verhandeling van deze pallets verzetten (rov. 4.7). PHZ komt geen beroep op uitputting toe, nu zij niet heeft gesteld dat de gerepareerde Europallets die zij aanbiedt door of met toestemming van EPAL (in gerepareerde toestand) in het verkeer zijn gebracht (rov. 4.8). EPAL heeft onbestreden gesteld dat niet-licentienemers, zoals PHZ, niet in staat zijn volgens de UIC-normen [6] te repareren omdat zij geen toegang hebben tot alle voorgeschreven materialen en dat de reparaties vervanging van wezenlijke palletonderdelen inhouden. Er kan niet worden gesproken van wijzigingen van ondergeschikte aard. De toestand van de gerepareerde Europallets is dus gewijzigd in de zin van art. 13 lid 2 GMVo Pro, zodat EPAL zich tegen verdere verhandeling kan verzetten (rov. 4.9). Overeenkomstig Europese rechtspraak kan in een situatie waarin gereviseerde waren worden aangeboden niettemin een gegronde reden voor verzet ontbreken indien ofwel het merk wordt verwijderd of onzichtbaar wordt gemaakt, ofwel degene die gerepareerde/gereviseerde waren verhandelt bij die verhandeling alles doet wat redelijkerwijs mogelijk is om duidelijk te maken dat het gaat om niet onder toezicht van de merkhouder gereviseerde producten. Het gaat erom dat PHZ actief de indruk en suggestie dient weg te nemen c.q. te voorkomen tot het distributienetwerk van EPAL te behoren of het bestaan van een bijzondere band met EPAL (rov. 4.10). Vaststaat dat PHZ het EPAL-merk niet heeft verwijderd of onzichtbaar gemaakt. Op de website van PHZ worden Europallets zonder enig voorbehoud en aanvullende mededelingen onder het EPAL-merk aangeboden, terwijl het publiek nergens uit kan afleiden dat eventuele reparaties niet door of namens EPAL zijn verricht. Uit dit enkele feit blijkt reeds dat PHZ niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk is om duidelijk te maken dat het gaat om niet onder toezicht van de merkhouder gereviseerde producten. Zo kan bij afnemers de onjuiste indruk worden gewekt dat er een economische band bestaat tussen EPAL en PHZ, meer in het bijzonder dat laatstgenoemde tot het distributienet van de merkhouder behoort, dat PHZ gelicentieerd is om reparaties te verrichten of dat er een andere bijzondere band tussen hen bestaat. EPAL heeft gelet op het voorgaande dus nog steeds een gegronde reden om zich tegen de verhandeling van de gerepareerde Europallets te verzetten (rov. 4.11).
Valeo-arrest van het BenGH, zulks op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom. Het hof heeft het vonnis voor het overige vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van EPAL afgewezen.
Valeo-arrest, dient de
Valeo-leer in zoverre te worden genuanceerd dat een merkhouder zich tegen verdere verhandeling van de waren kan verzetten indien sprake is van een gegronde reden en de verdere verhandeling afbreuk doet of kan doen aan de functies van het merk (rov. 4.5). Daartoe behoren onder het EU-merkenrecht niet alleen de wezenlijke functie om de consument de herkomst van de waar of de dienst te waarborgen (herkomstaanduidingsfunctie), maar ook de functie welke erin bestaat de kwaliteit van deze waar of dienst te garanderen, of de communicatie-, de investerings- en de reclamefunctie (rov. 4.6). EPAL heeft een beroep gedaan op de herkomstaanduidingsfunctie en de kwaliteitsgarantiefunctie en daarnaast op de investerings- of reclamefunctie (rov. 4.7).
oorspronkelijkeherkomst heeft), dat instaat voor de kwaliteit ervan op het moment van eerste verhandeling (aan de afnemers voor wie de pallets bestemd zijn). Het merk heeft niet de functie in te staan voor de kwaliteit nadien en garandeert ook niet dat derden daaraan geen reparaties zullen verrichten. Het is niet mogelijk om via een collectief merk af te dwingen dat pallets nadat zij met toestemming van de merkhouder in de handel zijn gebracht uitsluitend door bepaalde (rechts)personen – haar leden/licentienemers – volgens bepaalde normen worden gerepareerd om daarmee de kwaliteit, na eerste verhandeling, te handhaven (rov. 4.10).
Valeo-arrest geënte – subsidiaire stellingen van EPAL dat iedere reparatie door een niet-licentienemer een wijziging van meer dan ondergeschikte betekenis inhoudt, innerlijk tegenstrijdig en onbegrijpelijk zijn en dat deze stellingen, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, relevantie missen (rov. 4.13). Door de verdere verhandeling door PHZ van de door haar in 2014 gerepareerde pallets kunnen geen van de functies van het EPAL-merk worden aangetast, zodat geen gegronde redenen als bedoeld in art. 13 lid 2 GMVo Pro kunnen worden aangenomen (rov. 4.14). Het hof komt tot de slotsom dat het merkrecht van EPAL voor de europallets is uitgeput, zodat alle op merkinbreuk gestoelde vorderingen van EPAL niet toewijsbaar zijn, behalve voor zover tegen de toewijzing daarvan niet is gegriefd (rov. 5.1-5.2). [9] De (subsidiair aangevoerde) vorderingen uit onrechtmatige daad berusten in de kern op de stelling dat PHZ het EPAL-merk gebruikt, zodat deze vorderingen het lot delen van de op het merkrecht gebaseerde vorderingen (rov. 5.3).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Portakabin/Primakabinen de zaak
Viking Gas/Kosan Gas).
Portakabin/Primakabinging het, kort gezegd, om de vraag of het is toegestaan dat een derde (Primakabin) het merk van een ander (Portakabin) gebruikt als zoekwoord (‘adword’) in internetzoekmachines ten behoeve van het adverteren voor de verkoop van mobiele bouwsystemen, waaronder tweedehands Portakabins. Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Hoge Raad hieromtrent en meer in het bijzonder de vraag of een adverteerder in omstandigheden zoals in het hoofdgeding een beroep kan doen op uitputting van het merkrecht in de zin van art. 7 Eerste Pro Merkenrichtlijn 89/104, heeft het HvJEU erop gewezen dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de verkoop van tweedehands waren waarop een merk is aangebracht een alom bekende vorm van handel is waarmee de gemiddelde consument vertrouwd is. Op basis van het enkele feit dat een adverteerder het merk van een ander gebruikt onder toevoeging van de woorden die aangeven dat het betrokken product wordt doorverkocht, zoals ‘gebruikt’ of ‘tweedehands’, kan niet worden geconstateerd dat de advertentie de indruk wekt dat de wederverkoper en de merkhouder economisch verbonden zijn (en evenmin de reputatie van het merk ernstig schaadt). [38]
Viking Gas/Kosan Gasbetrof, kort gezegd, de vraag of sprake was van merkinbreuk in het geval van het navullen van gemerkte en als driedemensionaal merk beschermde composietgasflessen door een derde (Viking Gas) met niet van de merkhouder/licentienemer (Kosan Gas) afkomstig gas. Het HvJEU oordeelde dat door de verkoop van de composietfles de merkrechten zijn uitgeput en dat daardoor het recht om vrijelijk over de (lege) fles te beschikken is overgegaan op de koper. Daarmee verbonden is het recht van concurrenten om, binnen de door art. 7 lid 2 Eerste Pro Merkenrichtlijn 89/104 aan uitputting van het merkrecht gestelde grenzen, over te gaan tot het navullen en inwisselen van lege flessen. Met betrekking tot de vraag of de verhandeling van de door Viking Gas gevulde composietflessen geschiedt op een wijze die de indruk kan wekken dat er een economische band bestaat tussen die onderneming en Kosan Gas, heeft het Hof overwogen dat rekening moet worden gehouden met de etikettering van die flessen alsmede met de omstandigheden waaronder zij worden ingewisseld. Om te kunnen beoordelen of de door de etikettering bij een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument een onjuiste indruk wordt gewekt, dient volgens het Hof rekening te worden gehouden met de praktijken in die sector en met de vraag of consumenten eraan gewend zijn dat gasflessen door andere distributeurs worden gevuld. Verder heeft het Hof erop gewezen dat een consument die zich rechtstreeks tot Viking Gas wendt gemakkelijker kan nagaan of er al dan niet een band bestaat tussen die onderneming en Kosan Gas. [39] Het Hof laat daarmee (impliciet) ruimte om ook ‘post sale confusion’ (verwarring die zich niet voordoet bij het moment van verkoop/aankoop van de waar, maar daarna) te betrekken bij de vraag of door etikettering bij de consument een onjuiste indruk wordt gewekt. Het komt mij voor dat de oplossing voor ‘post sale confusion’ kan liggen in het aanbrengen van een eigen etiket door de wederverkoper. Het Hof wijst er namelijk op dat de omstandigheid dat op de gasfles een eigen etikettering is aangebracht, naast de (tevens zichtbare) oorspronkelijke woord- en beeldmerken, lijkt uit te sluiten dat daardoor de toestand van de flessen wordt gewijzigd door de oorsprong ervan te maskeren. [40] In een vergelijkbare zaak over navullen van gastanks (
Kool/Primagaz) heeft de Hoge Raad overwogen dat een beroep op uitputting van het merkrecht de navuller/wederverkoper niet kon baten, omdat hij geen eigen etiket op de tank had aangebracht noch anderszins op voor ieder kenbare wijze duidelijk had gemaakt dat de tank was gevuld met gas dat van hem afkomstig is en niet van de merkhouder. [41]
BMW/Deenik, het enkele feit dat een wederverkoper voordeel haalt uit het gebruik van het merk van een ander doordat de (overigens correcte en loyale) reclame voor de wederverkoop van de waren van dat merk zijn eigen activiteit een kwaliteitsuitstraling geeft. [42] Indien waren die zijn voorzien van een merk door of met toestemming van de merkhouder op de gemeenschappelijk markt zijn gebracht, staat het een wederverkoper niet alleen vrij om deze waren door te verkopen, maar ook om het merk te gebruiken om de verdere verhandeling van deze waren bij het publiek aan te kondigen. [43] Volgens het Hof is een voor informatiedoeleinden bestemd gebruik van het merk noodzakelijk om het recht van wederverkoop te verzekeren en wordt hierdoor geen ongerechtvaardigd voordeel getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. [44] Om die reden besliste het Hof dat de houder van het BMW-merk een derde niet kan verbieden om zijn merk te gebruiken of bij het publiek aan te kondigen dat hij gespecialiseerd of specialist is in de verkoop van tweedehands BMW-auto’s, mits de wijze waarop het merk in deze reclame wordt gebruikt geen gegronde reden voor de merkhouder oplevert om zich daartegen te verzetten. [45] Hoewel de uitputtingsregel geen betrekking heeft op aankondigingen betreffende de reparatie en het onderhoud (omdat deze niet de latere verhandeling van de betrokken waren betreffen), bepaalde het Hof dat het gebruik van andermans merk om de reparatie en het onderhoud van waren die van dit merk zijn voorzien, bij het publiek aan te kondigen onder dezelfde voorwaarden geoorloofd is als het gebruik van het merk om de wederverkoop van waren die van dit merk zijn voorzien bij het publiek aan te kondigen. [46]
Valeo-arrest van het BenGH uit 1992. [47] Dit arrest is gewezen onder de gelding van de oude Eenvormige Beneluxwet op de Merken (BMW), vóórdat deze aan de Eerste Merkenrichtlijn werd aangepast. Op grond van art 13A BMW gold als (enige) voorwaarde voor uitputting van het merkrecht dat de toestand van de waren niet is gewijzigd. [48] Daarmee bevatte art. 13A BMW een smallere basis voor het maken van een uitzondering op de uitputtingsregel dan de uitputtingsbepalingen in de Merkenrichtlijn, de GMVo en de UMVo. Slechts bij wijziging van de toestand van de waren had de merkhouder een recht van verzet. Naar aanleiding van het Gemeenschappelijk Commentaar van de Regeringen op art. 13A BMW werd in de rechtspraak en literatuur wel aangenomen dat onder een wijziging van de toestand van de waren slechts een wijziging viel die afbreuk zou kunnen doen aan de goede naam van het oorspronkelijk aangebrachte merk indien dit merk voor de gewijzigde waren werd gebruikt. [49] In de
Valeo-zaak stelde de Hoge Raad onder meer hierover prejudiciële vragen aan het BenGH.
Valeo-zaak stond de vraag centraal of ingevolge art. 13A BMW een merkhouder zich kon verzetten tegen het gebruik van zijn merk voor door hem of door zijn licentienemer in het verkeer gebrachte en nadien door anderen gereviseerde en/of gereconditioneerde [50] waren. Het ging in die zaak om oude versleten autokoppelingen en onderdelen daarvan die door de wederverkoper werden opgeknapt en als gereviseerde koppelingen voorzien van het oorspronkelijke merk (Valeo) werden doorverkocht, met toevoeging van het eigen merk van de wederverkoper (AP). Het BenGH oordeelde dat het antwoord op de bovengenoemde vraag afhangt van de aard en de omvang van de wijziging. Van een wijziging van de toestand van de waar, als bedoeld in art. 13A BMW, is geen sprake bij veranderingen die enkel het gevolg zijn van gebruik of slijtage. Er moet sprake zijn van een ‘door enigerlei ingreep van buiten teweeggebrachte verandering in die toestand’. De verandering mag bovendien niet van geheel ondergeschikte betekenis zijn. [51] Is na revisie of reconditionering sprake van een wijziging van meer dan ondergeschikte betekenis, dan is het merkrecht niet uitgeput. Volgens het BenGH is voor de in art. 13A BMW genoemde uitzondering op de uitputtingsregel niet vereist dat de wijziging afbreuk doet aan de goede naam van het merk. Dit baseert het BenGH niet alleen op de bewoordingen van de bepaling, maar ook op de strekking van art. 13A BMW als geheel. Die strekking brengt mee dat het recht van de merkhouder om zich tegen het gebruik van zijn merk te verzetten niet zodanig moet worden ingeperkt dat hij machteloos is tegen bij verdere verhandeling mogelijke schade aan het merk die door de strekking van die beperking niet wordt gerechtvaardigd. Het BenGH heeft overwogen dat de Regeringen in het Gemeenschappelijk Commentaar op art. 13A BMW niet tot uitdrukking hebben willen brengen dat ook andere schade aan het merk dan die aan de garantiefunctie in dit verband rechtens geen rol behoort te spelen. [52] Het BenGH heeft beslist dat een merkhouder zich evenwel niet kan verzetten indien de degene die gereviseerde en/of gereconditioneerde waren in het verkeer brengt aantoont (i) dat verwijdering van het merk niet mogelijk is zonder afbreuk te doen aan de technische deugdelijkheid of de praktische bruikbaarheid van de waren of (ii) dat het om andere redenen onredelijk zou zijn om verwijdering van het merk te vergen en hij bij het in het verkeer brengen van de waren alles doet wat redelijkerwijs mogelijk is om het publiek duidelijk te maken dat hij niet de oorspronkelijke, van de merkhouder afkomstige waar verhandelt, maar een door anderen gereviseerd en/of gereconditioneerd product. [53]
debranding) merkgebruik kan opleveren waardoor afbreuk kan worden gedaan aan de functies van het merk, waaronder de wezenlijke functie om de consument de herkomst van de waar te waarborgen (herkomstaanduidingsfunctie) [56] , althans een wijziging betreft in de toestand van de waren vanwege de maskering van de oorsprong. [57] Ook Verkade heeft betoogd dat de strenge
Valeo-leer in EU-perspectief voor verzachting in aanmerking komt. [58]
EPAL/Capa [59] en
EPAL/Wijnmaalen [60] oordeelde de rechtbank dat de reparatie door Capa en Wijnmaalen van de pallets voorzien van het EPAL-merk een wijziging in de toestand van de waar inhield als bedoeld in art. 13 GMVo Pro, omdat vaststond dat bij de reparatie niet de in de UIC codes opgenomen normen werden geëerbiedigd. [61] In de zaak
Epal/Wijnmaalenheeft de rechtbank daaraan toegevoegd dat niet is komen vast te staan dat het zou gaan om een wijziging van geheel ondergeschikte betekenis. Op grond van het
Valeo-arrest (dat volgens de rechtbank ook richtinggevend is voor de uitleg van art. 13 GMVo Pro) en de jurisprudentie van het HvJEU (de eerder genoemde zaken
Portakabin/Primakabinen
Viking Gas/Kosan Gas) heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat het wederverkopen van gereviseerde waren die zijn voorzien van het oorspronkelijke merk en het in de handel brengen van waren onder dat merk, handelingen vormen waartegen de merkhouder zich kan verzetten. Op dit uitgangspunt zijn volgens de rechtbank uitzonderingen mogelijk, maar daarbij geldt als belangrijke eis dat degene die de gereviseerde waren verhandelt bij die verhandeling alles doet wat redelijkerwijs mogelijk is om duidelijk te maken dat het gaat om niet onder controle van de merkhouder gereviseerde producten. In beide zaken oordeelde de rechtbank dat aan deze voorwaarde niet was voldaan, aangezien de pallets zonder een dergelijke mededeling werden aangeboden, terwijl op de pallets evenmin tekens waren aangebracht die duidelijk maakten dat het niet om de oorspronkelijke waar ging, maar om gereviseerde producten. Onder die omstandigheden heeft EPAL volgens de rechtbank een gegronde reden om zich tegen de verhandeling van gereviseerde producten te verzetten nu dat gebruik bij de afnemers de onjuiste indruk kan wekken dat er een economische band bestaat tussen de merkhouder en Capa en Wijnmaalen, en meer in het bijzonder dat laatstgenoemden tot het distributienet van de merkhouder behoren of dat er een bijzondere band tussen hen en de merkhouder bestaat. [62] De rechtbank heeft het verweer van Wijnmaalen dat haar afnemers ‘natuurlijk’ weten dat de pallets door haar zijn gerepareerd van de hand gewezen, omdat de gerepareerde EPAL-pallets verder worden verhandeld en daarmee terechtkomen bij anderen dan de afnemers van Wijnmaalen die niet (kunnen) weten dat het om (door Wijnmaalen) gerepareerde pallets gaat, waardoor de reputatie van het EPAL-merk in het geding kan komen. [63] De rechtbank heeft aan zowel Capa als Wijnmalen een verbod opgelegd met betrekking tot de verdere verhandeling van gerepareerde pallets voorzien van het EPAL-merk. In deze zaken is, voor zover ik heb kunnen nagaan, geen hoger beroep ingesteld.
Onderdeel 1richt zich (met name) tegen rov. 4.2-4.3. Daarin heeft het hof overwogen dat namens EPAL desgevraagd bij pleidooi in hoger beroep is verduidelijkt dat in haar visie het kapotgaan van pallets vóór de reparatie de wijziging in de zin van art. 13 lid 2 GMVo Pro vormt, dat zij de reparatie dus niet (langer) ziet als het wijzigen van de toestand van de pallets en dat hiervan uitgaande – omdat niet gesteld of gebleken is dat PHZ in kapotte pallets heeft gehandeld – de inbreukvordering niet kan worden toegewezen op grond van de aanwezigheid van wijzigingen in de zin van art. 13 lid 2 GMVo Pro en geen betekenis kan toekomen aan het
Valeo-arrest.
enkelegrond dat deze stelling strijdig is met hetgeen die partij primair heeft gesteld (wat daarvan verder ook zij) mist dus feitelijke grondslag. Ook de andere klachten stuiten op het voorgaande af, zodat het onderdeel faalt.
specifieke voorwerpvan het merkrecht. Het HvJEU heeft duidelijk gemaakt dat er sprake is van een aantasting van de herkomstaanduidingsfunctie wanneer de indruk wordt gewekt dat tussen een derde en de merkhouder een economische band bestaat (één van de aanvaarde gevallen van een ‘gegronde reden’ voor verzet tegen verdere verhandeling). [66] Of ook andere functies (zoals de kwaliteitsgarantiefunctie en de communicatie-, de investerings- en de reclamefunctie van het merk) een rol spelen in het kader van het uitputtingsleerstuk is naar mijn mening nog niet opgehelderd. Het is de vraag of het geval waarin sprake is van (ernstige) schade aan de reputatie van het merk, ondergebracht kan worden bij een van de functies van het merk, of dat dit – zoals het HvJEU blijkens de genoemde rechtspraak lijkt aan te nemen – een zelfstandige gegronde reden voor verzet door de merkhouder vormt. Bovendien heeft het HvJEU zich, anders dan het BenGH in het
Valeo-arrest, nog niet (expliciet) uitgesproken over de vraag of enkel een wijziging of verslechtering van de toestand van de waar een gegronde reden kan opleveren voor verzet tegen verdere verhandeling of dat – zoals het hof blijkens rov. 4.13 van het bestreden arrest kennelijk heeft aangenomen – is vereist dat de verhandeling van gewijzigde of verslechterde waren afbreuk doet of kan doen aan de functies van het merk. Thans wordt in de literatuur wel aangenomen dat op zichzelf voldoende is dat er sprake is van een wijziging of verslechtering in de toestand van de waren, omdat verondersteld wordt dat (de kwaliteitsgarantiefunctie van) het merk daardoor schade kan ondervinden. [67]
Valeo-leer geldt, in die zin dat degene die gereviseerde waren verhandelt, in beginsel het oorspronkelijke merk dient te verwijderen dan wel – indien verwijdering van het merk niet mogelijk is of redelijkerwijs niet kan worden gevergd – bij die verhandeling alles moet doen wat redelijkerwijs mogelijk is om duidelijk te maken dat het om gereviseerde producten gaat. Hierboven heb ik opgemerkt dat het HvJEU zich nog niet heeft uitgelaten over de vraag of en zo ja, in welke situatie, een merkhouder zich met een beroep op zijn merkrecht kan verzetten tegen verdere verhandeling van gerepareerde tweedehands merkproducten. Het is het twijfelachtig of het HvJEU hierin dezelfde benadering zal volgen als het BenGH in de zaak
Valeo. Repareren of reviseren door derden/niet-geautoriseerden door of vanwege de merkhouder vertoont verwantschap met de problematiek van het navullen door derden/niet-geautoriseerden. [68] Gelet op de duidelijk liberalere lijn die het HvJEU voor de laatste categorie heeft uitgezet ten opzichte van de strengere benadering van het BenGH uit
Valeo/AP, valt te verwachten dat het HvJEU voor de categorie repareren en reviseren zal afwijken van de lijn uit
Valeo/APdie het BenGH destijds aangaf. Ik stel voor deze vraag voor te leggen aan het HvJEU.
Viking Gas/Kosan Gasen
Kool/Primagaz, waaruit volgt dat etikettering van belang kan zijn bij de vraag of er de onjuiste indruk van een economische band wordt gewekt. Hoewel EPAL in feitelijke instanties het accent heeft gelegd op de
Valeo-leer (verwijdering van het merk), heeft zij evenwel ook (summierlijk) betoogd dat een economische band moet worden aangenomen nu PHZ het merk EPAL gebruikt en op geen enkele manier duidelijk maakt dat reparaties niet door een bij EPAL aangesloten onderneming zijn verricht (zie MvA onder nr. 74). Het hof is op dit betoog niet (expliciet) ingegaan. Het is de vraag of het hof dat had moeten doen. Nu niet geheel ondenkbaar is dat een parallel kan worden getrokken met de situatie zoals aan de orde in het arrest
Viking Gas/Kosan Gas, stel ik voor aan het HvJEU de vraag voor te leggen of onder omstandigheden zoals aan de orde in deze zaak voor een beroep op uitputting van het merkrecht relevant is of al dan niet door middel van etikettering aan het publiek duidelijk wordt gemaakt dat de pallets zijn gerepareerd door een niet aan EPAL gelieerde onderneming.
onderdeel 3het volgende op.
Onderdeel 3.2.1betoogt dat het hof heeft miskend dat de aard van de waren in kwestie (waren die naar hun aard onderling inwisselbaar zijn, bestemd zijn voor veelvuldig hergebruik en vaak zeer zwaar worden belast) meebrengt dat het bij de herkomstaanduidingsfunctie, maar ook bij de andere functies van het merk zoals met name de kwaliteitsgarantiefunctie van het EPAL-merk, niet alleen gaat om de kwaliteit van de waren na eerste verhandeling, maar ook daarna. Indien de minimale kwaliteit van de pallets niet onderling gelijk is, kan namelijk geen uitruil van pallets plaatsvinden, aldus EPAL.
identiteit van de oorsprongwordt gewaarborgd, in dier voege dat hij dat product zonder gevaar voor verwarring van producten van andere herkomst kan onderscheiden. De herkomstgarantie impliceert volgens het HvJEU ook dat de consument of de eindgebruiker erop kan vertrouwen dat derden niet in een aan de verhandeling voorafgegane fase zonder toestemming van de merkgerechtigde hebben ingegrepen in de
oorspronkelijke toestandvan een hem aangeboden en van het merk voorzien product. [70] Het merk dient te waarborgen dat alle met dat merk voorziene producten zijn vervaardigd onder controle van een en dezelfde onderneming die verantwoordelijk kan worden gehouden voor de kwaliteit ervan. [71] Nu uit de rechtspraak van het HvJEU duidelijk blijkt dat het bij de herkomstfunctie en de daarvan afgeleide kwaliteitsgarantiefunctie gaat om de oorspronkelijke toestand van de waren, kan mijns inziens zonder prejudiciële verwijzing worden geoordeeld dat het hof terecht heeft overwogen dat het merk de functie heeft in te staan voor de kwaliteit op het moment van eerste verhandeling en niet voor de kwaliteit nadien. De aard van de waren (in dit geval: dat de waren zijn bestemd voor roulatie en veelvuldig hergebruik) brengt mijns inziens geen verandering aan in de inhoud van deze functies van het merk. De aard van de waren kan overigens blijkens Europese rechtspraak wel een rol spelen bij de vraag of (door reclame) de reputatie van het merk kan worden aangetast.
AP/Valeo))?
Viking Gas/Kosan Gas))?