Conclusie
1.Feiten
De aannemer is gerechtigd als eerste en enige een prijsaanbieding te doen voor het op te dragen werk (...) door middel van een open begroting. Het bouwbudget waarvoor de woningen dienen te worden gebouwd wordt door Citadel Projecten opgegeven. Uitgangspunt geldt dat de aanneemsom niet hoger mag zijn dan de kosten voor het bouwen van de woning in een traditioneel bouwsysteem (...)”
2.Procesverloop
primair:
“een vergoeding van het positief contractsbelang, bestaande uit de winst en de dekking voor vaste kosten die [eiseres] derft”als gevolg van de gestelde schending door Staedion van haar contractuele verplichtingen. [6]
“sprake is van een ‘voorovereenkomst’, waarbij door partijen is afgesproken te onderhandelen en zich in te spannen om tot (uiteindelijk, dat wil zeggen na een bouwteam(overeenkomst)) een opdrachtovereenkomst voor de 240 woningen te komen”(rov. 7). Vervolgens overweegt het hof dat in het midden kan blijven of op Staedion de door [eiseres] gestelde contractuele verplichting rustte, nu ook indien moet worden aangenomen dat dit het geval is, de primaire vorderingen niet kunnen worden toegewezen (rov. 10). Het hof vervolgt (rov. 11):
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eersteklacht voert aan dat het hof heeft miskend dat indien sprake is van een overeenkomst als door [eiseres] gesteld en door het hof (veronderstellenderwijs) aangenomen, de eisen van redelijkheid en billijkheid niet, althans niet zonder meer meebrengen dat een partij de onderhandelingen mag afbreken indien zich onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan die dit afbreken rechtvaardigen. Het hof heeft miskend dat in een zodanig geval in ieder geval ook rekening gehouden dient te worden met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij, waaronder het verkrijgen van schadevergoeding.
wederpartijvan de partij die de onderhandelingen afbreekt, namelijk (het voortzetten van de onderhandelingen met als doel) de beoogde overeenkomst tot stand te brengen. Hiertegenover staat het belang van de partij die de onderhandelingen wil afbreken. Uit het feit dat het vervolgens moet gaan om onvoorziene omstandigheden die het afbreken
rechtvaardigen, volgt dat het bij de toepassing van de door het hof geformuleerde maatstaf aankomt op de vraag of deze omstandigheden zodanig gewicht in de schaal leggen, dat de belangen van de partij die de onderhandelingen afbreekt moeten prevaleren boven de belangen van zijn wederpartij bij nakoming van de contractuele onderhandelingsplicht. De onvoorziene omstandigheden moeten, met andere woorden, van zodanige aard zijn dat de afbrekende partij tot niets meer is gehouden, ondanks zijn contractuele plicht om te onderhandelen over de beoogde overeenkomst. Alleen in dat geval mag de rechter de balans volledig laten doorslaan naar de belangen van de partij die de onderhandelingen afbreekt. Aldus omvat het door het hof geformuleerde toetsingskader in feite een
belangenafweging. Dat komt tot uitdrukking in het woord “gerechtvaardigd”, waarbij de contractuele onderhandelingsplicht (het belang van de wederpartij) het uitgangspunt is. Dit betekent dat de ‘gerechtvaardigde belangen van de wederpartij’ wel degelijk zijn verdisconteerd in de beoordeling van het hof.
tweedeklacht houdt in dat het hof heeft miskend dat voor aanvulling van een overeenkomst als de onderhavige geen aanleiding bestaat en ook geen plaats is, omdat een partij die de onderhandelingen wil afbreken wegens onvoorziene omstandigheden op grond van art. 6:258 lid 1 BW Pro wijziging of (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst kan vorderen. Daarbij kan rekening worden gehouden worden met de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. [8]
van toepassing zijn. Het voorgaande kan aldus kort worden samengevat dat artikel 6.5.3.11 de buitengrens van artikel 6.5.3.1 lid 1 bepaalt voor die gevallen die te gecompliceerd zijn om anders dan bij een constitutief vonnis, omringd met de waarborgen van de artikelen artikel 6.5.3.11 en 6.5.12a[het huidige art. 6:260 BW Pro; A-G]
, in de verhouding van partijen in te grijpen. Dat rechtvaardigt om hier ook een meer uitgewerkte maatstaf op te nemen. (…)”
lex specialisvormt ten opzichte van art. 6:248 BW Pro, dat een partij niet met een beroep op art. 6:248 BW Pro kan bereiken dat de rechter in verband met onvoorziene omstandigheden de overeenkomst wijzigt of ontbindt als bedoeld in art. 6:258 BW Pro. [14] Wil een partij aan zijn beroep op onvoorziene omstandigheden de modaliteiten van art. 6:258 BW Pro verbonden zien, dan zal hij zich ook op deze bepaling moeten beroepen. De exclusieve werking van art. 6:258 BW Pro beperkt zich dus tot de rechtsgevolgen van het beroep op onvoorziene omstandigheden: de rechtsgevolgen van de bijzondere norm kunnen niet worden bereikt door een beroep op de algemene norm.
de factotot hetzelfde resultaat kan leiden als toepassing van art. 6:258 BW Pro, omdat het geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van een als gevolg van de overeenkomst geldende regel (al dan niet in combinatie met aanvulling krachtens art. 6:248 lid 1 BW Pro) op hetzelfde kan neerkomen als een wijziging of ontbinding van die overeenkomst. [15] Bovendien kan de rechter een beroep op art. 6:258 BW Pro lezen als het inroepen van art. 6:248 lid 2 BW Pro, als aan dit beroep niet het inroepen van wijziging of ontbinding wordt gekoppeld. Omgekeerd is het ook denkbaar dat de rechter een beroep op art. 6:248 BW Pro ‘omzet’ in een beroep op art. 6:258 BW Pro, wanneer hij in de stellingen een ‘verlangen’ als bedoeld in art. 6:258 BW Pro leest. [16]
VvE/CSMvan 25 juni 1999. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat art. 6:258 BW Pro niet in de weg staat aan
opzeggingvan een duurovereenkomst op grond van art. 6:248 BW Pro: [18]
“kennelijk [had] opgevat als een beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro”; de Hoge Raad casseerde omdat de rechtbank de maatstaf van art. 6:248 BW Pro verkeerd had toegepast, niet omdat voor toepassing van deze bepaling geen ruimte was. [20] Tot slot wijs ik op het arrest
Bramer/Colpro, waarin de verhouding tussen art. 6:233, onder a en art. 6:248 lid 2 BW Pro aan de orde kwam. Voor art. 6:233, onder a BW geldt blijkens de wetsgeschiedenis dat zij in zoverre moet worden beschouwd als een
lex specialisten opzichte van art. 6:248 lid 2 BW Pro, dat zij op voor het door haar bestreken terrein aan laatstgenoemde bepaling derogeert. [21] De Hoge Raad gaat hier uit van keuzevrijheid voor de belanghebbende: [22]
zullen met betrekking tot één feitencomplex niet naast elkaar kunnen worden ingeroepen (geen cumulatie). Niet valt evenwel in te zien op welke grond hier afgeweken zou moeten worden van het algemeen geldende uitgangspunt dat, indien verschillende bepalingen voor toepassing op één feitencomplex in aanmerking komen en cumulatie niet mogelijk is, aan de gerechtigde de keuze is welke rechtsgevolgen hij wenst in te roepen of op welke rechtsgrond hij zich wenst te baseren. Nu de regeling van Titel 5, Afdeling 3, Algemene voorwaarden, ertoe strekt de positie van de wederpartij van een gebruiker van algemene voorwaarden te versterken, zou aan die strekking worden tekort gedaan indien de wederpartij zou zijn verstoken van een beroep op art. 6:248 lid Pro 2. Ook het verschil in rechtsgevolgen – enerzijds nietigheid en anderzijds het niet van toepassing zijn van het beding – staat aan de hiervoor bedoelde keuzemogelijkheid niet in de weg, nu dit verschil voor de gebruiker van de algemene voorwaarden niet tot een onaanvaardbaar resultaat leidt.”
in dit gevalde mogelijkheid van een beroep op art. 6:258 BW Pro aan toepassing van art. 6:248 lid 1 BW Pro in de weg zou staan, faalt zij evenzeer. Uitgangspunt voor het oordeel van het hof is de aanname dat sprake is van de door [eiseres] gestelde contractuele verplichting. Deze verplichting kan, naar ’s hofs in cassatie onbestreden uitleg van de stellingen van [eiseres] , worden gekwalificeerd als een ‘voorovereenkomst’, waarbij – in de woorden van het hof – door partijen is afgesproken te onderhandelen en zich in te spannen om tot (uiteindelijk, dat wil zeggen na een bouwteam(overeenkomst)) een opdrachtovereenkomst voor de 240 woningen te komen. [23] Met de aanname dat sprake was van een contractuele onderhandelingsplicht, hoefde het hof alleen nog te beoordelen of Staedion in deze onderhandelingsplicht was tekortgeschoten door het overleg met [eiseres] te staken. Daarbij kon het hof geen gebruik maken van de maatstaf voor het afbreken van onderhandelingen in de precontractuele fase; [24] uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat deze maatstaf niet geldt voor afgebroken onderhandelingen in de contractuele fase. [25] Waarschijnlijk tegen deze achtergrond formuleert het hof in rov. 11 met toepassing van art. 6:248 lid 1 BW Pro een maatstaf, [26] aan de hand waarvan de in casu voorliggende vraag kan worden beantwoord en de reikwijdte van de aan de orde zijnde onderhandelingsplicht kan worden vastgesteld. Deze maatstaf heeft een
algemeenkarakter; het hof stelt immers vast wat de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW Pro) meebrengen voor een overeenkomst
als de onderhavige, en niet voor ‘de onderhavige overeenkomst’. De eventuele mogelijkheid van een beroep op art. 6:258 BW Pro stond aan dit oordeel niet in de weg.
eersteklacht heeft het hof miskend dat voor ambtshalve toepassing van art. 6:248 lid 1 BW Pro geen plaats is. In ieder geval heeft het hof miskend, zo luidt de
tweedeklacht, dat daarvoor in dit geval geen plaats is. Daartoe wordt aangevoerd dat Staedion zich er weliswaar op heeft beroepen dat zij wegens onvoorziene omstandigheden de onderhandelingen mocht afbreken, maar dat zij zich niet heeft beroepen op de rechtsgevolgen die het hof daaraan in rov. 11 van het bestreden arrest heeft verbonden. Staedion heeft haar beroep op onvoorziene omstandigheden immers gedaan in het kader van de door haar gestelde vrijblijvende intentie, [27] maar niet in het kader van de door [eiseres] gestelde en door het hof (veronderstellenderwijs) aangenomen overeenkomst. Staedion heeft de door haar gestelde onvoorziene omstandigheden derhalve niet toegesneden op een beroep op art. 6:248 lid 1 BW Pro. Door deze bepaling desondanks ambtshalve toe te passen is het hof (in strijd met art. 24 Rv Pro) buiten de rechtsstrijd van partijen c.q. het processuele debat getreden, zo wordt gesteld. De
derdeklacht houdt in dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof de ambtshalve toepassing van art. 6:248 lid 1 BW Pro niet heeft uitgelegd of toegelicht.
eersteklacht houdt in dat voor ambtshalve toepassing van art. 6:248 lid 1 BW Pro
in zijn algemeenheidgeen plaats is. Deze opvatting is onjuist. De verplichting van art. 25 Rv Pro ziet, naar wordt aangenomen, wel degelijk ook op de redelijkheid en billijkheid (als bron van objectief recht). Daarbij is de algemene opvatting dat de redelijkheid en billijkheid in beginsel enkel binnen de grenzen van de rechtsstrijd kunnen worden aangevuld. [40] De eerste klacht faalt derhalve.
tweedeklacht stelt dat het hof door ambtshalve toepassing te geven aan art. 6:248 lid 1 BW Pro buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden. Het daartoe gevoerde betoog begrijp ik (met Staedion [41] ) aldus, dat Staedion haar beroep op onvoorziene omstandigheden in het kader van de gestelde vrijblijvende intentie heeft gedaan, zodat het hof de rechtsgevolgen van dat beroep niet had mogen toepassen op de door het hof aangenomen contractuele verplichting tot onderhandelen (en, vervolgens, tot opdrachtverstrekking). [42] De redenering van [eiseres] is daarmee kennelijk dat indien het hof (al dan niet veronderstellenderwijs) zou aannemen dat sprake was van een contractuele verplichting tot (door)onderhandelen, het beroep op onvoorziene omstandigheden niet aan toewijzing van de primaire vordering in de weg zou (kunnen) staan, omdat dit beroep zou zijn gedaan in het kader van ‘de gestelde intentie’ en niet in het kader van een (veronderstellenderwijs) aangenomen contractuele verplichting.
“een niet juridisch bindende intentie om in overleg te treden over de bouw van 240 woningen.” [45] Deze intentie was niet juridisch afdwingbaar, en zo zij dit wel was, had zij niet de strekking om [eiseres] zonder meer opdracht te verstrekken voor de bouw van 240 woningen, aldus Staedion. [46] Daarbij wijst Staedion erop dat ook indien het wel tot onderhandelingen zou zijn gekomen, het geen gegeven is dat daar ook een opdracht voor de bouw van 240 woningen zou zijn uitgekomen. Zij geeft aan dat het voor haar feitelijk onmogelijk was een locatie of project aan te dragen waar, conform de eis van [eiseres] , 240 woningen ineens konden worden gebouwd en dat zij beperkt was in haar mogelijkheden als gevolg van nieuwe regelgeving. [47] Vervolgens gaat Staedion – aan de hand van de maatstaf voor het afbreken van onderhandelingen in de precontractuele fase [48] – in op de vraag of zij de onderhandelingen met [eiseres] mocht afbreken. Deze vraag dient volgens Staedion bevestigend te worden beantwoord, nu [eiseres] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een overeenkomst van opdracht tot de bouw van 240 woningen tot stand zou komen, sprake was van gewijzigde marktomstandigheden en gelet op de gerechtvaardigde belangen van Staedion. [49] In het kader van haar stelling dat sprake is van onvoorziene omstandigheden wijst Staedion erop dat de marktomstandigheden als gevolg van de kredietcrisis, de economische recessie en het instorten van de huizenmarkt zijn gewijzigd, hetgeen in 2004 en 2008 niet was te voorzien. Daardoor was het niet meer haalbaar en wenselijk om de resterende 240 woningen te bouwen, aldus Staedion. De gewijzigde marktomstandigheden vormen volgens Staedion een relevante omstandigheid bij de beoordeling of zij de onderhandelingen met [eiseres] mocht afbreken. [50] Dit een en ander brengt Staedion tot de volgende slotsom: [51]
“onvoorziene omstandigheden”– kon Staedion de onderhandelingen met [eiseres] gerechtvaardigd afbreken. Nu volgens Staedion slechts sprake was van een intentie tot (door)onderhandelen, heeft zij haar betoog dat de onderhandelingen mochten worden afgebroken gevoerd langs de lijnen van de toetsingsmaatstaf voor het afbreken van onderhandelingen in de precontractuele fase. [54] Het voorgaande maakt duidelijk dat de klacht terecht aanvoert dat Staedion haar beroep op onvoorziene omstandigheden heeft gedaan in het kader van haar betoog dat
geensprake was van een contractuele plicht tot (door)onderhandelen die had moeten leiden tot opdrachtverstrekking. Dit betekent echter niet dat het hof door art. 6:248 lid 1 BW Pro toe te passen (in strijd met art. 24 Rv Pro) buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, zoals de klacht betoogt. Daartoe is het volgende van belang.
algemenebeoordelingsmaatstaf wordt geformuleerd (vgl. 3.16). Bovendien geldt dat de stellingen van Staedion voldoende feitelijke aanknopingspunten boden voor het hof om het beroep van Staedion op onvoorziene omstandigheden aan de hand van deze maatstaf te toetsen. Staedion heeft immers steeds betoogd dat zij de onderhandelingen met [eiseres] mocht afbreken wegens (onder meer) onvoorziene omstandigheden en mede op die grond geconcludeerd tot afwijzing van de primaire vordering van [eiseres] . Zij heeft zich derhalve beroepen op het rechtsgevolg dat ook via de band van de volgens het hof uit art. 6:248 lid 1 BW Pro voortvloeiende maatstaf werd (c.q. kon worden) bereikt. [55] Het hof heeft zijn oordeel dat sprake was van onvoorziene omstandigheden die het afbreken van de onderhandelingen rechtvaardigen ook niet gebaseerd op feiten en omstandigheden die door Staedion niet in dit kader zijn aangevoerd.
intentietot onderhandelen – de maatstaf voor het afbreken van onderhandelingen in de precontractuele fase toepast, daar past het hof – veronderstellenderwijs uitgaande van een
contractueleonderhandelingsplicht – een uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW Pro) voortvloeiende maatstaf toe. Dit verschil neemt niet weg dat het steeds gaat om de vraag of het afbreken van de onderhandelingen door Staedion gerechtvaardigd wordt door onvoorziene omstandigheden. Ook in zoverre kan het feit dat Staedion haar betoog in een andere context heeft gevoerd, niet afdoen aan het oordeel van het hof.
Ook de tweede klacht kan niet slagen.
derdeklacht deelt het lot van de andere klachten van onderdeel a en faalt. Gelet op het partijdebat zoals uiteengezet onder 3.25-3.28, was het hof niet gehouden zijn oordeel nader te motiveren.
“overwegingen en beslissingen”het concreet het oog heeft en evenmin toelicht waarin het ‘verrassingselement’ is gelegen en waarom [eiseres] met deze overwegingen en beslissingen geen rekening hoefde te houden, heeft bij de beoordeling ervan het volgende te gelden.
gezien het verschil in contextvanuit gaan dat het beroep op onvoorziene omstandigheden zijn relevantie zou verliezen op het moment dat het hof zou aannemen dat sprake was van de door haar gestelde contractuele verplichting.
primair) dat
“gelet op de voorgaande klachten, de overwegingen en beslissingen van het hof in rov. 17 (die voortborduren op en onlosmakelijk samenhangen met de overwegingen en beslissingen van het hof in rov. 10 t/m 16) rechtens onjuist, onvoldoende begrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd zijn”. Daarnaast werpt het onderdeel (
subsidiair) een aantal klachten op voor het geval dat rov. 17 niet in samenhang moeten worden gelezen met rov. 11 van het bestreden arrest.
primaireklacht van het onderdeel bouwt voort op de voorgaande onderdelen en deelt derhalve in hun lot. De
subsidiairopgeworpen klachten – die slechts zelfstandige betekenis hebben indien rov. 17 op zichzelf, dat wil zeggen niet in samenhang met rov. 11 tot en met 16, gelezen zou moeten worden [65] – vormen in feite een herhaling van de zetten van onderdelen a en b. Nu deze onderdelen niet tot cassatie kunnen leiden, dienen ook deze subsidiaire klachten te falen. Onderdeel d is derhalve tevergeefs voorgesteld.