In deze zaak betreft het een geschil over de ontvankelijkheid van een hoger beroep in een faillissementsprocedure. Verzoekers, schuldeisers in het faillissement van een vennootschap, hadden een voorlopig beroepschrift ingediend tegen een beschikking van de rechter-commissaris. De rechtbank Gelderland verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift pas op 8 maart 2018 was ontvangen, terwijl de beroepstermijn op 7 maart 2018 was verstreken.
De Hoge Raad stelde vast dat het beroepschrift wel degelijk op 7 maart 2018 per fax was ontvangen door de griffie te Zutphen, een locatie van de rechtbank Gelderland. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het beroepschrift, hoewel gericht aan de rechter-commissaris, feitelijk was bedoeld voor de rechtbank als beroepsinstantie. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het beroepschrift bij de verkeerde instantie was ingediend.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank Gelderland en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing. Hiermee wordt bevestigd dat het tijdstip van ontvangst bij de juiste rechtbanklocatie bepalend is voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep, ook als het beroepschrift aanvankelijk aan een andere instantie binnen de rechtbank was gericht.