Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
eerste middelklaagt dat art. 6 EVRM Pro is geschonden, doordat het hof verklaringen van de aangeefster voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl de verdachte haar in geen enkel stadium van het geding heeft kunnen (doen) ondervragen, daarvoor geen goede reden was en hem dienaangaande onvoldoende compenserende maatregelen zijn geboden dan wel compenserende factoren aanwezig waren om die handicap te overkomen.
Voor zover aan het middel ten grondslag is gelegd dat niet zou zijn onderzocht of de aangeefster in een voor haar vriendelijke verhoorsituatie zou kunnen worden ondervraagd door gespecialiseerde verhoorders en dat het hof geen deskundigen over de toestand van de aangeefster heeft aangesteld, ontbeert het gelet op het voorgaande feitelijke grondslag.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring uitsluitend is gestoeld op de verklaring van de aangeefster, zonder dat die verklaring voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
[betrokkene 8] heeft met de verdachte gesproken in verband met misbruik binnen het gezin door de verdachte. De verdachte erkende dat er iets was gebeurd, maar bagatelliseerde zijn gedrag, aldus [betrokkene 8] .
[betrokkene 9] en zijn vrouw hebben met de verdachte gesproken nadat de aangeefster hen had verteld over incest. Tijdens het gesprek met de verdachte hebben [betrokkene 9] het probleem benoemd en gesproken over incest en misbruik. De verdachte ontkende niet, aldus [betrokkene 9] , maar vergoelijkte zijn gedrag min of meer en heeft iets gezegd in de trant van dat hij zich niet bewust was dat het zo’n impact op het leven de aangeefster had.
Tegen [betrokkene 10] heeft de verdachte verteld dat hij te ver was gegaan, dat hij zijn dochter streelde op plaatsen waar hij het niet had moeten doen en dat zijn dochter in bed lag, dat hij daar speels mee was en dat hij zodoende te ver is gegaan.