Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
29 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 december 2017, waarin verdachte werd veroordeeld voor ontucht met zijn minderjarige dochter. Het cassatieberoep richtte zich op twee hoofdpunten: het schenden van het ondervragingsrecht van verdachte zoals beschermd door artikel 6 EVRM Pro, doordat verklaringen van de aangeefster werden gebruikt zonder dat verdachte haar heeft kunnen ondervragen, en het ontbreken van voldoende steunbewijs ter onderbouwing van de veroordeling, waarbij sprake zou zijn van een unus testis situatie in strijd met artikel 342 lid 2 Sv Pro.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde dit advies. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de aangevoerde middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, met raadsheren Buruma en Claassens, en de waarnemend griffier Kea. Het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest bekrachtigd bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor ontucht met minderjarige dochter blijft in stand.