Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
C-359/16, ECLI:EU:C:2018:63 valt af te leiden dat door het gebrek aan medewerking van een andere lidstaat het mogelijk is dat het doorlopen van de procedure als bedoeld in artikel 16 van Pro de Verordening (EG) nr. 987/2009 lang kan duren. Tegen deze mogelijkheid pleit dat door het aanhouden van de zaak wellicht de behandeling van de zaak door de rechter binnen een redelijke termijn in het gedrang zou kunnen komen, zodanig dat strijd ontstaat met artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten in de Europese Unie (hierna: Handvest). Deze mogelijkheid heeft daarentegen het voordeel dat de vraag of van belanghebbende al dan niet de premies volksverzekeringen kunnen worden geheven grondig en in overeenstemming met de procedure als bedoeld in artikel 16 van Pro de Verordening (EG)
nr. 987/2009 zal zijn onderzocht.
16 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 door de SVB zou kunnen worden aangemerkt als de naleving van wettelijke procedurevoorschriften - ook al betreft dit niet de Inspecteur - ligt de hiervoor bedoelde mogelijkheid c meer voor de hand. Daarvoor is dan nodig dat de Hoge Raad zich erover uitlaat dat na terugwijzing van de zaak door het Hof aan de Inspecteur deze zich, onder schriftelijke mededeling aan belanghebbende, met vrucht zal kunnen beroepen artikel 7:10, vierde lid, aanhef, onderdeel c, van de Awb om bij het (opnieuw) doen van uitspraak op bezwaar te mogen wachten totdat, na de terugwijzing in de uitspraak van de CRvB, de definitieve uitkomst ten aanzien van de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014 bekend zal zijn. Zij het dat ook dan de vraag opkomt of hiervoor een maximale termijn geldt, nu belanghebbende in zijn toegang tot de (belasting)rechter niet oneindig mag worden belemmerd (artikel 47 van Pro het Handvest).
de Vakstudie-Nieuwsheeft bij het verzoek om beantwoording van de prejudiciële vragen aangetekend een voorkeur te hebben voor de oplossing waarbij ofwel de rechter ofwel de Inspecteur de zaak aanhoudt in afwachting van het onherroepelijk worden van de A1-verklaring: [17]
A-Rosa Flussschiff GmbH (C-620/15, EU:C:2017:309) – herinnerd aan de bindende kracht van de door appellant afgegeven A1-verklaringen buiten Nederland. Zelfs de hoogste nationale rechters van andere lidstaten van de EU mogen de door appellant in Nederland afgegeven A1-verklaringen niet ongeldig verklaren. Juist in geval van een complexe problematiek als de onderhavige, moeten de criteria en feiten die voor de toepassing van de regels betreffende de vaststelling van de geldende socialezekerheidswetgeving relevant zijn, worden vastgesteld en beoordeeld met inachtneming van de in artikel 16 van Pro Vo 987/2009 opgenomen procedurevoorschriften. Dat bevoegde organen van andere lidstaten naar zeggen van appellant de procedurevoorschriften van artikel 16 van Pro Vo 987/2009 niet naleven, doet hieraan niet af.
3.De prejudiciële procedure
4.De A1-verklaring
Vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving
E 101-verklaring.
E 101-verklaringen buiten beschouwing laten en dient hij te bepalen of de personen die ervan worden verdacht onder de dekmantel van frauduleus verkregen verklaringen een beroep te hebben gedaan op gedetacheerde werknemers, aansprakelijk kunnen worden gesteld op grond van het toepasselijke nationale recht.
BNB1996/2 van oordeel dat de betrokkene aan de detacheringsverklaringen niet het vertrouwen kon ontlenen niet in Nederland in de premieheffing volksverzekeringen te worden betrokken: [44]
nr. 1408/71 van 14 juni 1971 - het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat zij hier te lande niet in de premieheffing volksverzekeringen zou worden betrokken.
BNB2002/395: [47]
BNB2003/312 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aan een detacheringsverklaring geen betekenis toekomt en de betrokkene vanaf het moment van zijn verhuizing naar Duitsland niet meer in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen: [48]
BNB2009/312 beslist dat een detacheringsverklaring geen constitutief vereiste is voor de premieplicht. Indien een dergelijke verklaring wordt afgegeven, en onherroepelijk komt vast te staan, dan is de Belastingdienst daaraan in het kader van de premieheffing in beginsel gebonden: [49]
BNB2014/264 overwogen dat de bewijslast voor het ontbreken van de verzekeringsplicht rust op de belastingplichtige: [50]
A1-verklaring te toetsen: [56]
A1-verklaring bindend is voor de bevoegde organen én de rechterlijke instanties van de lidstaat waarbij een werknemer is gedetacheerd, zolang deze verklaring niet is ingetrokken. Het hof constateert terecht dat het in de zaak van de dga geen rechterlijke instantie is van de ‘ontvangende’ lidstaat, maar van de ‘afgevende’ lidstaat. Ook dan – aldus het hof – zijn de beslissingen van het HvJ van overeenkomstige toepassing. Het hof motiveert niet waarom deze rechtspraak van overeenkomstige toepassing is ten aanzien van de rechterlijke instanties van de lidstaat van afgifte van de A1-verklaring.
artikel 6 Verordening Pro 987/2009 de wetgeving van één van de lidstaten voorlopig op de betrokkene toegepast. In artikel 6 Verordening Pro 987/2009 zijn regels gegeven aan de hand waarvan moet worden bepaald welke socialezekerheidswetgeving in dat geval voorlopig moet worden toegepast. Voorlopig geïncasseerde premies en betaalde uitkeringen moeten de organen van de betrokken lidstaten met elkaar verrekenen volgens titel IV, hoofdstuk III van Verordening 987/2009. Artikel 6 Verordening Pro 987/2009 luidt:
artikel 6 Verordening Pro 987/2009 de verrekening van onder meer voorlopig betaalde premies dient plaats te vinden:
5.Twee kolommen: sociale zekerheidsrecht en fiscaal recht
Sociale zekerheidsrecht
de keuze voor twee kolommen(ook in de rechtsingang) als volgt toegelicht: [69]
6.Coördinatieregeling in de Awb niet van toepassing op fiscale besluiten
7.Intrekking of vervanging van een besluit genomen door een bestuursorgaan
de Graafschrijven dat de Awb geen bepaling kent over de intrekking en wijziging van besluiten: [85]
8.Hernieuwde behandeling van het bezwaar door een bestuursorgaan
Wet- en regelgeving
BNB2015/109 geoordeeld dat uitstel in de zin van
artikel 7:10, lid 4, Awb de beslistermijn van artikel 7:10, lid 1, Awb niet opschort: [96]
€ 1.260 bedraagt, zijnde het bedrag dat op grond van de in die bepalingen vervatte regeling ten hoogste verschuldigd is.
BNB2016/111 heeft de Hoge Raad beslist dat het gerechtshof niet bevoegd is de inspecteur een termijn te stellen waarbinnen hij een uitspraak kan doen zonder enige dwangsom te verbeuren: [97]
9.De taak van de bestuursrechter
Wet
BNB2004/226 een verzoek om herziening afgewezen omdat de in het verzoekschrift vermelde feiten en omstandigheden, als ze de Hoge Raad vóór het wijzen van het arrest bekend waren geweest, gelet op het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad opgedragen toetsing, niet tot een andere beslissing hadden kunnen leiden: [108]
BNB2005/84 overwogen dat aan een gerechtshof op voet van thans artikel 8:119 Awb Pro gevraagd kan worden een uitspraak, waartegen tevergeefs beroep in cassatie is ingesteld, te herzien: [109]
BNB2011/100 heeft de Hoge Raad overwogen dat het bestuursorgaan bij het vaststellen van de belastingaanslagen in het algemeen geen beleidsvrijheid toekomt: [110]
BNB2015/91 uitdrukkelijk bij de hierboven door de ABRvS uitgezette lijn aangesloten: [112]
Tekst en Commentaaris ingegaan op het beslisschema van artikel 8:72 Awb Pro met het oog op de finale geschilbeslechting: [113]
Verheijin op de regel dat: ‘de bestuursrechter toetst ex tunc, maar het bestuur beslist ex nunc’: [114]
10.Overschrijding redelijke termijn
BNB2011/232 is de Hoge Raad van oordeel dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 EVRM Pro mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht: [117]
BNB2016/140 geoordeeld dat de tijd die gemoeid is met het afwachten van een beslissing in een andere procedure bij een andere rechter, bij de beoordeling of sprake is van de overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing blijft: [119]
EU-recht, [126] als waar zij met een beroep op verdragsrechtelijke bepalingen een regeling treffen waarin wordt afgeweken van de vier vrijheden. [127] Dit laatste werd nog eens bevestigd in een arrest betreffende de Oostenrijkse regulering van kansspelautomaten. [128] In het arrest Åkerberg Fransson hadden de prejudiciële vragen betrekking op aan de belanghebbende wegens niet-nakoming van zijn aangifteverplichtingen opgelegde sancties. Het ging erom of door het opleggen van een bestuursrechtelijke sanctie en een strafrechtelijke vervolging het in artikel 50 Handvest Pro neergelegde ne bis in idem-beginsel was geschonden. Het Hof achtte
Btw-richtlijn voortvloeit dat de lidstaten verplicht zijn om alle bestuurlijke maatregelen te treffen tot inning van de Btw en om fraude te bestrijden (punt 25). Daarom dienen zij maatregelen te treffen ter bestrijding van activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden (artikel 325 WVEU Pro). De betreffende regelingen ter zake van boetes en strafvervolging zijn weliswaar niet ingesteld om uitvoering te geven aan de Btw-richtlijn, maar dienen wel om de schending van haar bepalingen te bestraffen; dus geven zij uitvoering aan de specifieke verplichting om gedragingen waarmee de financiële belangen van de Unie worden geschaad, effectief te bestraffen (punt 28). In het arrest Siragusa [129] wordt het algemene deel van de overwegingen uit Åkerberg Fransson verder uitgewerkt. Het Hof haakt hier in op het hierboven al geciteerde begrip ‘ten uitvoer brengen van het Unierecht’. In een inmiddels befaamde overweging verklaart het dat dit ‘vereist dat er een zekere mate van een verband bestaat dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere’. Factoren die daarbij relevant zijn, zijn of de nationale regeling
11.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ten geleide
31 december 2013 onderworpen was aan de heffing premie volksverzekeringen in Nederland. [134]
A1-verklaring afgegeven. Deze A1-verklaring van 24 juni 2014 houdt in dat belanghebbende van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 was onderworpen aan de heffing van premie volksverzekeringen in Nederland. [136]
A1-verklaring houdt in dat belanghebbende in dienst is van [C] Ltd. en is onderworpen aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving voor de periode 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014. [140]
€ 33.363. [141]
4 januari 2014 onherroepelijk vaststaat en niet is ingetrokken. Vervolgens zal worden behandeld of de A1-verklaring een constitutief vereiste is voor de verzekeringsplicht. Na een uiteenzetting van wat bedoeld wordt met gebonden zijn aan de A1-verklaring, wordt ingegaan op de vraag of de Belastingdienst gebonden is aan de A1-verklaring. Vervolgens wordt aan de orde gesteld of de Inspecteur premie volksverzekeringen mag heffen als een A1-verklaring nog niet onherroepelijk vaststaat. Tot slot wordt aan de orde gesteld of de belastingrechter gebonden is aan een (niet onherroepelijk vaststaande) A1-verklaring.
A1-verklaring van 4 januari 2013 bindend is voor de organen van de andere lidstaten (artikel 5 van Pro de Verordening (EG) nr. 987/2009). Dit zou nopen tot de conclusie dat de vrijstelling van premie volksverzekeringen (voor de periode 3 januari 2013 tot en met 31 december 2013) op basis van de door de SVB gegeven A1-verklaring van 4 januari 2013 moet worden geweigerd. Tegen deze conclusie pleit dat met de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014 de door haar gegeven A1-verklaring van 4 januari 2013 is achterhaald (en wellicht als (met terugwerkende kracht) ingetrokken moet worden beschouwd en een nieuwe verklaring is gegeven op basis van de gewijzigde omstandigheid dat belanghebbende met ingang van 1 februari 2013 werknemer is van [C] Ltd. Zij het dat de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014 in zoverre onjuist is, dat deze voor januari 2013 niet kan zijn gebaseerd op de omstandigheid dat belanghebbende met ingang van 1 februari 2013 werknemer is van [C] Ltd.
19 april 2018, expliciet in te trekken. [167]
bevestigt [175] het bevoegde orgaan van de lidstaat waar het bedrijf is gevestigd dat de werknemers tewerkstelt, dat deze werknemers aan zijn eigen socialezekerheidsregeling onderworpen blijven”.
BNB2009/312 geoordeeld dat indien een detacheringsverklaring wordt afgegeven, en onherroepelijk komt vast te staan, de Belastingdienst in het kader van de premieheffing in beginsel daaraan gebonden is. [181]
BNB2009/312 geoordeeld dat de Belastingdienst in het kader van de premieheffing aan een door de SVB afgegeven detacheringsverklaring [193] , die onherroepelijk komt vast te staan, in beginsel is gebonden. [194] Gelet op de omstandigheid dat aangenomen wordt dat de jurisprudentie van het HvJ ter zake van detacheringsverklaringen onder de oude Verordening 1408/71 en toepassingsverordening 574/72 zijn geldigheid heeft behouden, heeft dit mijns inziens ook te gelden voor de jurisprudentie van de Hoge Raad. Dit betekent dat op grond van voornoemd arrest de Belastingdienst is gebonden aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring, die onherroepelijk komt vast te staan.
A1-verklaring voortkomt uit de in de Nederlandse wetgeving opgenomen bevoegdheidsverdeling, zie ik geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. [207]
A1-verklaring van 4 januari 2013 [B] BV aan als werkgever voor de periode
3 januari 2013 tot en met 31 december 2013. [209] In werkelijkheid was [B] BV belanghebbendes werkgever voor de periode 1 januari 2013 tot en met 31 januari 2013 en vanaf 1 februari 2013 tot en met 31 december 2013 was [C] Ltd belanghebbendes werkgever. [210]
BNB2009/312 dat de Belastingdienst gebonden is aan een door de SVB afgegeven onherroepelijk vaststaande detacheringsverklaring mee dat de Belastingdienst ook gebonden is aan een in een onherroepelijk vaststaande A1-verklaring opgenomen onjuiste feitenvaststelling. [211]
sociale-zekerheidskolom). In zoverre kan de belastingrechter niet treden in de door de SVB afgegeven A1-verklaring over de vaststelling van de toepasselijke wetgeving.
sociale-zekerheidsrechter [219] kan de belastingrechter niet treden in de in de
A1-verklaring neergelegde feitenvaststelling noch in de vaststelling van de toepasselijke wetgeving.
BNB2003/312 heeft geoordeeld dat aan de omstandigheid dat ten name van belanghebbende een detacheringsverklaring is afgegeven dat hij onder de Nederlandse wetgeving blijft vallen, geen betekenis toekomt nu het aangrijpingspunt voor het blijven onderwerpen van de betrokkene aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving verloren is gegaan door een verhuizing naar Duitsland. [220] Deze gevolgtrekking zou kunnen voortkomen uit het standpunt dat de in Verordening 1408/71 neergelegde aanwijsregels slechts tot premieplicht kunnen leiden indien hiervoor een expliciete grondslag in de Nederlandse wet is. [221] Deze problematiek speelt echter in de onderhavige zaak niet.
BNB2000/288 [222] waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een gerechtshof de verzekeringsplicht mocht baseren op een andere bepaling van Verordening 1408/71 dan de door de SVB in de detacheringverklaring opgenomen bepaling. Dit lijkt te impliceren dat de belastingrechter niet gebonden is aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring, wanneer een andere bepaling van Europees recht zich daartegen verzet. Ook bespreking verdient het oordeel van de Hoge Raad in HR
BNB2014/264 dat indien een belanghebbende het standpunt inneemt dat hij op grond van een verdrag niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen, een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast meebrengt dat hij ter zake daarvan de relevante feiten stelt en in geval van betwisting aannemelijk maakt. [223] Daarbij merk ik op dat in HR
BNB2014/264 het ging om de vraag wie aannemelijk diende te maken waar de zetel van de onderneming van een schip waaraan een Rijnvaartverklaring was afgegeven aannemelijk diende te maken. [224] Dat zou kunnen impliceren dat belanghebbende, ook al is een A1-verklaring door de SVB afgegeven, zijn stelling dat hij niet in Nederland premieplichtig is, voor de belastingrechter aannemelijk kan maken.
A1-verklaring.
A1-verklaring van 4 januari 2013 weliswaar nog niet onherroepelijk vaststaat, nu deze nog onder de rechter is, maar wel geldig is. [229]
A1-verklaring van 20 maart 2018, nu de A1-verklaring van 20 maart 2018 als enige verklaring geldt. Ik merk op dat er nog een procedure bij de
CRvB loopt, daarom staat deze A1-verklaring nog niet onherroepelijk vast. De vraag rijst of de belastingrechter aan de A1-verklaring van 20 maart 2018 is gebonden.
sociale-zekerheidsrechter in het land van afgifte niet gebonden aan de door het bevoegde bestuursorgaan afgegeven A1-verklaring. [235] Een belanghebbende kan in Nederland bezwaar maken tegen een A1-verklaring bij de SVB en beroep instellen bij de Rechtbank tegen de uitspraak op bezwaar van de SVB.
- en al staat zij nog niet onherroepelijk vast - ten grondslag leggen aan zijn oordeel omtrent de premieheffing. Voor de belastingrechter kan dus alleen getwist worden over het bestaan van een dergelijke verklaring. [238]
artikel 6, lid 4, Verordening 987/2009 [240] geacht retroactief bevoegd te zijn alsof er geen meningsverschil heeft bestaan. Op grond van het vijfde lid wordt de financiële situatie van de betrokkene met betrekking tot de premies en uitkeringen die voorlopig worden betaald door deze twee organen geregeld. [241]
BNB2009/312 met overeenkomstige toepassing van artikel 8:119 Awb Pro herziening aan de belastingrechter vragen. [242]
24 juni 2014 nog niet onherroepelijk was. [249]
24 juni 2014).
A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018 voorbij dient te gaan en zo spoedig mogelijk de zaak zelf dient te beslissen op basis van het procesdossier. [254]
20 maart 2018 komt overeen met de tweede oplossingsrichting die het Hof heeft geschetst: [255]
A1-verklaring van 24 juni 2014 en - eventueel - door de CRvB (opnieuw) is beslist op het daartegen bij hem ingestelde beroep. [256]
BNB2011/100 het uitgangspunt geformuleerd dat een rechter met het oog op de definitieve afdoening van geschillen binnen een redelijke termijn zelf in de zaak voorziet. De rechter zal daartoe in het algemeen in staat zijn, aangezien het bestuursorgaan bij het vaststellen van belastingaanslagen in het algemeen geen beleidsvrijheid toekomt. Een uitzondering op deze regel zal zich, aldus de Hoge Raad, voordoen in gevallen waarin de rechter over zo weinig relevante feitelijke gegevens beschikt, dat hij zich - al dan niet na inwinning van deskundigenbericht en/of andere informatie - redelijkerwijs niet in staat acht zelf het bedrag van de belastingaanslag of beschikking vast te stellen, ook niet door middel van schatting van (elementen van) de belastinggrondslag. Indien hij geen aanleiding ziet voor toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus, kan de rechter in dergelijke bijzondere gevallen op grond van artikel 8:72, lid 4, Awb [259] gebruik maken van zijn bevoegdheid om na vernietiging van de uitspraak op bezwaar het bestuursorgaan op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. [260]
16 Verordening 987/2009 [266] de bevoegde organen van de andere Rijnoeverstaten waar werkzaamheden werden verricht op de hoogte te brengen van de door de SVB vastgestelde toepasselijke wetgeving. [267]
BNB2009/312 [268] met overeenkomstige toepassing van artikel 8:119 Awb Pro [269] herziening van de uitspraak van de belastingrechter vragen. [270]
20 maart 2018.
A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018 bekend zal zijn. [272]
artikel 47 Handvest Pro. [287]
artikel 16 Verordening Pro 987/2009 mijns inziens niet aan de weg staat aan premieheffing door de Belastingdienst. [288]
BNB2016/140 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de tijd die gemoeid is met het afwachten van een beslissing in een procedure bij een andere rechter, bij de beoordeling of sprake is van de overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing blijft. Het verdient aldus de Hoge Raad de aanbeveling dat de rechter, indien hij partijen in kennis stelt van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van een beslissing in een procedure voor een andere rechter, hen daarbij uitdrukkelijk in de gelegenheid stelt eventuele bezwaren tegen die beslissing schriftelijk aan hem kenbaar te maken binnen een door hem gestelde termijn (in de regel zes weken na verzending van de kennisgeving). Indien partijen van de aldus geboden mogelijkheid geen gebruik maken, mag ervan worden uitgegaan dat zij zich kunnen verenigen met de beslissing van de rechter om de zaak aan te houden en heeft als uitgangspunt te gelden dat het afwachten van de beslissing van de andere rechter redelijk is. In deze gevallen dient de periode, gelegen tussen het moment waarop de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing tot aanhouding en de openbaarmaking van de beslissing door die andere rechter (of, indien dat eerder is, de dag waarop de inspecteur de belanghebbende dan wel de rechter partijen in kennis stelt van de inhoud van die uitspraak), dan ook in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden. [290]
12.Conclusie
20 maart 2018. Dit betekent dat de belastingrechter op grond van artikel 8:113 Awb Pro de uitspraak van de Rechtbank dient te bevestigen;
sociale-zekerheidsrechter heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de SVB en de daarmee samenhangende A1-verklaring, niet betekent dat de Inspecteur in strijd met het in artikel 3:2 Awb Pro neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld;