Een bedrijf dat Rijnvarenden detacheert op schepen die varen op binnenwateren, vroeg de Sociale verzekeringsbank (Svb) om de Cypriotische sociale zekerheidswetgeving op haar werknemers toe te passen. De Svb besloot echter dat de Nederlandse wetgeving van toepassing was, omdat onvoldoende informatie was verstrekt waaruit bleek dat werknemers minder dan 25% van hun werktijd in Nederland waren.
De rechtbank oordeelde dat de brief van het bedrijf geen formele aanvraag was en dat de Svb niet de juiste procedure had gevolgd, waaronder het niet toepassen van de in Verordening 987/2009 voorgeschreven voorlopige vaststelling en overleg met andere lidstaten. De werkgever had niet voldoende bewijs geleverd over de werktijden en zetel van het bedrijf, terwijl de Svb onterecht aannam dat werknemers substantieel in Nederland werkten.
De rechtbank stelde vast dat de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing waren omdat Cyprus geen partij is bij deze overeenkomst. De Svb had de Europese aanwijsregels onjuist toegepast en het besluit niet zorgvuldig voorbereid. Er was geen bewijs van misbruik van recht door de werkgever. Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met de opdracht aan de Svb om opnieuw te beslissen.