Conclusie
Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
1.Feiten
2. Procesverloop
tussenarrest van 21 juli 2015bevestigt het hof allereerst het oordeel van de rechtbank dat dat de periode waarover verlies aan arbeidsvermogen wegens de psychische klachten van [eiser] dient te worden gecompenseerd, loopt tot vijf jaar na het ongeval en dus tot 15 september 2001:
tussenarrest van 24 november 2015bevat de beslissing over de te benoemen deskundige en de aan deze voor te leggen vragen. Als deskundige wordt benoemd dr. W.I.M. Verhagen (hierna: Verhagen of ‘de deskundige’), neuroloog te Nijmegen. Diens rapport dateert van 22 maart 2016.
eindarrest van 27 september 2016geeft het deskundigenbericht uitvoerig weer (rov. 13.2 - 13.2.4), waarna hof in rov. 13.4 overweegt:
Daarnaast bestaat er nog de mogelijkheid dat er in de loop van de tijd tendomvogene nekklachten niet van traumatische aard zijn ontstaan samenhangend met de karakterstructuur en psychiatrische problematiek bij betrokkene. Een combinatie van dit alles is eveneens mogelijk.”
Precieze cijfers hieromtrent zijn beperkt beschikbaar. Chronisch tendomyogene klachten ( > 3mnd) komen volgens Wilgen et al 2006 voor bij 44 % van de mensen in Nederland boven de 25 jaar, waarvan 1/5 deel nekklachten betreft. Uit het Nationaal Kompas kan men aflezen dat in 2011 er een prevalentie bij mannen was van 11400 en vrouwen 13500 met een incidentie van 9100 voor mannen en 9800 voor vrouwen, waarbij wordt aangegeven dat er sprake is van een onderschatting van het werkelijk aantal mensen met nek- en overigens ook bijvoorbeeld rugklachten in de Nederlandse bevolking. Factoren zijn het langdurig in een gefixeerde houding werken, maar ook stress kunnen aanleiding geven tot dit type klachten. ”
3.De cassatieklachten; inleidende opmerkingen
G/Goudse. [17] Uw Raad bevestigde in die zaak dat de feitelijke situatie (met ongeval) vergeleken moet worden met de hypothetische situatie (zonder ongeval) en dat het bij de beoordeling van die laatste situatie aankomt op een redelijke verwachting over toekomstige ontwikkelingen en op een afweging van goede en kwade kansen (rov. 3.3.2):
[Verhof/Helvetia]; HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437
[Van Sas/Interpolis]. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Hoewel het resultaat van die afweging in cassatie beperkt toetsbaar is, dient het oordeel van de rechter wel consistent en begrijpelijk te zijn.”
een aanzienlijke mate van vrijheid”. In de gevallen waarin aan het oordeel van de feitenrechter een medisch onderzoek ten grondslag ligt, zal dat reden kunnen zijn voor een terughoudende toetsing in cassatie. [19] Correctie door de cassatierechter is dan aangewezen als uit een medische rapportage een conclusie wordt getrokken die daar redelijkerwijs niet uit valt af te leiden. Als daarbuiten verdergaande motiveringseisen worden gesteld, dan zou dat wel eens tot een significante toename kunnen leiden van het aantal cassatieberoepen met motiveringsklachten over de beoordeling van medische rapportages.
G./Goudse. Het ging daar om een man die op zijn 23ste een verkeersongeval had en wegens de gevolgen daarvan zijn plannen om in lijn met de familietraditie molenaar te worden gedwarsboomd zag. Met de onderhavige zaak is er in zoverre een parallel dat in die zaak uit medisch onderzoek was gebleken dat pre-existente persoonlijkheidsfactoren het functioneren van betrokkene konden beïnvloeden en een persoonlijkheidsstoornis niet (geheel) viel uit te sluiten. In beide gevallen was er, simpel gezegd, psychisch iets aan de hand dat niet als zodanig aan het ongeval kon worden gerelateerd. Een andere parallel is dat G. nekklachten had. Een verschil is dan weer dat G. had betoogd dat hij een carrière elders zou hebben verkozen als de molen niet rendabel was te exploiteren. Aan zijn onderbouwde stellingen omtrent de mogelijkheid het molenaarsbestaan in te ruilen voor een beter betalende baan was het hof in die zaak voorbij gegaan, waarop cassatie volgde. [20] In de ‘molenaarszaak’ lag het accent op de vraag of alternatief werk – binnen de mogelijkheden van betrokkene – financieel interessanter was. In deze zaak is, althans impliciet, het uitgangspunt is dat [eiser] helemaal geen betaald werk kán doen.
M./[A]. [21] Daar ging het om een werknemer die tot tweemaal toe in het kader van zijn arbeid een (zwaar) voorwerp op zijn hoofd had gekregen en na de tweede keer geen loonvormende arbeid meer had verricht. Een parallel met de onderhavige zaak is dat bij het slachtoffer sprake was van een psychische predispositie, te weten een persoonlijkheidsstructuur als gevolg waarvan hij in psychische zin nogal heftig op het tweede ongeval had gereageerd. In die zaak waren medische deskundigen geraadpleegd, die niet konden uitsluiten dat M. bij andere stressvolle omstandigheden op dezelfde wijze zou reageren op een al dan niet ernstig
life event. Vervolgens verbond het hof daar de leeftijd van (maximaal) 55 jaar aan, zonder aan te knopen bij een gebeurtenis waar dat uit zou blijken en zonder dat die leeftijd door (een van) de geraadpleegde deskundigen was genoemd. Een concreet aanknopingspunt om een harde ‘knip’ aan te brengen bij 55 jaar ontbrak. Uw Raad overwoog:
M./[A]is de les te trekken dat, ook al is het de rechter toegestaan rekening te houden met een psychische predispositie, daar niet uit volgt dat lichtvaardig mag worden overgegaan tot het beperken van de omvang van de schadevergoeding. Een belangrijk verschil met de onderhavige zaak is evenwel dat hier wél door een medisch deskundige een leeftijdsgrens is genoemd waarop zich de psychische stoornis ten laatste zou hebben geopenbaard.
X./Academisch Ziekenhuis Maastricht. [24] Die zaak betrof een geval van medische aansprakelijkheid als gevolg van vertraging (‘delay’) bij een operatie. De vraag was of er een reële kans op een beter behandelingsresultaat zou zijn geweest als de patiënt direct was geopereerd. Het oordeel van het hof dat die kans onvoldoende aannemelijk was ging in cassatie onderuit. De geraadpleegde medisch deskundige had opgemerkt dat het
niet mogelijkwas de grootte van de kansen op een beter resultaat te duiden. Het hof had daaraan de conclusie verbonden dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat het
delayhet verlies van een kans op een beter behandelingsresultaat heeft veroorzaakt. De opmerkingen van de deskundige konden die conclusie niet dragen: [25]
redelijkeverwachtingen over toekomstige ontwikkelingen. [27]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
rechtsklachthoudt in dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de regels omtrent de toerekening van schade, in het bijzonder in letselschadezaken als de onderhavige. De klacht wijst er op dat: (a) ruim moet worden toegerekend wanneer het gaat om letselschade als gevolg van schending van een verkeers- en veiligheidsnorm, waarbij letsel het redelijkerwijs te verwachten gevolg is van het schadebrengende feit; en (b) in voornoemde gevallen geen al te strenge eisen mogen worden gesteld aan het te leveren bewijs van de toekomstige arbeidsinkomsten in het hypothetische geval dat het ongeval niet had plaatsgevonden. [28]
Renteneurose’: [33]
niet langerzijn voldaan. Op dat moment klapt de (in beginsel) volledige aansprakelijkheid om in geen aansprakelijkheid. In rov. 4.14 overweegt de rechtbank: “
Omdat deze arbeidsongeschiktheid dan niet in causaal verband zou staan met het ongeval, zou Achmea uit dien hoofde vanaf dat moment evenmin (nog langer) schadeplichtig zijn.” De vraag is vervolgens hoe ‘dat moment’ moet worden bepaald.
toegerekendaan het ongeval. Het antwoord volgt in rov. 4.13. Mede op basis van de bevindingen van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] is de rechtbank “
van oordeel dat de uit de schizofrenie voortvloeiende beperkingen in redelijkheid uiterlijk vanaf medio 2001 niet langer aan het ongeval mogen worden toegerekend.” De gebruikte woordkeus suggereert dat de rechtbank art. 6:98 BW Pro heeft toegepast. Het gaat hier – in de kennelijke gedachtegang van de rechtbank - om de toerekening van de schade aan het ongeval in de
werkelijke situatie(met ongeval) en niet om de invloed van de psychische predispositie van [eiser] in de hypothetische situatie (zonder ongeval).
feitelijke situatie, waarin de schizofrenie zich bij [eiser] kort na het ongeval heeft geopenbaard, is het hof - in lijn met het arrest
Renteneurose- uitgegaan van een ruime toerekening in de zin van art. 6:98 BW Pro. Dat volgt uit rov. 7.7.4 (slot), waar het hof de ernstige psychische decompensatie van [eiser] zonder meer toerekent aan het ongeval. [37] Voor de duidelijkheid: het ongeval was niet de oorzaak van de schizofrenie als zodanig, maar wel de luxerende factor en daarom in die eerste jaren causaal aan het verlies aan arbeidsvermogen. Volgens het rapport [betrokkene 2] was het medio 2001 niet langer aannemelijk dat het ongeval nog kon worden aangemerkt als oorzaak van het op dat moment bestaande toestandsbeeld. De effecten van het ongeval waren, vanuit psychiatrische optiek, uitgewerkt. De rechtbank en het hof hebben deze vaststelling juridisch vertaald in het wegvallen van het csqn-verband tussen de schade wegens het verlies van arbeidsvermogen en het verkeersongeval.
hypothetische situatiehebben de rechtbank en het hof schizofrenie aangemerkt als dé oorzaak van de arbeidsbeperkingen bij [eiser]. Het daaruit voortvloeiende verlies aan arbeidsvermogen zou zich ook zonder het ongeval hebben voorgedaan. Het csqn-verband ontbreekt zodat aan toerekening naar redelijkheid niet wordt toegekomen.
rechtsklacht.
motiveringsklachthoudt in dat het onbegrijpelijk is dat het hof, in navolging van de rechtbank, tot het oordeel is gekomen dat [eiser] zonder het ongeval per 15 september 2001 voor het eerst zou zijn getroffen door een schizofrene psychose, waardoor hij alsnog arbeidsongeschikt zou zijn geraakt. Onder verwijzing naar het arrest
M./[A](zie hierboven, punt 41), voert de klacht aan dat: (i) dit ruim voor het 40e jaar van [eiser] is en zonder nadere (ontbrekende) toelichting niet valt in te zien waarom dat dan bij 35 jaar zou moeten zijn; en (ii) dat het hof er daarbij aan voorbij gaat dat de verwachting van [betrokkene 4] slechts gebaseerd is op de door hem veronderstelde
mogelijkheiddat de psychiatrische ziekte zonder ongeval op een ander tijdstip zou zijn ontstaan. Dit is met andere woorden niet gebaseerd op een
zekere(of een aan zekerheid grenzende waarschijnlijke) toekomstige gebeurtenis, aldus de klacht.
voor zijn 40e jaar”. Gelet op de marge tot 40 jaar die [betrokkene 4] noemt, zou men intuïtief eerder denken aan een afkapmoment ergens in de hogere helft van de bandbreedte.
M./[A]omdat in die zaak de leeftijd van 55 jaar als afkappunt nogal uit de lucht kwam vallen, terwijl hier de datum van 15 september 2001 binnen de bevindingen van een van de medisch deskundigen ([betrokkene 4]) past. Ook [betrokkene 5] heeft, bij zijn onderzoek in 2014, die datum niet in twijfel getrokken.
heeftvoorgedaan. Daardoor is die gebeurtenis een stuk concreter en waarschijnlijker dan wanneer een pure toekomstverwachting moet worden uitgesproken. Het gaat, anders dan in
M. /[A], hier dan ook niet om een onbepaald
life event(in de trant van: in ieders leven gebeurt er eens in de zoveel tijd wel iets heftigs dat van invloed kan zijn op iemands arbeidsvermogen, zeker bij een persoon van wie is gebleken dat hij sterke psychische reacties kan vertonen). Het gegeven dat zich, aldus [betrokkene 2], kort na het ongeval psychotische klachten en verschijnselen hebben ontwikkeld, waarvoor de diagnose schizofrenie is gesteld, biedt nadere steun aan de door rechtbank en hof gemaakte keuze om voor de hypothetische situatie uit te gaan van 15 september 2001.
rechtsklachtin dit onderdeel richt zich tegen het (impliciete) oordeel van het hof in rov. 13.5 dat op [eiser] de stelplicht en bewijslast rusten van de
afwezigheidvan alternatieve oorzaken voor de klachten. Volgens het onderdeel rusten stelplicht en bewijslast ten aanzien van de
aanwezigheidvan alternatieve oorzaken op Achmea.
Zwolsche Algemeene/De Greef Iuit 2001. [41] In een recente bijdrage over civiele whiplashzaken schrijft Kolder: [42]
en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt.” (onderstreping toegevoegd)
motiveringsklacht.
evidence-based medicinealleen nog pijnsyndromen qua functieverlies en beperkingen kunnen kwantificeren als afwijk kunnen leiden ingen kunnen worden geconstateerd. Is dat niet mogelijk dan ontbreekt ook het ‘neurologisch substraat’. [44] Het feit dat een neuroloog geen
evidence basedverklaring heeft kunnen geven hoeft evenwel niet in de weg te staan aan het in rechte aannemen van een causaal verband in juridische zin.
gedacht kan worden” aan “whiplash associated disorder graad 2”. Of de weergegeven klachten ongeval-gerelateerd zijn blijft gissen.