Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelziet op de beslissing inzake de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel. De stellers van het middel klagen in de eerste plaats dat de verwerping van het verweer dat de immateriële schade haar oorsprong mede vindt in pre-existentiële klachten onvoldoende met redenen is omkleed.
TOELICHTING IMMATERIËLE SCHADE VAN [slachtoffer]
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
de periode in Ridderkerkvan 24 oktober 2015 tot en met 13 november 2015 (3 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door het hof, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 15 dagen en
de periode in Rotterdamvan 14 november 2015 tot en met 18 december 2015 (5 weken). Het aantal door de benadeelde partij gewerkte dagen wordt door het hof, uitgaande van 5 werkdagen per week, geschat op 25 dagen.
NJ2019/379 m.nt. Vellinga, het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij, heeft Uw Raad onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
Schade
NJ2020/409 m.nt. Ten Voorde. Uw Raad kan bepalen dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.