ECLI:NL:PHR:2018:434

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2018
Publicatiedatum
14 mei 2018
Zaaknummer
16/01765
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 417 SrArt. 416 SrArt. 36c SrArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens gewoonteheling van auto-onderdelen en onttrekking aan het verkeer van personenauto

De verdachte werd primair bewezenverklaard dat hij in de periode van januari 2009 tot december 2012 een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling van diverse auto-onderdelen en motorblokken, waarvan hij wist dat deze door misdrijf waren verkregen. Het hof baseerde dit oordeel op een omvangrijke hoeveelheid bewijsmiddelen, waaronder aangetroffen gestolen goederen in zijn garage en auto, en het ontbreken van een aannemelijke verklaring of administratie over de herkomst van deze goederen.

Daarnaast werd de onttrekking aan het verkeer bevolen van een personenauto van verdachte, omdat het voertuig voorzien was van een beschadigd en deels afgeplakt chassisnummer en onderdelen met criminele herkomst, waardoor het ongecontroleerde bezit in strijd is met het algemeen belang.

In cassatie klaagde de verdachte onder meer over het ontbreken van voldoende bewijs voor opzet en de onttrekking aan het verkeer. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht voorwaardelijk opzet aannam, gelet op de algemene bekendheid dat gestolen auto-onderdelen in het helingscircuit terechtkomen en de omstandigheden van het geval, waaronder het weggeslepen motornummer en het ontbreken van administratie.

Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden, waardoor de strafvermindering werd voorgesteld. Het cassatieberoep werd verder verworpen, waarmee de veroordeling en onttrekking aan het verkeer in stand bleven, met een aangepaste strafmaat.

Uitkomst: De veroordeling wegens gewoonteheling en de onttrekking aan het verkeer worden bevestigd, met strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 16/01765
Zitting: 15 mei 2018 (bij vervroeging)
Mr. D.J.M.W. Paridaens
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 22 maart 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. primair “van het plegen van opzetheling een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van de in beslag genomen, nog niet teruggeven personenauto (Seat Leon, kleur zwart, kenteken [AA-00-AA]).
Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld en mr. J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Alvorens de middelen te bespreken, geef ik eerst de bewezenverklaring en – in samengevatte vorm – de bewijsmiddelen weer. Daarna bespreek ik de middelen, waarbij ik voor een meer logische opbouw een andere volgorde aanhoud dan de schriftuur en begin met een bespreking van het derde middel.
Ten laste van de verdachte is onder 1. primair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 19 januari 2009 tot en met 6 december 2012, in het arrondissement 's-Gravenhage, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte daar op een groot aantal tijdstippen in genoemde periode:
- een motorblok behorend bij een motor van het merk Gilera Runner met het kenteken [BB-00-BB] en
- een garantiebewijs en een motorblok en een versnellingsbak en een boardcomputer, behorend bij een auto van het merk Volkswagen Golf met het kenteken [CC-00-CC], en
- een motorblok, behorend bij een motor van het merk Honda met het kenteken [DD-00-DD], en
- een tellerunit, behorend bij een auto met het kenteken [EE-00-EE], en
- een radio/navigatiesysteem, en een passagiersairbag en een set voorstoelen en achterbank behorend bij een Seat Leon (kenteken [FF-00-FF] en portieren en een achterklep en elektronische motorbesturing, behorend bij een Seat Leon (kenteken [GG-00-GG]) en
- een elektronische motorbesturing en een tellerunit, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [HH-00-HH]) en
- een elektronische motorbesturing, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [II-00-II]) en
- een elektronische motorbesturing, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [JJ-00-JJ]) en
- een elektronische motorbesturing, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [KK-00-KK]) en
- een elektronische motorbesturing, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [LL-00-LL]) en
- een elektronische motorbesturing, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [MM-00-MM]) en
- een elektronische motorbesturing, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [NN-00-NN]) en
- een elektronische motorbesturing, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [PP-00-PP]) en
- een elektronische motorbesturing, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [QQ-00-QQ]) en
- een behuizing van een tellerunit, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [RR-00-RR])
- een infotainment, behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [SS-00-SS]) en,
verworven
envoorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen telkens wist dat het door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op 25 bewijsmiddelen. Samengevat houden deze bewijsmiddelen het volgende in:
- Bewijsmiddel 1 houdt als verklaring van de verdachte in dat het klopt dat het garantiebewijs van de Volkswagen Golf met kenteken [CC-00-CC] bij hem is aangetroffen. Daarnaast verklaart hij dat het motorblok behorend bij een motor van het merk Honda met kenteken [DD-00-DD] door hem op Marktplaats is gekocht. Tot slot bevestigt hij dat de tellerunit behorend bij een auto met kenteken [EE-00-EE] bij hem is aangetroffen.
- Bewijsmiddel 2 betreft een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de aanhouding van de verdachte en het nadere onderzoek. Bij de insluitingsfouillering zijn bij de verdachte aangetroffen ‘blanco’ autosleutels, een papiertje met daarop verschillende kentekens van voertuigen en een computeronderdeel voorzien van een zogenaamde VGA aansluiting waarvan ambtshalve bekend is dat een dergelijke aansluiting gebruikt wordt om startonderbrekers van voertuigen te omzeilen om deze te kunnen starten zonder bijbehorende autosleutels. Ook werden sleutels aangetroffen van een Seat Leon. Navraag bij de Rijksdienst voor het wegverkeer wees vervolgens uit dat de verdachte een Seat Leon met kenteken [TT-00-TT] op zijn naam had staan. Na het aantreffen van deze Seat rees het vermoeden dat deze was omgekat. In de auto werden onder meer diverse onderdelen van auto-elektronica en een huurovereenkomst op naam van de verdachte aangetroffen. Het op deze overeenkomst vermelde adres leidde naar een als garage ingericht pand in Rijswijk. Een groot gedeelte van de garage werd gebruikt voor opslag van elektronica. Daarnaast werden diverse motoren en onderdelen daarvan en een gestripte Volkswagen Golf aangetroffen.
- Bewijsmiddel 3 omvat een lijst van de inbeslaggenomen auto-onderdelen in de voornoemde garage, waaronder twee motorblokken, waarvan één met een weggeslepen nummer, toerentellers en besturingssystemen.
- Bewijsmiddel 4 betreft een proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat in het voertuig van de verdachte goederen werden aangetroffen (een ‘jammer’ om radio/portofoon verkeer mee te blokkeren, hulpstukken om sloten van deuren (portieren van auto’s) open te houden en apparatuur om beveiligingscodes te achterhalen om voertuigen te starten zonder originele sleutel) die het mogelijk maken om voertuigen weg te nemen zonder dat daarbij schade wordt veroorzaakt aan het weg te nemen voertuig.
- Bewijsmiddel 5 betreft een verklaring van deskundige G.W.M. Warmerdam, specialist autocriminaliteit, die verklaart over de in bewijsmiddel 4 genoemde goederen. De betreffende goederen worden volgens deze verklaring doorgaans niet in een normale autogarage gebruikt en het gaat volgens de deskundige om gereedschap dat een professionele autodief nodig heeft.
- Bewijsmiddel 6 t/m 25 betreffen processen-verbaal die zien op de criminele herkomst van de in de bewezenverklaring genoemde goederen. Het gaat om goederen die in de periode van 19 januari 2009 tot en met 12 november 2012 zijn gestolen en deels zijn bewerkt. Zo zijn door middel van slijp- en/of hakbewerking een motornummer en een in de transmissie aangebracht nummer onleesbaar gemaakt. Voor de Seat met kenteken [TT-00-TT], die op naam van de verdachte staat, blijkt oorspronkelijk het kenteken [GG-00-GG] te zijn afgegeven. Dit voertuig stond sinds 19 juni 2012 als ontvreemd gesignaleerd. De in het dashboard van de auto van verdachte gemonteerde passagiersairbag, de voorstoelen en de achterbank blijken afkomstig van een personenauto met kenteken [FF-00-FF] die sinds 29 januari 2012 als ontvreemd gesignaleerd staat. [1]
6. Het
derde middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de verdachte geen opzet had op het plegen van gewoonteheling, althans dat het opzet op en gewoonte maken van het plegen van heling niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, zodat het bestreden arrest niet naar behoren met redenen is omkleed.
7. Het arrest van het hof bevat de volgende nadere bewijsoverwegingen:
De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat de verdachte zich, waar maar mogelijk, heeft georiënteerd op de vraag of de onderdelen die in zijn auto en garagebedrijf zijn verwerkt en aangetroffen van misdrijf afkomstig waren. Zo heeft de verdachte in het bijzonder de onderdelen die zich daarvoor leenden gecheckt op 'stopheling.nl'. Daarnaast is het voor een verwerker van auto en motoronderdelen technisch ondoenlijk om zich op alle verwerkte onderdelen te oriënteren waar het de herkomst van die onderdelen betreft, maar heeft de verdachte alleen zaken gedaan met mensen die hij vertrouwde, heeft hij zich altijd georiënteerd op de prijsstelling en gelet op de frequentie waarmee hem bepaalde zaken werd aangeboden.
Het hof overweegt het volgende.
In de garage van de verdachte is een buitengewoon grote hoeveelheid aan verschillende voorwerpen aangetroffen die van diefstal afkomstig bleken te zijn. Ook in de auto van de verdachte zijn van verschillende diefstallen afkomstige goederen aangetroffen. Daar komt bij, dat in de auto van de verdachte voorwerpen zijn aangetroffen, waarover deskundige G.W.M. Warmerdam ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 juni 2013 heeft verklaard dat deze voorwerpen worden gebruikt bij (professionele) diefstal van voertuigen en dat voor het bezit van deze voorwerpen – zeker in combinatie met elkaar bezien – geen andere aannemelijke verklaring bestaat dan dat ze daarvoor ook daadwerkelijk worden gebruikt. De verklaring van de verdachte over het bezit van (een gedeelte van) deze voorwerpen, inhoudende dat hij de 'RF detector' en de 'jammer' gebruikte om digitale snelheidscamera's te ontregelen en dat hij de hulpmiddelen om sleutels mee te maken gebruikte voor zijn dienst om sleutels na te maken voor mensen die hun autosleutel verloren waren, acht het hof, gelet op de verklaring van Warmerdam en het feit dat de verdachte deze verklaring eerst ter terechtzitting in eerste aanleg heeft gegeven die verder in het geheel ongefundeerd is gebleven, niet aannemelijk geworden. Daarnaast heeft de verdachte niet willen verklaren van wie hij de gestolen auto-onderdelen heeft gekocht en blijkt uit het dossier nog geen begin van aannemelijkheid dat de verdachte daadwerkelijk heeft gecontroleerd, al dan niet via 'stopheling.nl', of de diverse onderdelen mogelijk van diefstal afkomstig waren. Het is een feit van algemene bekendheid dat (onderdelen van) gestolen auto's in het helingcircuit terecht komen. De verdachte had, mede gelet op zijn eerdere veroordeling wegens heling, hierop bedacht moeten zijn, maar het hof moet vaststellen dat een en ander niet aantoonbaar heeft geleid tot verdere behoedzaamheid bij de verdachte. Zo heeft de verdachte ook geen enkele administratie bijgehouden waarin hij heeft geregistreerd van wie en wanneer hij de diverse auto-onderdelen kocht, om welke onderdelen het ging, voor welk bedrag, uit welke auto etc.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen dan wel het verwerven van de bewezen verklaarde onderdelen minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze van diefstal afkomstig waren.”
8. In art. 416 Sr Pro is de zogeheten opzetheling strafbaar gesteld. Deze bepaling stelt onder meer de persoon strafbaar die een goed verwerft of voorhanden heeft, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De eis dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het goed wist dat deze van misdrijf afkomstig was, is niet zelden bewijstechnisch een lastige drempel om te nemen. Voorwaardelijk opzet volstaat. [2] Onder omstandigheden kan een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp. Kwalificatie als heling is uitgesloten indien de in de bestreden uitspraak gebezigde bewijsvoering dwingt tot de gevolgtrekking dat het de verdachte zelf is geweest die als pleger of als medepleger het desbetreffende voorwerp door misdrijf heeft verkregen. Indien zij niet dwingt tot die gevolgtrekking - ook al laat zij die mogelijkheid wel open -, heeft de rechter de mogelijkheid dat het de verdachte zelf is geweest die als pleger of als medepleger het desbetreffende voorwerp door misdrijf heeft verkregen, kennelijk niet aannemelijk geoordeeld. [3]
9. Het hof heeft zijn oordeel over verdachtes opzet ten tijde van de verkrijging van de goederen gestoeld op de volgende feiten en omstandigheden:
- In de garage van de verdachte is een buitengewoon grote hoeveelheid aan verschillende voorwerpen aangetroffen die van diefstal afkomstig zijn;
- Eveneens in de auto van de verdachte zijn verschillende van diefstal afkomstige goederen aangetroffen;
- In de auto van de verdachte zijn voorwerpen aangetroffen die gebruikt worden bij (professionele) diefstallen van voertuigen. Voor het bezigen van deze voorwerpen is geen andere aannemelijke verklaring dan dat zij daarvoor daadwerkelijk worden gebruikt;
- De verklaring van de verdachte over deze voorwerpen, inhoudende dat zij gebruikt worden voor het ontregelen van digitale snelheidscamera’s en het gebruik voor mensen die hun autosleutel zijn verloren, heeft het hof niet aannemelijk geacht;
- De verdachte heeft niet willen verklaren over de herkomst van gestolen auto-onderdelen;
- Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte daadwerkelijk heeft gecontroleerd of de diverse onderdelen van diefstal afkomstig waren;
- Het is een feit van algemene bekendheid dat (onderdelen van) gestolen auto’s in het helingscircuit terechtkomen. De verdachte had hierop bedacht moeten zijn gelet op zijn eerdere veroordeling wegens heling, maar dit heeft volgens het hof niet aantoonbaar geleid tot verdere behoedzaamheid bij de verdachte;
- De verdachte heeft geen enkele administratie bijgehouden over de aanschaf van de auto-onderdelen. Zo is niet geadministreerd van wie en wanneer hij de diverse auto-onderdelen kocht, om welke onderdelen het ging, voor welk bedrag, uit welke auto, et cetera.
10. Het hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het niet anders kan zijn dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen dan wel het verwerven van de bewezenverklaarde onderdelen minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze van diefstal afkomstig waren. Het hof heeft dus gebruikgemaakt van een voorwaardelijk opzet-constructie. De rechtspraak biedt hiervoor ruimte, maar dan moet wel uit de bewijsvoering volgen dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het betreffende goed bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat dit goed door misdrijf was verkregen. [4] De vraag is of hieraan in de onderhavige zaak is voldaan.
11. Het hof heeft het voorwaardelijk opzet afgeleid uit een samenstel van feiten en omstandigheden. Daarbij kan met de steller van het middel worden geconstateerd dat een deel van de bewijsvoering wijst op diefstal van goederen. Zij dwingt echter niet tot die gevolgtrekking, en kennelijk heeft het hof het niet aannemelijk geoordeeld dat de verdachte de in de bewezenverklaring genoemde goederen door diefstal heeft verkregen. [5] Dat feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk. [6] Het voorgaande neemt niet weg dat de omstandigheid dat er goederen in de auto van de verdachte zijn aangetroffen die gerelateerd zijn aan diefstal van voertuigen, een redengevend onderdeel van de bewijsredenering is. [7] Deze omstandigheid kleurt de wetenschap bij de verdachte van de aanmerkelijke kans dat de goederen ten tijde van het voorhanden krijgen of verwerven van misdrijf afkomstig waren. Het is vervolgens de vraag of de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen). De bewijsconstructie van het hof schuurt op dit punt aan tegen de culpoze variant van heling. Het hof wijst er immers op dat de verdachte “bedacht [had] moeten zijn” op het feit van algemene bekendheid dat (onderdelen van) gestolen auto’s in het helingcircuit terecht komen. Deze motivering wijst eerder op culpa dan op voorwaardelijk opzet. Bij heling wordt een op de verdachte rustende onderzoeksplicht vooral aan de schuldvariant van heling gekoppeld: iemand op wie een dergelijke plicht rust en daarin vervolgens in die mate tekortschiet dat hij met aanmerkelijke of grove onvoorzichtigheid handelt, valt onder het bereik van de strafbaarstelling van art. 417bis Sr. [8] Desondanks kan het uitblijven van nader onderzoek in combinatie met feiten van algemene bekendheid (in dit geval: onderdelen van gestolen auto’s komen in het helingcircuit terecht) van betekenis zijn voor het bewijs van voorwaardelijk opzet. Een dergelijke constructie komt bijvoorbeeld voor in Opiumwetzaken. [9] Nu kennen dergelijke zaken hun eigen dynamiek, [10] maar ook in het kader van opzetheling is niet uitgesloten dat algemene ervaringsregels het voorwaardelijk opzet staven. Daarbij kan het gaan om goederen waarvan de criminele herkomst voortvloeit uit de aard van de zaak, zoals waardepapieren of een grote partij blanco rijbewijzen. [11] In de onderhavige zaak wijs ik er daarbij op dat bij de verdachte een motorblok met een weggeslepen nummer is aangetroffen (bewijsmiddel 3), in de garage een doos met papieren van een Seat Leon met kenteken [GG-00-GG], waaronder een brief die gericht was aan de latere aangever van de diefstal van de voornoemde auto is aangetroffen, [12] terwijl van deze auto de portieren en de achterklep waren gemonteerd in een andere Seat Leon met kenteken [TT-00-TT], zijnde de auto van verdachte (bewijsmiddel 3, 6, 9 en 12), dat de door de fabrikant aangebrachte nummers op een motorblok en transmissie behorend bij een Volkswagen Golf (kenteken [CC-00-CC]) onleesbaar waren gemaakt (bewijsmiddel 10) en dit eveneens het geval was bij een motorblok van een motorfiets inclusief achterwiel van het merk Honda dat via Marktplaats was aangeschaft (kenteken [DD-00-DD]; bewijsmiddel 1 en 25).
12. Alles afwegende meen ik dat gelet op het voorgaande voldoende uit de verf komt dat het voorwaardelijk opzet van de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de goederen erop gericht was dat zij van misdrijf afkomstig waren. Relevant daarbij is de combinatie van het aantreffen van vele goederen waarvan de criminele herkomst is vastgesteld, het uitblijven van een verklaring over de herkomst van de goederen, de uiterlijke kenmerken van bepaalde goederen (waarbij identificatienummers gedeeltelijk waren weggeslepen), het aantoonbaar niet betrachten van behoedzaamheid bij de verdachte, [13] de eerdere veroordeling voor heling [14] en het niet houden van enige administratie. Hieruit heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen dan wel verwerven van de in de bewezenverklaring genoemde goederen wist dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf.
13. Daarnaast acht ik, mede gelet op het geen ik hiervoor heb opgemerkt, het oordeel van het hof dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van de opzetheling toereikend gemotiveerd. Gedurende een tijdsverloop van bijna 4 jaar heeft de verdachte zich bij herhaling schuldig gemaakt aan opzetheling van in de bewezenverklaring genoemde goederen waartussen een zodanig verband bestaat, dat gezegd kan worden dat de verdachte van die handelingen een gewoonte heeft gemaakt. [15] De bewezenverklaring is dan ook voldoende met redenen omkleed.
14. Het middel faalt.
15. Het
tweede middelklaagt over de onttrekking aan het verkeer van een personenauto.
16. Het arrest van het hof houdt, voor zover van belang, ten aanzien van de in het middel bedoelde personenauto het volgende in:

Beslag
Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu met betrekking tot dit voorwerp het onder 1 primair bewezen verklaarde is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
(…)
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een personenauto, Seat Leon, kleur zwart, kenteken [TT-00-TT].”
17. Art. 36c Sr luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1° die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2° met betrekking tot welke het feit is begaan;
3° met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4° met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5° die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
18. De toepassing van de in art. 36c Sr neergelegde maatregel van onttrekking aan het verkeer vereist onder meer dat het voorwerp dat onttrokken wordt van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijs te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard, in strijd is met de wet of het algemeen belang. [16]
19. Gelet op het voornoemde criterium zal een auto in de regel niet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Een personenauto is immers in de regel niet van zodanige aard dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. [17] De kaarten liggen anders indien vast komt te staan dat er met de auto iets niet in de haak is, bijvoorbeeld doordat het chassisnummer van het voertuig vals is. De Hoge Raad heeft overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat voertuigen die voorzien zijn van een vals chassisnummer geheel of gedeeltelijk van diefstal afkomstig plegen te zijn en dat het ongecontroleerde bezit van dergelijke voertuigen afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto’s bedreven handel en dat daarvan tevens een bevorderende werking op diefstal van auto’s uitgaat, gelet waarop het ongecontroleerde bezit van een dergelijke auto in strijd komt met het algemeen belang. [18]
20. In de onderhavige zaak heeft het hof niet geëxpliciteerd waarom het ongecontroleerde bezit van de Seat Leon in strijd is met de wet of het algemeen belang. Het ontbreken van een nadere motivering staat aan de oplegging van de betreffende maatregel niet in de weg, zolang uit de rechterlijke beslissing blijkt waarop de onttrekking is gegrond. [19] Het hof is er ten aanzien van de betreffende auto vanuit gegaan dat de plek waar het chassisnummer van de auto was ingeslagen, beschadigd was en dat een deel van het chassisnummer op de voorruit was afgeplakt. Ook bleek de (diesel)motor van de auto niet overeen te komen met de uitvoering die was aangegeven op de auto (zie bewijsmiddel 2). De auto was daarnaast voorzien van een achterklep, portieren, passagiers-airbag, voorstoelen, achterbank, radio/navigatiesysteem in een dashboard die allemaal een criminele herkomst hadden (bewijsmiddel 12). Gelet op deze feiten en omstandigheden en in aanmerking genomen hetgeen ik onder 19. heb weergegeven, is het oordeel van het hof dat het bezit van de onderhavige personenauto in strijd is in met het algemeen belang (of de wet) niet onjuist en dit oordeel behoefde, mede gelet op de omstandigheid dat hieromtrent geen verweer is gevoerd, geen nadere motivering.
21. Het middel faalt.
22. Het
eerste middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden.
23. Het beroep in cassatie is namens de verdachte ingesteld op 31 maart 2016. De Hoge Raad heeft de stukken van het geding blijkens een daarop geplaatst stempel ter griffie ontvangen op 17 oktober 2017. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Dat tijdsverlies kan niet meer door een bijzonder voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd. Ambtshalve merk ik daarnaast op dat ook de redelijke termijn in cassatie is overschreden, nu de voor de onderhavige zaak geldende uitspraaktermijn is verstreken op 31 maart 2018. Deze overschrijdingen dienen derhalve te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf.
24. Het middel slaagt.
25. Het eerste middel slaagt. Het derde middel faalt en het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.
26. Andere ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Anders dan gelet op de bewezenverklaring door het hof lijkt te zijn aangenomen, blijkt uit bewijsmiddel 12 dat het in de auto van de verdachte ingebouwde radio/navigatiesysteem afkomstig is van diefstal door middel van braak uit een Volkswagen Passat en niet uit de Seat Leon met kenteken [FF-00-FF]. Hierover wordt in cassatie niet geklaagd. Ik laat dit punt verder rusten nu de verzoeker in cassatie bij een bespreking hiervan (kennelijk) geen belang heeft: een vrijspraak op dit punt tast de aard en ernst van hetgeen in de bestreden uitspraak ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet aan.
2.HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812,
3.HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652,
4.Vgl. HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5804; HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7259 en HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:532.
5.Ik merk op dat diefstal ook niet ten laste is gelegd.
6.Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652,
7.Vgl. HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:678, waarin de Hoge Raad de veroordeling voor opzetheling van een personenauto in stand hield. De Hoge Raad achtte daarbij onder meer de vaststelling van het hof van belang dat ”de verdachte (als bestuurder van de Audi) en zijn medeverdachte met zeer hoge snelheid wegreden toen de politie hen in een opvallend surveillancevoertuig naderde, dat op de vloer achter de rugleuning van de bestuurdersstoel een "jammer" is aangetroffen en dat een "jammer" ervoor zorgt dat alle radiosignalen in een bepaalde straal rondom het apparaat verstoord worden waardoor ook anti-autodiefstalsystemen niet meer functioneren”.
8.Zie bijv. HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611; HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9146,
9.Zie bijv. HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7911,
10.Zie Knigge en Wolswijk 2015, p. 125 en 126.
11.Zie bijv. HR 27 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4047,
12.In de betreffende brief wordt de geadresseerde, de latere aangever, gefeliciteerd met de aanschaf van een nieuwe Seat Leon.
13.Anders dan bijv. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:532, waarin de verdachte navraag had gedaan over de herkomst van het aangeschafte goed (een laptop).
14.Vgl. in het kader van schuldheling HR 17 december 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AF0618 (art. 81 RO Pro).
15.Zie HR 11 februari 1918,
16.HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9728, rov. 4.3
17.Zie bijv. HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2238. Hetzelfde heeft te gelden voor bijvoorbeeld een motorscooter (HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5404), affiches (HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5404) of een broodmes (HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1298).
18.HR 12 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7636,
19.Vgl. HR 7 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8201,