Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2000:AA8201

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01490/99
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 177 Wegenverkeerswet 1994Art. 5.1.1 lid 1 onder c VoertuigreglementArt. 5.6.1 lid 1 onder b sub 1 VoertuigreglementArt. 1.1 onder m Voertuigreglement 1994Art. 36c Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onttrekking motorstep aan het verkeer wegens niet-goedgekeurd type

In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verdachte terecht schuldig was verklaard aan het rijden op een motorstep die niet behoorde tot een door de Minister van Verkeer en Waterstaat goedgekeurd type. De rechtbank had de verdachte schuldig verklaard zonder strafoplegging, maar met onttrekking van het voertuig aan het verkeer.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht het bewijs had gebaseerd op het proces-verbaal van technische ondersteuning, waarin werd vastgesteld dat het voertuig voldeed aan de definitie van bromfiets maar niet aan het goedgekeurde type. De conclusie van de verbalisanten was geoorloofd als waarneming en niet als rechterlijke conclusie.

Voorts vond de Hoge Raad dat de maatregel van onttrekking aan het verkeer voldoende was gemotiveerd, gelet op het feit dat het gebruik van de motorstep op de openbare weg niet was toegestaan en het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd was met het algemeen belang. Het beroep van de verdachte werd daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de onttrekking van de motorstep aan het verkeer blijft gehandhaafd.

Uitspraak

7 november 2000
Strafkamer
nr. 01490/99
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te
Alkmaar van 26 mei 1999, parketnummer 14/200246-98, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Arrondissementsrechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een
vonnis van de Kantonrechter te Alkmaar van 4 december 1998 - de verdachte ter
zake van "overtreding van het bepaalde krachtens artikel 177 van Pro de
Wegenverkeerswet 1994" (hetgeen de Hoge Raad leest als: “overtreding van art.
5.1.1, eerste lid onder c, in verbinding met art. 5.6.1, eerste lid onder b sub 1, van
het Voertuigreglement) schuldig verklaard zonder oplegging van straf en
onttrekking aan het verkeer uitgesproken als in het vonnis vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem,
advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De
schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden
uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie en de onttrekking aan
het verkeer met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam
teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en
afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het gaat in deze zaak om een verdachte ten aanzien van wie - kort gezegd -
is bewezenverklaard dat hij als bestuurder van een bromfiets als bedoeld in artikel
1.1 onder m, van het Voertuigreglement op een voor het openbaar verkeer
openstaande weg heeft gereden terwijl die bromfiets niet behoorde tot een door de
Minister van Verkeer en Waterstaat goedgekeurd type of exemplaar. Blijkens de
gebezigde bewijsmiddelen gaat het hier om een zogenoemde motorstep.
3.2. De Rechtbank heeft voor het bewijs gebruik gemaakt van “een proces-verbaal
nummer PL 1010/97-026883 van 4 december 1997, opgemaakt in de wettelijke
vorm door de opsporingsambtenaren F. Lang en J.J. Ruiter”, onder meer voorzover
inhoudende als relaas van die verbalisanten:
“Bij het onderzoek hebben wij vastgesteld dat dit voertuig voldeed aan de definitie
bromfiets als bedoeld in hoofdstuk 1, artikel 1.1 onder m van het
voertuigreglement 1994”.
3.3. Het middel klaagt dat de Rechtbank dusdoende de bewezenverklaring heeft
doen steunen op een ontoelaatbare, namelijk op een aan de rechter voorbehouden
conclusie van genoemde verbalisanten, zodat de bewezenverklaring ontoereikend
is gemotiveerd, doch tevergeefs.
3.4. Het desbetreffende, zich bij de stukken bevindende proces-verbaal vermeldt in
de aanhef “technisch onderzoek verkeer”, en houdt als functieomschrijving van de
genoemde verbalisanten in: “hoofdagent van politie, groep Technische
Ondersteuning, politie NHN” onderscheidenlijk: “brigadier van politie, groep
technische Ondersteuning, politie NHN”. De in het middel bedoelde verklaring van
die verbalisanten bevat niets wat niet kan gelden als hun eigen waarneming bij het
onderzoek met betrekking tot de aard van het in de tenlastelegging genoemde
voertuig.
3.5. De bewezenverklaring is, in aanmerking genomen dat terzake in feitelijke
aanleg geen verweer is gevoerd naar behoren gemotiveerd. Het middel kan
derhalve niet tot casatie leiden.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte de maatregel
van onttrekking aan het verkeer heeft opgelegd dan wel het opleggen van die
maatregel onjuist en/of onvoldoende heeft gemotiveerd.
4.2. De Rechtbank heeft de oplegging van die maatregel als volgt gemotiveerd:
“Het bewezenverklaarde feit is met betrekking tot de motorstep begaan en het
ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang”.
4.3. Nu de Rechtbank heeft vastgesteld dat met de motorstep geen gebruik mocht
worden gemaakt van voor het openbaar verkeer openstaande wegen, terwijl de
Rechtbank kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, dat zodanig gebruik,
gelet op de aard van het voertuig, niettemin voor de hand ligt, geeft haar oordeel
dat het ongecontroleerd bezit van dat voorwerp in strijd is met het algemeen
belang, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin
onbegrijpelijk is. Dat oordeel, dat de oplegging van de maatregel zelfstandig
draagt, behoefde, ook in het licht van de door de verdachte aangevoerde
omstandigheid “dat het zijn bedoeling is de motorstep aan de muur te hangen”,
geen nadere motivering.
4.4. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen
grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren
te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zitter, en de
raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier
H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 7 november 2000.