Conclusie
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel Ais het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden dan wel heeft het de feitelijke grondslag van de stellingen van partijen verlaten, doordat het in rov. 1.2 tot en met 1.12 van de beschikking onder het kopje ‘achtergrond’ feiten aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd die niet zijn ontleend aan de processtukken. Voorts heeft het hof de eisen van hoor en wederhoor geschonden door Walmaro niet de gelegenheid te bieden om te reageren op deze feitelijke vaststellingen.
subonderdeel B.1.1heeft het hof miskend dat een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor in beginsel moet worden toegewezen. In rov. 3.2-3.5 anticipeert het hof op de uitkomst van een door Walmaro te entameren herroepingsprocedure, door te beoordelen of het bewijs (dat sprake is van een grond voor herroeping) wel of niet geleverd zou kunnen worden. Daarmee geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de toewijsbaarheid van de in te stellen vordering in de hoofdzaak niet voorligt bij een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Als het hof wel van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is zijn oordeel onbegrijpelijk.
kansloosis. [16] De afwijzingsgrond zal in een dergelijk geval ‘gebrek aan belang’ zijn: omdat sprake is van een kansloze vordering heeft verzoeker geen belang bij een voorlopig getuigenverhoor.
als bij oppervlakkige beoordeling van de vordering in de hoofdzaak kan worden aangenomen dat de vordering in de hoofdzaak hoogstwaarschijnlijk zal worden afgewezen’. [18] Toepassing van dit criterium leidt er volgens haar toe dat een verzoek, dat niet kansloos is maar wel kansarm, wél dient te worden toegewezen. [19] Naar mijn mening legt dit criterium de lat nog te hoog. Volgens mij zou het
evidentmoeten zijn dat de vordering in de hoofdzaak niet kan slagen.
subonderdeel B.1.2wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd omdat het geen van de afwijzingsgronden van toepassing heeft geacht. Deze klacht mist feitelijke grondslag, nu het hof het verzoek heeft afgewezen wegens gebrek aan belang.
subonderdeel B.1.3wordt aangevoerd dat wanneer het hof heeft gemeend dat zich een andere uitzonderingsgrond voordoet, deze beslissing onvoldoende kenbaar is gemotiveerd. Deze klacht mist feitelijke grondslag nu het hof het verzoek heeft afgewezen wegens het ontbreken van voldoende belang.
Subonderdeel B.2.2voegt daaraan toe dat het hof miskent dat de eerdere herroepingsvordering is gedaan in het geschil tussen Walmaro en de verzekerde van Nationale Nederlanden, [de curator], dat is beslecht door het hof ‘s-Hertogenbosch. De herroepingsvordering waarop het onderhavige verzoek betrekking heeft ziet echter op de procedure tussen Walmaro en Nationale Nederlanden, die is geëindigd met het arrest van het hof Den Haag van 29 september 2009. Van dit arrest is niet eerder herroeping gevorderd.
18. (…)[dat]
het onderhavige verzoekschrift erop is gericht te kunnen vaststellen of er mogelijk gronden zijn voor een herroepingsverzoek, in het bijzonder om te achterhalen of en zo ja welke stukken voor de rechter zijn achtergehouden.”
welke stukkenhet gaat. Volgens
subonderdeel B.3.2heeft het hof een te strenge eis gesteld met zijn overweging dat Walmaro niet zou hebben toegelicht in hoeverre de situatie thans verschilt van de situatie ten tijde van de eerdere herroepingsprocedure in 2009 (Walmaro verwijst hier naar rov. 3.4, maar de betreffende overweging is te vinden in rov. 3.3), indien daarmee bedoeld is dat uitvoeriger had moeten worden toegelicht om welke redenen de nog onbekende stukken nu wel tot een geslaagde herroeping zouden kunnen leiden. Verder houdt
subonderdeel B.3.3in dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, als het zou hebben aangenomen dat de termijn voor herroeping reeds is verstreken drie maanden nadat het niet-verschaffen van het complete dossier aan [betrokkene 1] bekend is geworden aan Walmaro. Walmaro wil namelijk bewijs verzamelen van haar vermoeden dat [betrokkene 1] nog meer informatie heeft achtergehouden. Die termijn gaat pas lopen op het moment dat Walmaro daadwerkelijk bekend is met het achterhouden van informatie.
Met de overweging dat Walmaro niet heeft toegelicht waarin de situatie thans verschilt met die ten tijde van de eerdere herroepingsprocedure (bestreden met subonderdeel B.3.2), bedoelt het hof kennelijk dat het
in theoriedenkbaar is dat er thans een andere grond voor herroeping is, anders dan dat [betrokkene 1] niet over het complete dossier heeft beschikt, en dat in dat geval
in theoriede termijn van drie maanden nog niet is gaan lopen, maar dat daarover niets blijkt uit de stellingen van Walmaro. Deze overweging is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Daarmee faalt ook deze klacht.
zelfde schade heeft begroot (…).” Dat het hof deze stelling heeft uitgelegd in de in rov. 3.4 verwoorde zin, is niet onbegrijpelijk. Dat geldt temeer nu Nationale Nederlanden c.s. in haar verweerschrift ook heeft aangevoerd, onder verwijzing naar rov. 14 en 15 van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 september 2009 [21] (verweerschrift onder 4.14), dat “gelet op het voorgaande […] zonder nadere motivering niet [valt] in te zien op grond waarvan Walmaro nog in staat zal zijn een geslaagde vordering tot herroeping [in te stellen]” (verweerschrift onder 4.15).
subonderdeel B.4.2heeft het hof een te strenge eis gesteld, omdat het geen voorwaarde voor een voorlopig getuigenverhoor is dat verzoeker moet motiveren waarom het bewijs dat hij wil verzamelen van doorslaggevende betekenis is voor de beslechting van het geschil.
subonderdeel B.4.3wordt ten slotte aangevoerd dat het hof in rov. 3.5 ten onrechte overweegt dat sprake is van ‘een herhaling van zetten’. Geklaagd wordt dat geen sprake is van een herhaling van zetten.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
verzoekschriftproceduresop grond van art. 289 Rv Pro (en gelet op art. 362 Rv Pro ook in hoger beroep) de vrijheid heeft om al dan niet een kostenveroordeling uit te spreken. Anders dan in de dagvaardingsprocedure, waar het hoofdregel is dat de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld wordt in de kosten van de procedure (art. 237 Rv Pro), is het in de verzoekschriftprocedure overgelaten aan het inzicht van de rechter om te beoordelen of er reden is om een proceskostenveroordeling uit te spreken. [22] De reden hiervoor is dat de verzoekschriftprocedure zich minder dan de dagvaardingsprocedure zou lenen voor een veroordeling in de proceskosten, omdat verzoekschriftprocedures veelal een niet-contradictoir karakter hebben. Het onderscheid tussen kostenveroordelingen in verzoekschriftprocedures en dagvaardingsprocedures wordt dan ook kleiner naarmate de verhouding in de verzoekschriftprocedure tussen partijen meer contradictoir is. [23] Het oordeel van de rechter in een verzoekschriftprocedure dat al dan niet een kostenveroordeling dient te worden uitgesproken, hoeft in beginsel niet te worden gemotiveerd, maar de omstandigheden van het geval en de stellingen van partijen kunnen nopen tot afwijking van deze hoofdregel. [24]
dagvaardingsproceduresis vaste rechtspraak dat onrechtmatig handelen door het instellen van een procedure of misbruik van procesrecht aanleiding kunnen zijn voor een veroordeling in de volledige proceskosten. Dit doet zich echter niet snel voor: [25]
kande rechter, zoals gezegd, een proceskostenveroordeling uitspreken. De rechter is daarbij niet gebonden aan het liquidatietarief en kan derhalve ook de werkelijke kosten toewijzen. [28] Uit het arrest
Vehmeijer/Janssensis af te leiden dat ook in verzoekschriftprocedures het toetsingskader uit
Duka/Achmeakan worden toegepast bij de beoordeling of een volledige proceskostenveroordeling op zijn plaats is wegens misbruik van procesrecht: [29]
Walmaro c.s. wordt gewezen op de mogelijkheid dat een volgende keer wel tot een volledige proceskostenveroordeling zal worden besloten” (rov. 8.1).
dat de onderhavige procedure neerkomt op een herhaling van zetten” zodat “
het aldus begrote bedrag in dit geval geacht wordt een redelijke vergoeding te vormen voor de gemaakte kosten”, ligt echter besloten dat het hof onvoldoende aanleiding ziet voor een volledige proceskostenveroordeling en derhalve van oordeel is dat geen sprake is van misbruik van procesrecht. Kennelijk weegt het hof daarbij mee dat de mate waarin Nationale Nederlanden c.s. ‘op kosten is gejaagd’ meevalt, omdat sprake is van ‘een herhaling van zetten’. Daarmee zal het hof bedoelen dat Nationale Nederlanden c.s. in de onderhavige procedure geen nieuwe argumenten of stellingen behoefde in te nemen of uit te werken, ten opzichte van het verweer dat zij had gevoerd naar aanleiding van het eerdere verzoek van Walmaro om een voorlopig getuigenverhoor. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Hierbij is mede in aanmerking te nemen dat een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor niet snel misbruik van procesrecht zal opleveren vanwege de omstandigheid dat verzoeker ‘
op voorhand moest begrijpen dat zijn verzoek geen kans van slagen had’.Een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor dient immers in beginsel te worden toegewezen – behoudens het bestaan van een afwijzingsgrond – en de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ligt niet ter toetsing voor.